Ellen van Langen

Waaruit putten de ondernemer, de politicus, de sporter, de schrijfster hun kracht? In deze bijlage vertellen, enkele dagen voor Kerst, vier mannen en twee vrouwen met zeer verschillende achtergronden wat hun drijfveer is om dóór te gaan met wat hun leven beheerst, soms zelfs na grote tegenslagen. Geloof, hoop en zelfs ongeloof zijn hun sleutelwoorden. Wilskracht is wat hen bindt.

ROB VELTHUIS

Het fascinerende van topsport, dat is voor Ellen van Langen ook in Stellenbosch op de massagetafel liggen, pratend over de ontwikkelingen in Zuid-Afrika. De blanke fysiotherapeute vertelt de atlete over de zwarte man die haar huis schildert, maar 's nachts uit angst voor praatjes de 'traditionele' schuur als slaapplaats verkiest boven het hem aangeboden bed in de logeerkamer. Over het zwarte echtpaar dat haar feest bezocht, en daarmee gespreksthema nummer één werd voor de volgende dag.

Wat Ellen van Langen opvalt in Kaapstad en Stellenbosch is uiteraard de schrille tegenstelling tussen rijk en arm: de grote witte villa's met 24-uursbewaking en even verderop de townships; de blanken die in het restaurant zitten en de zwarten die in de keuken staan. Maar op straat verbaast ze zich over de opgewekte sfeer, die, zo heeft ze zich laten vertellen, haaks staat op de grimmigheid in Johannesburg. “Het lijkt wel of de zwarte mensen hier ondanks alles altijd vrolijk en optimistisch zijn. Ze willen er iets van maken. Daar houd ik geen triest gevoel aan over.”

Twee jaar geleden streek Van Langen voor het eerst in Zuid-Afrika neer voor een trainingskamp. Twaalf maanden later bemerkte ze slechts een geringe verandering ten goede. Daarom kijkt ze tijdens het interview al uit naar haar huidige verblijf, benieuwd als ze is hoe de maatschappij zich aanpast aan de nieuwe situatie. “Ik ben daar natuurlijk om te trainen, maar ik sta er wel voor open. Het is heel fascinerend dat je je dankzij je sport ter plekke in dit soort zaken kunt verdiepen.”

Vrolijkheid en optimisme, ze zijn - toevallig of niet - ook zo kenmerkend voor Ellen van Langen zelf. Geen spoor van woede, frustratie of berusting is te bekennen bij de atlete die vier jaar lang slechts tegenslagen te verwerken kreeg. In de zomer van 1992 openden haar grote ogen en mond zich in een samensmelting van uitputting, verbijstering en euforie, toen ze op de 800 meter Olympisch kampioene werd. Erna sprak ze steeds nieuwe hoop uit, als weer een blessure de weg naar ander succes versperde. In 1993 hielden een geïrriteerde achillespees en een stressfractuur haar weg van de wereldkampioenschappen; in 1994 waren het een frictie-syndroom in de knie en een verrekking van een hamstring die de poort tot de EK dichthielden; in 1995 beperkte een voetblessure de looptrainingen tot een minimum, maar werd ze nog zesde van de wereld. Waarna een lichte spierscheuring dit seizoen de droom van Atlanta tot een nachtmerrie maakte.

Een complete olympiade van treurigheid, het vertrouwen van Ellen van Langen bleef ongebroken. Er is geen sprake van stoppen, zoals ze deze zomer in een eerste opwelling zei. De dertigjarige Hilversumse vond in Ronald Klomp een opvolger voor Frans Thuys, onder wie ze haar hele carrière trainde, en spreekt van een nieuwe begin dat mogelijk zelfs tot de Spelen van Sydney leidt. Waar komt die mentale veerkracht vandaan, is dit dezelfde vastberadenheid die haar in 1992 ver boven haar concurrenten uittilde?

“Fysiek ben ik absoluut niet de sterkste op de 800 meter. Toch kan ik op het laatste moment dieper gaan, of kan ik mijn techniek beter behouden waardoor het voor mij makkelijker wordt. Er is iets waardoor ik toch vaak win. Dat zal met dit wel hetzelfde zijn. Voor mij is dit optimisme iets heel vanzelfsprekends. Want waar ben je mee bezig als je jezelf een doel stelt en bij de minste of geringste tegenslag iets anders gaat zoeken?”

Minste of geringste tegenslag. Dit is Van Langen ten voeten uit. Wat gebeurde, heeft ze (relatief snel) verwerkt en afgesloten en behoeft geen verdere dramatiek. Ze stelt nuchter vast: “Jarenlang trainde ik onder Frans Thuys en eigenlijk, behalve die blessures, ging het altijd goed”, waarna ze giert van het lachen. “Ik bedoel dit niet als grapje, hoor. In de tijd dat ik niet geblesseerd was en ik wedstrijden deed, liep ik altijd hard. Dan stond ik er. Alleen die blessures, dat is natuurlijk wel wat. Er zijn er gewoon veel te veel geweest. Maar dat is niet iets dat ik Frans aanreken. Dat heeft niets met hem te maken. Maar het is na al die tijd gewoon goed om eens iets anders te proberen met iemand die er helemaal fris tegenaan kijkt.”

“Ik heb er nooit bij stilgestaan dat het voor Atlanta wel eens fout zou kunnen gaan. Daarom was het ook zo'n teleurstelling voor me. Voor het eerst sinds jaren heb ik een winter goed kunnen trainen. De enige onzekerheid die ik had, was of mijn lijf het zou houden. Natuurlijk, dat is heel essentieel, dat voelt ook heel machteloos omdat je het voor een deel niet in de hand hebt. Dat machteloze gevoel draag je altijd met je mee, maar je hebt toch vooral het idee dat het goed gaat. Misschien ben ik wel een optimistisch mens. Ik houd me vast aan het feit dat ik elk jaar wel eens goed heb gelopen.”

“Op 10 juni raakte ik geblesseerd. Het leek niet ernstig, je houdt rekening met een paar dagen verlies. Die paar dagen worden een week, twee weken. Pas op dat moment begin je te denken dat Atlanta wel eens in gevaar kan komen. Die mogelijkheid was daarvoor niet bij me opgekomen, ik was alleen maar bezig de juiste dingen te doen om de Spelen wèl te halen. Nee, ik stop het niet geforceerd weg, het komt gewoon niet bij me op. Maar toen ik het me bewust werd, heb ik wel tegen mezelf gezegd: 'als dit mislukt, dan stop ik ermee'. Dat was de frustratie van die machteloosheid. Toen ik in Atlanta op de tribune zat en het lopen zag, hoe pijnlijk dat voor mij ook was, wist ik ook: hier wil ik helemaal niet mee stoppen. Dit vind ik prachtig.”

Na het aanschouwen van de finale 800 meter had ze het gevoel volkomen leeg te zijn. Alsof ze zelf had gelopen. Aanvankelijk wilde Van Langen er niets van weten, toch besteeg ze de Olympus van Atlanta in de hoop dat de confrontatie met de realiteit het verwerkingsproces zou versnellen. “Ik had me min of meer opgelegd dat ik er na Atlanta doorheen moest zijn. Maar toen ik thuiskwam, begon het rottige gevoel pas, het echte besef dat ik hard had gewerkt met een mislukking als resultaat.”

Van Langen bezocht Rome, de prachtige steden in Toscane. Ze herinnert zich de klim van honderden treden, met als beloning het betoverende uitzicht over het schelpvormige plein van Sienna. Maar het doofde de onrust niet. “Ik kon me niet op lopen storten, omdat ik geblesseerd was. Ik had me zo voorgenomen om thuis leuke dingen te gaan doen. Musea bezoeken, boeken lezen, uitgaan met vriendinnen. Maar ik had nergens zin in en dat maakte me ook weer boos. Iedereen riep maar: 'heb je nu nog geen trainer?', terwijl ik daar nog geen seconde over had nagedacht.”

“Ik had de periode van teleurstelling nog niet afgesloten. Eerst moest ik helemaal leeg zijn om open te kunnen staan voor nieuwe ideeën. Dat kwam na een paar maanden vanzelf. Toen kreeg ik weer zin in lopen en ben ik gaan praten met, onder anderen, Ronald Klomp, die me had geschreven interesse te hebben om me te begeleiden. In het eerste gesprek klikte het meteen, ik stond alleen angstig tegenover zijn totaal andere aanpak. Ronald heeft een duidelijk plan op papier, Frans werkte meer op gevoel. Vroeger trainde ik mijn spiergroepen heel geïsoleerd, Ronald traint ze veel meer in samenhang met andere. Daar heb ik een poosje over moeten nadenken, totdat ik bij mezelf voelde dat ik juist zìn heb in een totale verandering. Toen was ik eruit, toen was het onvoorwaardelijke vertrouwen er weer.”

Veranderingen in zichzelf heeft Van Langen wel bemerkt. “Mijn veerkracht is op bepaalde gebieden minder geworden. Ik heb bijvoorbeeld een enorme afkeer ontwikkeld voor alternatieve trainingen. Je hoeft het woord fiets maar te noemen of ik sta op tilt. Dat komt omdat ik fietsen en ook aqua-joggen direct associeer met geblesseerd zijn. Maar aan de andere kant, en ik vind dat zelf ook wel gek, heb ik vier maanden lang geen stap verzet en me constant afgevraagd of ik het allemaal nog op zou kunnen brengen. En na drie weken trainen in het bos weet ik het al zeker. Ik doe het opnieuw, wat er ook gebeurt. Omdat ik het zo ontzettend leuk vind. Niet om voor m'n lol een eind te lopen, het is heel duidelijk prestatiegericht. Het is dat simpele cliché: van mijn hobby een vak maken. Ik zal niet, als ik met wedstrijdsport ben gestopt, iedere dag anderhalf uur hardlopen. Een of twee keer in de week misschien.”

Er zit meer achter de prestatiedrang dan alleen zo snel mogelijk die twee rondjes lopen. Van Langen ziet een olympische voorbereiding niet als een opoffering, zoals veel andere topsporters dat wel zeggen te ervaren. “Zo'n lange voorbereiding en dan een mislukking, dat is inherent aan het leven. Ik denk ook wel eens: 'na Atlanta ga ik honderdduizend Magnums eten, dan koop ik elke dag een Bossche Bol en dan ga ik eindelijk eens al die vriendinnen opzoeken die ik heb verwaarloosd'. Maar een opoffering, nee. Er is gewoon niets mooiers, en dat is ook zo'n cliché, om je eigen grenzen te verleggen.”

“Mensen die sport domme sport vinden, die zien alleen dat je je fysieke grens verlegt, die zien niet waar je als mens verder mee bezig bent. De één ontwikkelt zich in zijn baan, of staat juist compleet stil, en ik doe dat in mijn sport. Onder meer in die rondjes lopen, want er komt veel meer bij kijken, het is een totaalpakket waar ik plezier in heb. Het is ook een soort nieuwsgierigheid, ik wil weten hoe ver ik daarin kan gaan. Ik wil weten of ik op het juiste moment, als alle ogen op mij zijn gericht, een prestatie kan leveren of dat ik het in mijn broek doe en afga. Wat ik daarin wel en niet kan, heb ik inmiddels natuurlijk wel ontdekt. Maar het is een lang proces, dat steeds verder gaat. Het houdt niet op omdat ik in Barcelona heb laten zien dan ik er kan staan. Dat ene jaar was niet voldoende, ik wil nog vaker heel hard lopen. Ik ben nog niet uitgegroeid, ik heb het nog niet afgemaakt.”

“Ik weet dat ik kan doorzetten, dat als ik iets ècht wil, mentaal heel diep kan gaan. Ik denk dat veel mensen zich afvragen waar hun eigen grenzen liggen. Velen vinden de antwoorden in de dingen die ze doen in hun leven. Ik vind ze in het lopen. Als je jezelf in het ene overwint, kun je jezelf op andere gebieden ook overwinnen. Er zijn nog veel dingen waarmee ik zelf moeite heb. Ik vind het bijvoorbeeld heel moeilijk om af en toe mensen persoonlijk te kwetsen, terwijl ik er geen enkel probleem mee heb om tegenstandsters in de wedstrijd te kwetsen. Op de atletiekbaan ben ik een keiharde. Dat is een aspect van mezelf dat ik vroeger niet kende, in het dagelijks leven ben ik niet zo. Maar in extreme omstandigheden blijk ik het wel degelijk in me te hebben.”

Kwetsen? Je bedoelt waarschijnlijk mensen afpoeieren die wat van je willen?

“Ja. Dan verplaats ik me altijd in de situatie van die mensen, dat ze het lullig vinden om te worden afgewezen. Ik houd nog altijd rekening met wat mensen van me denken, ofschoon dat wel minder is geworden. Op de atletiekbaan interesseert me dat geen hol, daar buiten wel. Dat is een grappig proces, dat je op het ene terrein heel anders bent dan op het andere. Ambities heb ik in het dagelijks leven ook, maar daar wil ik niet doorgaan voor iemand die zich niets van anderen aantrekt. Of dat nou te maken heeft met minder durf... ik leer wel steeds meer de boot af te houden, ik doe het ook steeds meer. Het interesseert me een stuk minder, aardig gevonden willen worden, maar het steekt er nog steeds achter.”

“Ik weet niet zo goed hoe ik overkom. Men vindt me, geloof ik, wel een vriendelijk meisje. Ik kom in elk geval niet over als een bitch. Dat er dat beeld bestaat van die altijd geblesseerde Van Langen, dat stoort me wel. Ten eerste omdat het niet waar is. Ik ben niet altijd geblesseerd. Ten tweede omdat het voor een deel wel waar is, en dat wil ik niet. Dan ben ik bang in de categorie altijd zeurende voetballers te worden ingedeeld. Als ik dat voor mezelf ook zo zou zien... nee, dat wil ik niet. Maar altijd zeurende voetballers... dat mag ik ook niet zeggen, het is niet te vergelijken. Zij hebben elke week een wedstrijd, zij staan elke week volop in de belangstelling. Als er één last heeft van een gekneusde teen, weet heel Nederland dat. Wij vallen alleen in de zomer op. En niet omdat hùn prestatie nu zoveel beter is dan die van atleten. Dat vind ik niet, zeker niet.”

“Dat constante gezeur over mijn blessures, daar ben ik eigenlijk niet zo mee bezig. 'Die loopt nooit meer hard', dat zeiden ze twee jaar geleden ook al. In 1995 liep ik indoor iedereen het snot voor de ogen. En een zesde plaats op een WK, dat stelt niets voor. Inderdaad een zesde plek op een WK atletiek stelt geen zak voor. Maar wat dan wel? Daar kan ik me allemaal niet mee bezighouden. Maar het is wel geinig, die reacties die ik krijgt nu ik doorga met lopen. De één is stomverbaasd, de ander heel erg blij. Ik ga door vanuit een soort oergevoel. Klaar. Het is absoluut geen opoffering of een keuze die voortkomt uit het feit dat ik anders niet weet wat ik moet doen. Ik wil nog zoveel talen leren, nog zoveel cursussen doen.”

Als abonnee van de Volkskrant schrijft Van Langen sinds dit jaar columns voor De Telegraaf. Ze ziet daar geen contradictie in, eerder past het in haar beeld om zo breed mogelijk te willen worden geïnformeerd. “Schrijven, dat is ook iets nieuws dat ik heb ontdekt. Het geeft een heerlijk gevoel om iets op papier te krijgen zoals je het in je hoofd hebt. Ik wist helemaal niet dat ik dat leuk vond. Ik was vroeger heel slecht in opstellen schrijven. Zoals ik er toen ook een hekel aan had om een spreekbeurt te geven. Nu vind ik het leuk om ergens een speech te houden.”

“Ik ben vroeger ook nooit bezig geweest met topsport, op mijn twintigste ben ik pas begonnen. Onlangs heb meegedaan aan het programma Klasgenoten, het wordt alleen nooit uitgezonden want het was voor Sport 7.” Ze schatert van het lachen. “Dat was echt komisch en ook niet leuk natuurlijk. Ik heb een geweldige dag gehad. Ze hadden er zelfs een vriendin voor uit Canada laten overkomen. Het ging om de zesde klas VWO, toen was ik dus een jaar of achttien. Grappig, niemand had gedacht dat ik topsportster zou worden.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden