Elke tijd zijn eigen herdenking

Canadese oud-militairen worden tijdens Bevrijdingsdag van 1980 in Amsterdam feestelijk binnengehaald. FOTO HERMAN PETERSE/ANP

Het stilstaan bij de oorlog lijkt zijn eigen vaste rituelen te kennen. In werkelijkheid veranderen die rituelen voortdurend, laten recente boeken over herdenken zien. In plaats van dat ene grote oorlogsepos wil het publiek nu kleine verhalen met een kop en een staart.

Historische optochten kennen een lange traditie in Nederland. Direct na de Tweede Wereldoorlog werd met dit soort parades de recente geschiedenis herdacht. De deelnemers verbeeldden episoden en figuren uit de bezettingsjaren: Nederlandse militairen, verzetsmensen, Duitsers, collaborateurs, moffenmeiden en bevrijders. Op sommige 'praalwagens' zaten mannen en vrouwen in zwart-wit gestreepte gevangenispakken achter prikkeldraad. Soms maakte een bordje met een opschrift als 'Dachau' duidelijk dat hier de concentratiekampen verbeeld werden. In een deel van de optochten reden als zigeuner verklede vrijwilligers mee op woonwagens, een enkele keer met de toelichtende tekst: 'Wij zijn er ook weer.'

Met de ogen van nu waren het nogal onsmakelijke vertoningen. Het bewijst hoe herdenkingsrituelen met de jaren veranderden. Het vuistdikke 'Rondom de stilte. Herdenkingscultuur in Nederland' van cultureel antropoloog Rob van Ginkel bestudeert het hoe en waarom.

De discussie over smaakvol herdenken vlak na de bevrijding concentreerde zich rondom de op te richten gedenktekens. Beeldhouwers gruwden openlijk van al het protserigs wat in Frankrijk en België na de Eerste Wereldoorlog was neergezet. Ze ageerden tegen 'versteend gebral', 'nachtmerries in graniet en marmer' en 'aannemersgewrochten'. Toch oogstten ook hun veelal classicistische en allegorische werken al snel kritiek. De kunstenaar en estheticus Joop Beljon schreef onder het pseudoniem B. Majorick: "Het zijn vergelijkingen, metaphoren, zonder eigenlijk onmiddellijk leven." En nog genadelozer: "Zonder gevoel, zonder intelligentie, heeft het gros van de beeldhouwers stomweg de praktijken van de tuinbeeld- en gevelsteenmakerij overgeheveld naar het oorlogsmonument."

Er zijn verzachtende omstandigheden aan te voeren. Zo kort na de oorlog heerste materiaalgebrek, waren architecten en beeldhouwers overbezet en werd de politiek-ideologische instelling van kunstenaars op een goudschaaltje gewogen. Als die screening niets onoorbaars opleverde, dan kon nog altijd rumoer ontstaan over het voorgestelde monument. Zo worstelden orthodoxe protestanten en rechtgeaarde katholieken met openbaar naakt, ook als dat in steen uitgehouwen werd. Menig geslachtskenmerk moest op bevel van hogerhand worden afgedekt of verdonkeremaand.

De overdadige symboliek en inmiddels achterhaalde vormentaal volgden ook uit de nationale verzetsmythe die in de eerste jaren na 1945 het herdenken domineerde. Omgekomen verzetslieden en militairen stonden centraal in de rituele en monumentale aandacht. Nederland werd voorgesteld als natie die zich dapper en eensgezind had geweerd tegen de onderdrukker. Aangerand, maar ongedeeld en ongebroken, dat was het beeld dat werd uitgedragen.

Van Ginkel overtuigt met zijn bewering dat de rol van de overheid daarbij beperkt was. Het kwam eerder neer op bijsturen dan op aansturen. Centrale rituele locaties ontbraken in eerste instantie. De meeste inmiddels traditionele en nationale herdenkingen komen niet voort uit initiatieven van de overheid. Wie nuchter kijkt naar 4 en 5 mei, ziet dat de van onderop ontstane dodenherdenkingen breder gedragen en gewortelder zijn dan de vaak van bovenaf bedachte bevrijdingsactiviteiten. Daar zijn tal van factoren voor aan te wijzen: van de kracht van het ritueel en een vaste tijd (acht uur 's avonds) tegenover het weinig beklijvende en vrijblijvende van de 5 mei-folklore, tot de blijvende weigering van het Rijk om op Bevrijdingsdag structureel vrij te geven.

De retoriek van de ongedeelde natie vol verzet heeft al lang afgedaan. In plaats van opoffering kreeg slachtofferschap een centrale rol in het herdenkingsrepertoire.

In de loop van de jaren zestig werd Auschwitz het dominante symbool van de oorlogservaring. De bezettingsjaren stonden nog sterker dan voorheen in de belangstelling: in publicaties, tv-uitzendingen, in de kunst en in het publieke debat. Sommige actiegroepen gebruikten de bijeenkomsten waarin werd stilgestaan bij de jaren 1940-1945 zelfs voor actuele politiek. Ondanks alle reuring nam de opkomst bij herdenkingen in de loop van de jaren zestig en zeventig af.

De laatste jaren is die weer gegroeid. Sommigen wijzen ter verklaring op de ontkerkelijking. Het geloof verdween, de behoefte aan rituelen bleef. Dat jongeren nadrukkelijker bij de herdenkingen en vieringen zijn betrokken, heeft mogelijk geholpen, denkt Van Ginkel. Aan al te stellige verklaringen op dit punt waagt hij zich niet.

De schrijver constateert wel dat 5 mei zich langzaam loszingt van de oorlogsgeschiedenis. Vrijheid, democratie en rechtsstaat worden steeds belangrijkere begrippen tijdens Bevrijdingsdag. Dat leidt af en toe tot al te veel vrijblijvendheid. ,,Alles herdenken is niets herdenken", schreef de historicus en psycholoog Eelco Runia ooit. Soms is van terugblikken of zelfs maar vooruitkijken geen enkele sprake meer, voor bepaalde jongeren zijn de massabijeenkomsten met muziek op 5 mei vooral vieringen van het hedonistische nu.

De jonge historica Maud van de Reijt nam al eerder een deel van dezelfde thematiek onder de loep. In 2009 won ze de nationale scriptieprijs met 'Zestig jaar herrie om twee minuten stilte', waarop ze cum laude afstudeerde. Vorig jaar verscheen een bewerking ervan in boekvorm.

Van de Reijt laat zien dat het 4 mei-ritueel in zijn ongeveer 65-jarig bestaan een turbulente geschiedenis heeft doorgemaakt. Ze laat daarbij haarscherp zien hoe regelmatig een loopje met de geschiedenis werd en wordt genomen. In een sfeer die af en toe wat had van een slachtoffercultus en met de Holocaust als model claimden steeds meer groepen hun eigen leed. Homoseksuelen vonden dat ze een beroep moesten konden doen op de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers. De politiek honoreerde het verzoek. Saillant detail: anders dan in nazi-Duitsland zijn Nederlandse homoseksuelen niet op basis van hun geaardheid vervolgd. Sterker nog, de vervolging van homosekuele zedendelicten stagneerde tijdens de bezettingsjaren.

'Zestig jaar herrie om twee minuten stilte' gaat uitvoerig in op het betrekken van Duitsers bij herdenkingen, onder meer door nadere bestudering van bijeenkomsten in Nijmegen en Venray. Van de Reijt is daar niet tegen, maar wijst op pseudo-historisch gebazel: de Venrayse burgemeester die het liet voorkomen alsof de Wehrmacht de onschuld zelve was en de Limburgse commissaris van de koningin die een wat al te nadrukkelijke onderscheid maakte tussen de Duitse bevolking en het nazi-regime. Alsof Hitler Duitsland als een plotselinge ramp had getroffen.

Ook Van Ginkel haalt uit als het nodig is. Voor zijn boek, dat veel verder gaat dan de meiherdenkingen alleen, is hij diep de bronnen ingedoken. Toch heeft hij het voor de analyse benodigde overzicht goed weten te behouden. Trefzeker toont hij de geschiedenis van de Nederlandse herdenkingspraktijk met alle debat, mini-oorlogen en psychologische achtergronden. De auteur komt met veel voorbeelden. Hij had aan de andere kant wel selectiever mogen zijn en had zich tot de sprekendste moeten beperken. Dat had 'Rondom de stilte' beter te behappen gemaakt en meer vaart gegeven.

Van Ginkel besteedt bovendien wel erg uitvoerig aandacht aan een van zijn stokpaardjes, het herdenken van vliegers. Dat ze in de eerste decennia na de bevrijding nauwelijks aandacht kregen en de laatste jaren het ene na het andere monument krijgen, bewijst wel dat de cultuur van terugkijken continu in beweging is. Het laat ook zien dat het ene grote oorlogsepos van de aangerande, maar ongedeelde en ongebroken natie nu niet meer zou werken.

Het publiek lijkt behoefte te hebben aan kleine verhalen met een kop en een staart, aan miniatuurgeschiedenis die een historische moloch als de Tweede Wereldoorlog weer een beetje grijpbaar maakt.

Rob van Ginkel: Rondom de stilte. Herdenkingscultuur in Nederland.
Bert Bakker, Amsterdam; ISBN 9789035134409; 844 blz. € 29,95

Maud van de Reijt: Zestig jaar herrie om twee minuten stilte. Hoe wij steeds meer doden gingen herdenken.
Bert Bakker; Amsterdam. ISBN 9789035134911; 236 blz. € 19,95

Bevrijdingsdag vieren
Met het oog op het tweede lustrum van de bevrijding richtte de Nederlandse regering een Nationaal Comité Viering Bevrijdingsdag 5 mei 1955 op. Om een idee te geven van een waardige invulling van de dag kregen gemeenten instructies. Onder deskundige leiding deden burgemeesters, wethouders en ambtenaren oude volksspelen en zongen ze liedjes als 'Zoete lieve Gerritje'. Burgemeesters noemden de vertoning 'bespottelijk' en spraken van 'schoolmeesterij'.
Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden