'Elke sneeuwbal die raak was kwam van een antisemiet'

Marja Wijnschenk (47) hoopt vurig dat joden van de zogeheten eerste generatie de komende drie dagen in Den Haag ècht met joden van de tweede generatie zullen kunnen praten. Maar misschien zit er zelfs geen “begin van herstel van een daadwerkelijk contact” meer in, vreest ze tegelijkertijd.

“Tot nu toe is het - hooguit - vertellen en aanhoren geweest. Het was spuien van de ene partij naar de andere partij en terug. Een dialoog is er nog niet geweest: die kan nog komen, maar dan moeten we wel opschieten. Ga maar na: ik ben van de tweede generatie en toch al bijna 50, het is echt vijf voor twaalf.”

Onder de titel 'Persoonlijke impressies' spreekt Marja Wijnschenk vandaag op het congres 'Over zwijgen gesproken' dat door het Joods Maatschappelijk Werk (JMW) georganiseerd wordt. Drie dagen langen komen honderden mensen met een joodse achtergrond, eventueel met partner, in Den Haag bij elkaar voor wat in de speciaal uitgebrachte congreskrant 'hèt hoogtepunt van alle gebeurtenissen op de joodse agenda in dit herdenkingsjaar' wordt genoemd.

Het JMW hoopt dat werkelijk alle leeftijden vertegenwoordigd zullen zijn, want voor het slagen van het project, dat in de wandelgangen 'Bouw een brug naar de toekomst' wordt genoemd, is juist de inbreng van alle generaties essentieel. “Pas nu gaan we weer een volgende fase in”, legt Marja Wijnschenk uit.

“Eerst heeft het tot het eind van de jaren zeventig geduurd, voordat de specifieke situatie van de joodse na-oorlogse generatie aandacht kreeg. Vervolgens heeft het jaren geduurd om de problemen van deze groep, náást die van de ouders die de oorlog hebben meegemaakt, een eigen plek te geven. In de afgelopen vijftien jaar zijn zowel de eerste als de tweede generatie bezig geweest met de vraag, wat het verleden nou precies met hen gedaan heeft. Wat zou het mooi zijn, als beide groepen nu nog tot elkaar zouden kunnen komen. . .”

Eigenlijk vindt ze het een rotwoord: tweede generatie. Laat staan al die woorden die er steevast aan vastgekoppeld worden, zoals tweede-generatie-problematiek, tweede-generatie-syndroom, of 'slachtoffers van de tweede generatie'. In Den Haag wil ze echter waken voor academische discussies over dit soort termen: het moet gaan over de eigen verhalen van Sem, Judith of David, die op hun beurt zouden moeten luisteren naar het persoonlijke relaas van Max, Naomi of Marja.

“Ik ben genoemd naar de vrouw - Marja - bij wie mijn vader in Antwerpen ondergedoken was. Later was mijn vader actief in het verzet, mijn moeder zat in Auschwitz. Het waren schatten van mensen, maar door alles wat ze in die jaren hebben meegemaakt, waren ze daarna niet meer in staat om voor mij een goed opvoedingsklimaat te scheppen. Dat is ook logisch.”

Ook in eerdere interviews - in de krant en op de televisie - durfde Marja Wijnschenk scherp te formuleren. Ik ben het slachtoffer van de opvoeding van beschadigde ouders. Ik ben opgevoed in een verminkt milieu tussen kapotgemaakte mensen. Zo heeft ze het gezegd, en dat heeft ze geweten. “Ik kreeg woedende, verwijtende en zelfs gemene reacties. Dat ik het lef had mijn ouders achteraf, terwijl ze al in hun graf lagen, zó te beledigen.”

Alle reacties, stelt Wijnschenk, typeren precies het belangrijkste probleem: er wordt slecht of niet naar elkaar geluisterd. Ze máákt haar ouders immers geen verwijten, ze beschadigt hen heus niet 'achteraf'. Integendeel, bij elk interview zegt ze met al haar overtuigingskracht, dat haar vader en moeder van die lieve mensen waren. Dat ze alle begrip heeft voor de lessen die ze van hen kreeg - daar zaten ook veel 'wijze' lessen bij - en dat ze het geen enkele jood van de eerste generatie ooit kwalijk zou durven nemen, dat hij of zij als ouder te kort is geschoten. “Mijn moeder wilde er altijd voor zorgen, dat je niet te veel opviel. Altijd moest ik proberen zo onzichtbaar mogelijk te blijven. Gezien haar tijd in Auschwitz, begrijp ik dit heel goed: niet opvallen kon daar beslissend zijn voor leven of dood.”

Haar vader daarentegen leerde haar een gedragswijze, die haaks stond op het 'zorg-dat-je-uit-het-zicht-bent' van haar moeder. Hij was van het 'beter-zelf-de-eerste-klap-uitdelen'-type, en leerde haar zelfs een gasmaker te dragen met een knuppel in de hand. “Als kind lukt je dat natuurlijk nooit, twee zulke tegenstrijdige boodschappen hanteren. Bovendien leerde ik van beiden dat ik niemand - behalve joden - moest vertrouwen. Dit heeft er toe geleid dat ik overal anti-semitisme in bespeurde: elke sneeuwbal die raak was, kwam van een antisemiet, elke sneeuwbal die mis was van een antisemiet die niet kon mikken.”

Dit basale gebrek aan vertrouwen en een soort natuurlijk besef altijd alert en waakzaam te moeten zijn, kenmerken volgens Wijnschenk vele joodse kinderen die na de oorlog zijn geboren. Zelf heeft zij er naar haar zeggen jaren over gedaan voordat ze dit besefte, laat staan dat ze kon gaan proberen in deze levenshouding verandering aan te brengen. “Een kind wil zijn ouders zoveel mogelijk tegemoet komen. Pas heel laat en met heel veel moeite ben ik gaan inzien, dat de boodschappen die ik van hen meekreeg voor deze wereld niet meer relevant zijn. Dat voortdurende wantrouwen en niet in staat zijn tot relaties: dat is toch niet wat het leven van je verwacht?”

Tijdens het congres wil ze dit inzicht proberen uit te leggen aan joden van de eerste generatie. Het enige waar ze op hoopt, is een beetje meer begrip, in plaats van de ontkenning zoals ze die tot op de dag van vandaag vaak voelt. “Ik ben ook beschadigd, en dat zou ik zou graag door de nog levende mensen van de eerste generatie erkend willen zien. Dat er gewoon iemand is die zegt 'Marja, ik begrijp je, ik besef dat jullie het met ons oorlogsverleden èn ons als ouders ook moeilijk hebben gehad.”

Zo'n klein gesprekje zou zóveel kunnen helpen. Het gaat om erkenning: niet meer, maar ook niet minder. “Het is echt fnuikend om in je leed miskend te worden. De verhalen van de tweede generatie worden door de eerste generatie nog steeds ontkend. Ik snap wel hoe dit komt: zíj voelen dat ik hun leed misken, als ik over het mijne vertel. Toch doe ik dit niet: ik benadruk steeds dat ik oog heb voor hun leed, en verwijt hen helemaal niets. Ik val hen niet aan; kàn dit ook niet doen, want ik voel het gewoon niet zo.”

Ze pakt de congreskrant en wijst op een cursieve tekst bij wat onder het kopje 'themagroep onder begeleiding' aangekondigd staat. Wij willen wel praten, maar weten niet hoe. We weten wel hoe, maar niet op welk moment. We weten wel op welk moment, maar kunnen niet luisteren. We kunnen wel luisteren, maar weten geen antwoorden. We weten wel antwoorden, maar kunnen niet praten.

Het zijn vijf zinnen die de kloof tussen de eerste en tweede generatie bij uitstek illustreren. Wijnschenk toont wederom begrip voor de weerstand die de ouderen voelen om met de jongeren te praten. “Zij zijn diep gekwetst door onze 'slechte' verhalen over hun opvoeding. Ze hebben het gevoel dat ze hun kinderen alles gegeven hebben wat ze konden, en vragen zich af of dan werkelijk alles voor niets is geweest. Velen zijn zelfs zo gekwetst, dat ze op hun beurt alleen maar in de aanval kunnen gaan. Die opmerking heb ik heel vaak gehoord: wat heeft die Marja Wijnschenk nou voor recht van spreken, wat heeft die nou meegemaakt.”

Waarmee de cirkel zich weer sluit, want bij zulke opmerkingen reageert Marja als door een wesp gestoken. Na haar recente optreden in het programma van Paul Witteman werd haar vaak gevraagd wat ze dáár nou weer te zoeken had. Hoorde ze zichzelf dan zo graag praten? Plus wéér dat verwijt, dat ze 'zó' over haar inmiddels overleden ouders had gesproken.

“Mensen die mijn ouders gekend hebben, beginnen zich dan namens hen te verweren. Terwijl ìk het kind ben van mijn ouders en niet zij. Zoiets maakt mij razend: dan worden niet alleen mijn ervaringen maar ook nog mijn kind-zijn ontkend.”

Vooral de verdachtmaking in het middelpunt van de belangstelling te willen staan, heeft haar ook tot nadenken gestemd. Zou dat kunnen, dat zo'n hang naar publieke aandacht haar drijfveer zou zijn? Ze kijkt peinzend voor zich uit: “Nee, het enige dat ik wil, is dat het zwijgen wordt doorbroken. Voor mij is praten - ik kan niet componeren, schilderen of acteren - daarvoor het enige instrument. Met elkaar praten kan ons een stukje verder brengen op de weg die uiteindelijk tot echte bevrijding leidt. Wat kan Marja uit de polder anders doen om die dialoog op gang te brengen, dan haar klep te gebruiken?”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden