Elke ketter kreeg zijn letter

Het boek heeft wat omissies, maar verliest daarom nog niet het predicaat 'grote klasse'

Is het 'HEERE der heirscharen', zoals in de Statenvertaling staat? Of: 'Wezer met de drommen', de keuze van Waaijman; dan wel: 'HEER van de hemelse machten', te vinden in de Nieuwe Bijbelvertaling? Over zulke vragen kunnen vertalers lang nadenken, en felle gevechten voeren. Het gaat dan ook om de Bijbel.

Over deze woordenstrijd en nog veel meer handelt het boek 'De Bijbel in de Lage Landen. Elf eeuwen van vertalen' van een schrijverscollectief van 25 auteurs, onder wie de vijf redacteuren: Paul Gillaerts, Henri Bloemen, Youri Desplenter, Wim François en August den Hollander. De Vlamingen domineren, want alleen de laatstgenoemde komt uit het Noorden.

Dat is verrassend, want we waren gewend dat boeken over bijbelvertalingen uit Nederland kwamen. Zo was hier ook het erudiete boek van C.C. de Bruin, 'De Statenbijbel en zijn voorgangers' (1937) verschenen. Dat werk raakte, ondanks een update, wat verouderd door nieuwe inzichten en vertalingen, vandaar 'De Bijbel in de Lage Landen'.

Het boek zet in met de Wachtendonckse Psalmen, een vertaling van rond 900. De Middeleeuwse vertalingen zijn goed vertegenwoordigd en dat zal geen toeval zijn, want de redactie wil laten zien dat het vertalen van de Bijbel geen uitvinding van de Reformatie was, maar dat de Bijbel hier te lande (lees: ongeveer de Benelux) ook vóór die tijd vertaald en gelezen werd. Denk aan de Delftse Bijbel van 1477.

Vanzelfsprekend krijgen de reformatorische vertalingen uitgebreide aandacht, en dan vooral de Statenvertaling (1637). Maar de schrijvers maken duidelijk dat er honderd jaar eerder al een reformatorische vertaling verscheen: de Deux-Aesbijbel. Zoals elke ketter zijn eigen letter heeft, krijgen vervolgens de verschillende confessies van de Lage Landen alle hun eigen Bijbel: de doopsgezinden, de lutheranen en ook de rooms-katholieken.

Die vertalingen konden onderling behoorlijk verschillen. Allereerst omdat de rooms-katholieke vertalingen bleven teruggrijpen op de Latijnse Vulgata van kerkvader Hiëronymus, uit de vierde eeuw. Protestanten gingen, in de lijn van Erasmus, terug naar de bronnen en vertaalden dus de Hebreeuwse en Griekse teksten. Dezelfde tekst kon trouwens ook verschillend overgezet worden. Rooms-katholieken vertaalden in de brief van Jakobus dat bij ziekte 'de priesters van de kerk' geroepen moesten worden, terwijl de protestanten 'de ouderlingen van de gemeente' lieten komen.

In het protestantse kamp kreeg de Statenvertaling een status die vergelijkbaar was met die van de Vulgata als brontekst voor rooms-katholieke vertalingen. In de negentiende eeuw werd de noodzaak van een nieuwe vertaling voor protestants Nederland steeds meer gevoeld. Maar in de Hervormde Kerk was men er huiverig voor: zou de vervanging van de bijkans sacrosancte Statenvertaling de verdeeldheid niet doen toenemen?

Toen er uit vrijzinnig-theologisch milieu dan toch een vertaling kwam, de Leidse vertaling, werd deze alleen door geestverwanten gebruikt en niet door orthodoxe protestanten. Pas in 1951 kon de Nieuwe Vertaling van het Nederlands Bijbelgenootschap het brede publiek van protestants Nederland bedienen.

Daarna gaat het hard. Binnen een paar decennia verschijnen de Willibrordvertaling (1975), de Groot Nieuws Bijbel (1983) en ten slotte, als een interconfessioneel project, de Nieuwe Bijbelvertaling (2004): rooms-katholieken en protestanten werkten gezamenlijk aan dit project mee. Voor ons niet bijzonder, maar een eeuw geleden nog ondenkbaar.

Bij de bespreking van de verschillende vertalingen in De Bijbel in de Lage Landen komt doorgaans aan de orde: de voorgeschiedenis, het karakter van de vertaling, een vergelijking met andere vertalingen, de ontvangst en de doorwerking ervan. Daarbij wordt de materie in een breed historisch, cultuurhistorisch en filosofisch kader gezet. Dat maakt het boek tot een standaardwerk van grote allure. De Bijbel wordt de spiegel van de tijd.

Zo lezen we dat de vertaling van Genesis 2:25 in de Deux Aesbijbel, 'de mensche en zijn wijf', de discussie had opgeroepen of de vrouw wel een menselijk wezen is. Seksistisch zal het de huidige lezer ook in de oren klinken dat de Canisiusbijbel de handeldrijvende vrouw van Spreuken 31 terugzet in 'haar huishouden'. Tekenend voor de negentiende eeuw is dat de Utrechtse hoogleraar Obbink seksueel pikante verhalen uit het Oude Testament maar wegliet in zijn vertaling. Een gekuiste versie dus.

Instructief is het hoofdstuk over idiolecte bijbelvertalingen. Daarbij kunnen we denken aan de Naardense Bijbel van ds. Pieter Oussoren. Gepoogd wordt het eigene, het idion van de Hebreeuwse tekst (men is vooral met het Oude Testament bezig) recht te doen. Dat geeft wel eens bijzonder Nederlands, door critici ook wel Nederbreeuws genoemd.

Een mooi staaltje daarvan is de 'vroomvogel' van Oussoren. Hij vertaalt met dit woord de vogel die in moderne vertalingen voor ooievaar doorgaat, omdat hij in het achterliggende Hebreeuwse woord chasida, het woord chasid, 'vroom' hoort.

De tekst achter op het boek zegt dat het 'nagenoeg uitputtend' de geschiedenis van het vertalen en produceren van de Bijbel in de Lage Landen heeft beschreven. Daar valt wel iets op af te dingen. Ik mis een bespreking van Het Boek (1987) en van de Herziene Statenvertaling (2010). Bij Het Boek kun je je afvragen of het een vertaling is of een parafrase, maar het mag niet ontbreken als het voorliggende werk ook kinderbijbels bespreekt.

Ernstiger lijkt me dat de Joodse vertalingen niet aan de orde komen. Deze omissie wordt in het boek wel genoemd, maar niet verantwoord. Juist vertalingen van niet-christelijke zijde hadden het eigene van de protestantse en rooms-katholieke vertaaltraditie kunnen laten zien. Nu heeft het boek al bijna duizend bladzijden, maar er was ruimte gekomen door het hoofdstuk over buitenlandse vertalingen in de Lage Landen weg te laten.

Niet gelukkig lijkt me ook dat de hoofdstukken over de Willibrordvertaling, Groot Nieuws Bijbel en de Nieuwe Bijbelvertaling grotendeels geschreven zijn door mensen die nauw bij deze projecten betrokken waren. Het cliché van de slager met zijn eigen vlees dringt zich op. Pieter Oussoren mocht in dit standaardwerk zijn eigen vroomvogels ook niet keuren. Maar een dergelijk boek kan heel wat kritiek verduren zonder het predicaat 'grote klasse' te verliezen.

P. Gillaerts e.a.: De Bijbel in de Lage Landen. Elf eeuwen van vertalen Jongbloed; 980 blz. euro 49,95

De vogel die in moderne vertalingen voor ooievaar doorgaat, werd door ds. Pieter Oussoren in zijn Naardense Bijbel 'vroomvogel' genoemd.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden