ELS BORST - Woede over onrecht is mijn drijfveer

Haar drie kinderen hebben haar na de voor D66 desastreus verlopen gemeenteraadsverkiezingen opgepept. “Ach mam, de opkomst was slecht en straks gaat het meer om landelijke issues.” Dat neemt niet weg dat de klap hard aankwam bij lijsttrekker Els Borst-Eilers (66). Maar geen moment heeft ze overwogen ermee te stoppen.

“Niemand stond te springen voor deze functie. Hans (van Mierlo, red.) heeft lang op me in moeten praten om me over te halen. Maar als ik eenmaal ja heb gezegd, zet ik me ook volledig in.” Het gaat te ver om de afbladdering van D66 aan één persoon toe te schrijven, vindt ze, ook al trekt ze zich de nederlaag persoonlijk aan. “De hele top van de partij en daar hoor ik dus ook bij, rekent zich dit aan. Het is een periode van diepe treurnis waar we doorheen moeten.”

Dat de kiezers zich massaal afwenden van D66, heeft niets met haar optreden te maken, meent ze. “Misschien hadden we ons de afgelopen vier jaar duidelijker moeten profileren. Maar paarse vogeltjes vallen niet zo op tegen een paarse achtergrond. Maar ik ga me niet op voorhand van streek maken over de verkiezingen op 6 mei. Ik heb me wel voorgenomen om nog duidelijker te zijn, kort en krachtig te spreken en zoveel mogelijk beelden te gebruiken.”

Partijgenoten uit de lokale politiek hebben gezegd dat de lijsttrekker een te keurige dame in mantelpak is. Ze zou meer een straatvechter moeten zijn. “Niets is erger dan een vrouw die voor straatvechter speelt, terwijl ze het niet is. Zie je het voor je, ik vechtend op straat.” Ze schiet in de lach. “Nee, je moet jezelf blijven en niet gekunsteld worden. Open, duidelijk en betrouwbaar: zo ben ik en zo wil ik overkomen bij de kiezers.”

Marga Klompé en Ien Dales zijn haar voorbeelden. “Het waren allebei buitenbeentjes, maar ze gingen gewoon hun eigen gang. Dus ik kijk 's morgens in de spiegel en zeg tegen mezelf: zo Els, we gaan vandaag weer eens duidelijk het lijsttrekkerschap neerzetten, zonder in sjablonen te vervallen wat mannen nogal eens doen. Vrouwen blijven vaak dichter bij zichzelf, misschien omdat ze nog niet zo lang in dit soort functies zitten.”

Onder alle omstandigheden moet je eerlijk en betrouwbaar zijn, meent ze. Altijd is haar een vreselijk voorval bijgebleven uit de tijd dat ze nog ziekenhuisdirecteur was. Een jongeman van 21 overleed toen volstrekt onnodig na een kaakoperatie. “De chirurg had een gaasje in zijn keel laten zitten. En op het nachtkastje ontbrak de tang die er had moeten liggen om eventueel snel de na zo'n operatie vastgesnoerde kaken te kunnen openknippen, als de patiënt het benauwd krijgt. De chirurg die het overkwam, is naar de ouders gegaan en heeft gezegd: uw zoon is dood en het is mijn schuld. De ouders hebben het ondanks hun verdriet achteraf zeer gewaardeerd dat het ziekenhuis er niet omheen draaide.”

Toen ze in 1994 aantrad als minister van volksgezondheid, zei ze: “Ik ga dit vier jaar doen en daarna is het tijd voor een kleiner pakketje, waar de kleinkinderen ook nog bij kunnen.” Daar komt dus niks van terecht, voorlopig gaat ze alleen nog maar harder werken. Zelfs het wekelijkse fitnessuurtje met de andere vrouwen uit het kabinet schiet er regelmatig bij in. “Alleen Tineke Netelenbos en Margreeth de Boer zijn er altijd, die zijn het fanatiekst.” Haar dochter en jongste zoon waren meteen enthousiast over haar beslissing om lijsttrekker te worden. “Die twee stemmen ook altijd op D66. Mijn oudste zoon had er meer moeite mee, maar hij is ook geen D66'er.”

Als haar man nog had geleefd, was ze nooit de politiek in gegaan. Hij overleed in 1990 aan beenmergkanker na een ziekteproces van zeven jaar. Zij was toen nog vice-voorzitter van de Gezondheidsraad. “Wij waren maatjes, hadden een huwelijk waarin we veel dingen samen deden, sport, vrienden, we praatten veel met elkaar over ons werk. Ik heb het er regelmatig over met mijn collega's in het kabinet, dat het ministerschap niet samengaat met een normaal gezinsleven. Dat hangt natuurlijk ook af van het soort huwelijk dat je hebt. Er zijn relaties waarin de partners weinig samen delen, zelfs apart op vakantie gaan. Het is maar waar je voor kiest.”

Regelmatig heeft ze het over haar overleden echtgenoot. “Ik betrap me er zelf ook vaak op hoezeer hij nog deel uitmaakt van mijn leven. Hoe vaak ik niet zeg: Jan zou dat ook zo gedaan hebben. Hij zou zus of zo... Hij hoort er nog helemaal bij.”

De week na zijn dood maakte ze een vermoeiende wandeltocht door Limburg met twee van haar kinderen. “We hebben het verdriet er letterlijk uitgelopen. Na die week ben ik weer aan het werk gegaan. Het rouwproces had ik in feite al doorgemaakt voor zijn dood. Toen de ziekte werd geconstateerd, wisten we dat hij nog een jaar had, maar het konden er ook tien worden. Het zijn er zeven geworden. Mijn man is altijd erg open geweest over zijn naderende dood. Daarbij heeft ook meegespeeld dat hij wist dat hij niet onnodig pijn zou hoeven te lijden. Vanaf het moment dat hij een euthanasieverzoek had ingediend bij de internist, was hij innerlijk volkomen rustig. Uiteindelijk is hij gewoon gestorven met mij en de drie kinderen aan zijn bed.”

Ze gelooft niet dat ze ooit met hem zal worden herenigd. “Ik geloof niet in een leven na de dood, mensen leven alleen voort in herinneringen. Ik heb genoeg aan één leven. Daarin ben ik ook bevestigd door mijn eigen ouders, die op hun sterfbed zeiden: het is mooi geweest. Goed, het is iets anders als je jong sterft of zwaar gefrustreerd.”

Haar eigen euthanasieverklaring ligt bij de huisarts en haar kinderen. “Ik heb geen standaardverklaring gebruikt, maar zelf een briefje geschreven, omdat ik vind dat je dit soort dingen zelf moet opstellen. Voor mij ligt de grens dat ik niet wil eindigen als een zwaar demente vrouw die haar eigen kinderen niet meer herkent. Maar als het uiteindelijk anders loopt, bijvoorbeeld doordat de kinderen anders beslissen, zal ik dat niemand kwalijk nemen. Het mooist is het natuurlijk toch om gewoon te sterven. De Engelsen hebben daar een mooi woord voor. Zij spreken over the old man's friend als ze het hebben over longonsteking bij oude mensen.”

Ze draagt sinds 1974 een donorcodicil bij zich. Toen werkte ze bij de bloedtransfusiedienst in het Academisch Ziekenhuis Utrecht. “Ik heb daar de eerste niertransplantatie meegemaakt, moest het bloed van donor en ontvanger scannen. Die ervaring overtuigde me van het belang om je als donor kenbaar te maken. Ze mogen alles van mij hebben, hoornvliezen, hart, nieren, lever, ik zit daar verder niet mee.”

Els Eilers groeide als enig kind op in een Amsterdams gezin. Haar vader werkte zich op tot directeur van een matrassenfabriek; haar moeder was huisvrouw, maar altijd in de weer met de opvang van zieke en hulpbehoevende familieleden. De beslissing om medicijnen te gaan studeren nam ze als jong meisje in de oorlog, toen zij en haar ouders machteloos moesten toekijken bij het deporteren van hun joodse buren. “Er is toen zo'n woede in mij ontstaan over onrecht en het discrimineren van mensen. Die woede over maatschappelijk onrecht wilde ik omzetten in iets positiefs, ik wilde mensen daadwerkelijk kunnen helpen. Nog steeds is die woede mijn drijfveer.”

Eigenlijk had ze kinderarts willen worden, maar na twee jaar brak ze die studie af, toen ze zwanger werd en zich realiseerde dat een kinderarts soms het hele kerstweekeinde in het ziekenhuis zit. Ze volgde de opleiding immunohematologie en werd in 1965 wetenschappelijk medewerker bij het bloedtransfusielaboratorium van het Academisch ziekenhuis Utrecht. Vier jaar later kreeg ze er de leiding. In 1976 volgde de benoeming tot directeur van dat ziekenhuis. Die baan verruilde ze tien jaar later voor het vice-voorzitterschap van de Gezondheidsraad in combinatie met een bijzonder hoogleraarschap in Amsterdam.

“De volksgezondheid is mijn allergrootste liefde, al ben ik de politiek inmiddels ook boeiend gaan vinden. Of, zoals Van Mierlo ooit zei: de kunst van het leven is om het onvermijdelijke lief te hebben. Ik heb twee opties voor na de verkiezingen: of ik ga in de Kamer zitten om de regering te controleren en hele kritische vragen te stellen en gaten te schieten in de stukken van ministers.” Lachend: “Ik weet nu inmiddels hoe het werkt op de departementen.” Mocht D66 toch weer in de regering komen, dan opteert ze voor nog eens vier jaar volksgezondheid.

“Vier jaar is gewoon te kort om alles te doen wat je je had voorgenomen.” En wat ook meespeelt, is dat het ambtenarenapparaat is ingespeeld op haar. “Ik ben best een kritische baas. Toen ik nog bij de Gezondheidsraad zat, kreeg ik wel eens briefjes van mijn voorgangster op het departement, Hedy d'Ancona, die vol spelling- en taalfouten stonden. Zo slordig vind ik dat, daar heb ik meteen een eind aan gemaakt. In het begin heb ik werkelijk elk briefje doorgevlooid waar mijn handtekening onder moest en alle fouten rood aangestreept. Nu doen de ambtenaren het meteen goed.” Ja, ze is streng, maar dat is ze ook voor zichzelf. “Iedereen moet proberen op z'n tenen te lopen, vind ik. Ik kan er niet tegen als mensen een beetje knullig de kantjes eraf lopen.”

Ze heeft zelfs lol gekregen in het politieke werk. Haar sterkste punt vindt ze zelf haar vermogen om te relativeren. “Ik ben een van de spelers op het Binnenhof, maar af toe ook toeschouwer. Dan moet ik soms onbedaarlijk lachen om mezelf, als ik net weer met een fantastische volzin iedereen stil heb gekregen.” Mensen zeggen haar vaak dat ze zo laconiek kan reageren. “Ach, als je de oorlog hebt meegemaakt, een van je kinderen kort na de geboorte hebt zien sterven en ook nog je man hebt moeten verliezen na een lang en zwaar ziekteproces, dan realiseer je je: het kan zoveel erger. Al die levenslessen leren je om te relativeren en dat is wel handig op het Binnenhof met al dat haantjesgedrag.”

Over vier jaar gaat ze het echt rustiger aandoen. Dan wil ze voorzitter worden van een commissie van de Gezondheidsraad of een adviseurschap als 'wijze vrouw', zodat ze meer kan genieten van de vijf kleinkinderen. “Ik vind het zo leuk om de ontwikkeling van een nieuwe generatie te volgen. Je kunt ook zoveel plezier hebben met kinderen.”

En als ze echt oud wordt, dan lijkt groepswonen haar wel leuk. Een gemeenschappelijk huis waarin de bewoners een aantal dingen delen, maar toch ook een stukje voor zichzelf houden. “Maar dan ben ik wel in de tachtig of negentig en dat is zover weg, dat ik daar nog helemaal niet mee bezig ben.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden