Elke seconde driehonderd keuzes Esther Gerritsen

Haar nieuwe boek wordt hoopvol, kondigt schrijfster Esther Gerritsen aan. Dat is nieuw voor haar, en moeilijk. 'Omdat ik er zelf misschien niet in geloof. Niet helemaal.'

Esther Gerritsen staat net koffie te zetten als de postbode aanbelt. Een pakketje met modelautootjes, ze pakt het meteen uit. De hoofdpersoon in het boek waaraan ze nu werkt, is dochter van een vrachtwagenchauffeur en daarom wil ze van een paar auto's precies weten hoe ze eruit zien. Een model van een Scania-truck had ze al, nu kan ze ook een SUV van Chevrolet, een Fiat Panda en een Nissan op haar bureau zetten. "O kijk, van die Chevrolet kunnen de deurtjes open."

Vrolijk: "Straks denken lezers misschien dat ik heel veel van auto's weet. Maar ik ben er nog maar twee dagen mee bezig. Kijk, hier. Een boek over trucks. Heb ik gisteren gekocht. Grappig toch? Leuk om je ergens zo in te verliezen!"

Toen je aan je nieuwe boek begon, twitterde je: 'Vanmorgen dacht ik: ik zit nu al vast. Vanmiddag: dit wordt briljant. Zo ga ik nog 600 dagen vullen'. Hoe gaat het nu?

"Ik verbaas me erover dat beide gedachten elke dag voorbijkomen en dat ik ze elke keer weer serieus neem. Ik heb altijd ongelooflijk veel haast, ik schrijf heel snel tot ik een vage eerste versie heb, want ik wil weten of het wel wat wordt. Ik wil altijd iets doen wat ik in vorige boeken nog niet gedaan heb. Mijn vorige boek vind ik nu opeens alleen maar een soort slapstick. Ik wil verder gaan, elke keer een laag erbij, personages steeds meer kanten geven.

"Nu heb ik zo'n eerste versie. En ja, ik geloof wel dat het wat wordt. Dus nu begin ik opnieuw, heel rustig, te verbeteren wat ik heb. Maar al snel krijg ik opnieuw haast, dat hoort er blijkbaar bij. Het is alsof ik twee jaar lang op het puntje van m'n stoel zit."

Wat is voor jou het leuke aan schrijven?

"Wat grappig! Dat vraagt nóóit iemand. Ik vind het niet per se leuk als ik zo haastig aan het werk ben. Maar nu ik een eind op weg ben wel. Het leuke is natuurlijk: dat het lukt wat je in gedachten had. Het interessantst is het als je iets gaat opschrijven wat je nog net niet helemaal snapt. Of waar je nog nooit woorden aan hebt proberen te geven. Zodra het woorden heeft gekregen, is het opgelost, onschadelijk gemaakt.

"Alle gedachten en gevoelens die je hebt, ook als je je ervoor schaamt of als je ze raar vindt, en die je nooit hebt kunnen verwoorden, kan je ze zo opschrijven dat ze legitiem zijn en dat andere mensen ze snappen."

Ter illustratie verwijst Gerritsen naar haar laatste boek, 'Dorst'. Daarin komen een moeder en een dochter die elkaar nauwelijks nog zien elkaar tegen op straat. De moeder vindt het niet zo nodig, maar ze vertelt het toch maar: ze heeft kanker, ze gaat dood. En de dochter heeft er niet veel zin in, maar ze doet het wel: ze trekt bij haar moeder in om voor haar te zorgen. De moeder voelt zich daar alleen maar opgelaten over en een boek lang blijven de twee vreemden voor elkaar. Maar inderdaad, hun gedrag, hun gevoelens, hoe onaangenaam ook, lijken legitiem. "Toen de dochter twee was, sloot haar moeder haar regelmatig hele dagen op", zegt Gerritsen. "Eigenlijk een heel nare moeder. Toch vindt bijna niemand van de lezers haar echt vervelend."

Zo gaat het vaker in de romans van Gerritsen. Recensenten schrijven dat 'het menselijk falen haar werk kleurt' of dat ze 'het menselijk ongemak vangt'. Voor haar hoofdpersonen is bijna niets vanzelfsprekend, zeker de omgang met andere mensen niet.

Waarom is dat ongemak, dat falen zo'n belangrijk thema voor je?

"Ik benadruk altijd het vreemde van iemand. Ik schrijf over vreemde mensen die gewone dingen meemaken, nooit andersom, nooit over een gewoon iemand die iets vreemds meemaakt. Nee, vanzelfsprekendheid in de omgang is er weinig. Als ik een dialoog schrijf, loop ik al na drie zinnen vast, dan ontstaat er vanzelf onbegrip."

Ervaar je dat zelf ook in gesprekken?

"Het verbaast me meer dat mensen elkaar vaak wél snappen dan dat ze dat niet doen. Dat ongemak vind ik heel voor de hand liggend. Of het voor iedereen geldt, weet ik niet, maar ik ben me er altijd heel erg van bewust dat ik elke seconde een keuze moet maken uit driehonderd mogelijkheden. Gewoon, in een gesprek zoals dit. Wat zal ik antwoorden en wat niet? Hoe kijk ik erbij? Schenk ik nog koffie in of niet? Zal ik intussen naar mijn dochter lachen? Ik weet niet beter dan dat ik daar voortdurend mee bezig ben."

Je hebt dat zelf wel eens 'overbewustzijn' genoemd. Je kreeg zelfs hoofdpijn van het nadenken tijdens het voetballen.

"Ja. Zo ben ik, ja. Vroeger had ik ook de neiging om alles wat ik dacht hardop te zeggen, om vanuit dat overbewuste alles wat er gebeurde in de omgang met mensen te becommentariëren. Precies te zeggen wanneer iets ongemakkelijk was. Heel vervelend, dat moet je gewoon niet doen. En ik dóe het ook niet meer, die keuze heb ik gemaakt.

"Misschien helpt het ook dat ik een kind heb. Dat maakt alles nog chaotischer, want zij is er de hele tijd en ze vraagt aandacht. Dat is eigenlijk wel handig, want dan móet je kiezen waar je wel en niet op reageert."

Haar dochtertje van vier voedt ze op samen met haar ex-man. Deze doordeweekse ochtend hoeft haar dochter niet naar school, ze mag een paar uur lang televisie kijken en daar had ze zich op verheugd. Maar nu heeft ze er toch geen zin in. Dus komt ze soms even langs. Om een schaar te vragen. Of stiften. Of om haar nieuwe jas te laten zien. Af en toe schuift ze een tekening onder de deur door. "Ha, post!", roept haar moeder enthousiast.

Zelf is Gerritsen opgegroeid in een 'modelgezin uit de jaren zeventig', zegt ze: vader, moeder, jongen, meisje. Tien jaar geleden overleed haar broer. In haar romans is familie een bron van ongemak en wederzijds onbegrip. Maar nee, dat heeft niets met haar eigen afkomst te maken. "Iemand die voor een interview bij mijn ouders thuis kwam, zei al na twee minuten tegen me: het is wel duidelijk dat het niet jóuw moeder is die in je boeken voorkomt.

"Gezinnen zijn interessant. Familieleden lijken op elkaar, ze zijn tenslotte familie. Maar ze hebben ook iets van een willekeurig groepje mensen dat elkaar in de lift is tegengekomen. Je vriendenkring is vaak een homogene groep, binnen je familie heb je mensen met heel uiteenlopende interesses.

"Mijn broer was netwerkbeheerder, we waren heel verschillend. Toen hij ziek was, keken we samen naar de Tour de France. Dat doe ik nooit, en zeker niet met vrienden. Zoiets doe je alleen met familie. Het is een soort onvoorwaardelijke vriendschap. Als het goed is, kun je het niet verpesten. Familie is er voor altijd, dat vind ik wel ontroerend."

In Trouw ben je al eens een 'meester in het ongewoon en onnatuurlijk maken van wat normaal en natuurlijk is' genoemd.

"Haha. Ja. Dat gaat vanzelf. Ik was een keer bij een vriendin die een heel raar toetje had gemaakt, rare Chinese balletjes of zo. Dat gingen we proeven, en vlak voor ik het in m'n mond zou stoppen, zei ik: 'Ik ben bang'. Iets nieuws proeven heeft altijd iets vreemds, iets bedreigends. Dat benoem ik. 'Kijk, dát doe jij', zei die vriendin. 'Iedereen vindt het een beetje eng, maar zoals jij het zegt, klinkt het alsof het heel erg gestoord is.' Dat klopt. Ik isoleer iets kleins, dat benoem ik en dan lijkt het raar."

Raar, ja. Maar in je romans groeit dat rare vaak uit tot iets heel sombers. Put je uit je eigen somberheid?

"Als ik werk, heb ik vooral mezelf om uit te putten. Mijn romans gaan altijd over hoe iemand zich tot zichzelf verhoudt, over innerlijke processen. Dialogen kan ik naschrijven van wat ik van andere mensen zie en hoor. Maar als het gaat over wat er in je hoofd gebeurt, kan ik alleen maar mijn eigen hoofd nemen.

"Maar in mijn boeken wordt altijd een bepaalde kant uitvergroot. Het gaat altijd maar over een déél van mezelf. 'Superduif' bijvoorbeeld gaat over een meisje dat erover fantaseert hoe ze mensen redt. Die reddingsfantasieën kan ik zelf ook hebben, ja. Door dat boek sprak ik daar constant over en werd ik - zelfs voor mezelf - die vrouw met die reddingsfantasieën. Sinds twee dagen weet ik dat auto's een grote rol spelen in mijn nieuwe boek. Daar verdiep ik me nu in. Straks word ik waarschijnlijk die vrouw die zo dol is op auto's. En dat zal dan nog waar zijn ook, ik voel de liefde voor auto's nu al groeien."

Je volgende boek moet hoopvol worden, heb je aangekondigd. Lukt dat?

"Haha, dat ga ik proberen, ja. Dat gaat niet vanzelf. Maar het lijkt te gaan lukken. Ja, er zit hoop in."

Waarom gaat dat niet vanzelf?

"Boeken die goed aflopen, lijken we niet zo te waarderen. Mijn vorige boeken hadden best goed kunnen aflopen, maar ik stopte steeds net daarvoor. Zoals in 'Superduif'. Dat eindigt ellendig. De hoofdpersoon, een meisje van dertien, zegt: 'Papa, mama, ik zou zo graag dood willen.' Maar dat is het begin van iets goeds: ze zegt wat ze denkt in plaats van dat ze vlucht in fantasieën."

Waarom wil je zo graag iets hoopvols schrijven?

"Ik las een interview met een vrouw die stervende was, over de troost van muziek. Dat raakte me. Hoe werkt troost? Hoe werkt hoop? Veel mensen staan elke dag vol goede moed op. Dat interesseert me, want ik kan heel veel goede redenen verzinnen waarom je je ellendig kan voelen, waarom je niet wilt opstaan, waarom je een hekel aan elkaar hebt. Die overlevingsdrift, die goeie zin, die vrolijkheid, die wil ik onderzoeken."

'Het is moeilijk om te schrijven over troost en liefde, over wat je je kinderen zou willen bijbrengen', heb je wel eens gezegd. Waarom?

"Omdat je er zelf niet altijd in gelooft, ben ik bang. Omdat je de angst hebt dat het toch niet waar is. Dat is het gekke: je wilt een kind mooie dingen leren waar je zelf misschien niet helemaal in gelooft. Niet helemaal."

Wat voor moeilijks wil je je kind dan leren?

"Dat ze aardig is voor de mensen om haar heen, maar dat ze ook eerlijk is. En daar gaat het meteen al mis. Ik leer haar dat ze niet mag liegen over wat ze voelt, maar dat ze wel moet liegen tegen mensen als ze die anders pijn doet. Behalve als het haar zelf te veel pijn doet. (Lachje). Dat is het leuke van kinderen: als moeder word je onmiddellijk geconfronteerd met de moeilijkheid van het mens-zijn.

"Of zit ik nu uit mijn nek te kletsen? Ik zeg tegen mijn kind: je mag best tegen mij zeggen dat die vrouw dik is, maar je mag het niet tegen háár zeggen, want dan kwets je haar. Nee, dat is niet zo ingewikkeld.

"Wat vind ik dan wel moeilijk? Nou, kijk... Alle kinderfilms lopen goed af. Dat moet ook, want het is te ellendig als het niet gebeurt. Maar het heeft niets met de werkelijkheid te maken. Als er iemand dood gaat, vraagt mijn dochter: hoe maken ze die weer levend? Soms moet je uitleggen dat dat niet kan. Toch hoop je dat ze elke dag opstaat met het geloof dat de hele dag oké zal gaan, je hoopt dat ze gelooft dat haar vader en moeder voorlopig niet doodgaan. Maar je wéét dat dat niet per se waar is.

"P.F. Thomése vertelde toen zijn dochtertje overleed: we zaten in de leugen dat alles gewoon wel goed gaat, nu zitten we in de waarheid dat alles zomaar mis kan gaan en we moeten weer terug naar de leugen, anders kan je niet leven. Met zo'n hoopvolle leugen moet je je kind ook opvoeden.

"Toen mijn broer dood ging, heb ik maanden rondgelopen met de vraag: wat moet ik toch met de gedachte dat je zomaar dood kan gaan en dat dit de laatste dag kan zijn? En na maanden dacht ik: vergeten, geloof ik. Want je kán niet leven met de gedachte dat het zomaar afgelopen kan zijn. Die hele stomme romantiek van leven alsof het je laatste dag is, dat kán niet. Je moet juist doen alsof je het eeuwige leven hebt. Het is een soort leugen van geluk en hoop."

En dat is moeilijk om over te schrijven?

"Misschien omdat het niet helemaal waar is. De literatuur ontmaskert vaak wat niet helemaal waar is. Maar in het echte leven kan je niet met die ontmaskering leven. Je moet iets ertussenin vinden. Hoe overleef je zonder totaal te liegen?"

Wie is Esther Gerritsen?
Esther Gerritsen (Gendt, 1972) wilde aanvankelijk actrice worden. Maar omdat ze op geen enkele toneelschool werd aangenomen, ging ze eerst dramatherapie studeren en daarna dramaschrijven & literaire vorming aan de Hogeschool voor de Kunsten in Utrecht. Aanvankelijk schreef ze vooral toneelteksten. Haar prozadebuut, de verhalenbundel 'Bevoorrecht bewustzijn', verscheen in 1999. Daarnaast heeft ze vijf romans op haar naam staan. De laatste twee, 'Superduif' (2010) en 'Dorst' (2012), werden beide genomineerd voor de Libris-literatuurprijs. 'Dorst' wordt nu verfilmd. Sinds 2010 schrijft Gerritsen ook wekelijks een column voor de Vpro-gids. Haar nieuwe boek verschijnt in de loop van 2014.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden