essay

Elke grootmacht belooft vrede en toch steekt wreedheid telkens weer de kop op

21 maart 2003: de Verenigde Staten bestoken het presidentieel paleis van de Iraakse dictator Saddam Hoessein in Bagdad. Beeld AFP

Vreedzame religies, goede handelsbetrekkingen en een hoge moraal: uiteindelijk breekt toch de oorlog uit, concludeert Jonathan Holslag na zijn reis door de wereldgeschiedenis. Een voorpublicatie.

Grote mogendheden beloven steevast dat hun opkomst de wereld ten goede komt, dat ze afzien van agressie en dat ze staan voor een rechtvaardige nieuwe orde. In de historie is deze belofte altijd uitgelopen op een teleurstelling - ongeacht wanneer of waar die werd gedaan.

Het Westen is daarbij niet agressiever te werk gegaan dan China, India of Afrika. Het is waar dat het Westen in de laatste paar eeuwen succesvoller is geweest in het voeren van oorlog, het koloniseren van anderen en het exploiteren van de rijkdommen van de wereld. Het is ook waar dat het Westen dat als eerste gedurende een lange periode en op wereldwijde schaal heeft gedaan.

Jonathan Holslag (1981) doceert internationale politiek aan de VU Brussel. Hij schreef diverse boeken, en voor Trouw de serie ‘Op reis langs Europa’. Beeld Patrick Post

Maar er is volop bewijs dat alle grote mogendheden door de hele geschiedenis heen ongeveer even wreed zijn geweest. Uit de geschiedenis van China blijkt niet dat het land een verhoudingsgewijs goedaardige strategische cultuur heeft die is gebaseerd op confucianistische principes van harmonie, zoals de huidige Chinese leiders de rest van de wereld graag willen doen geloven. Het grootste deel van het grondgebied dat de Volksrepubliek China vormt, is in het verleden op een of andere manier gekoloniseerd door de Han-Chinezen. De kolonisatie van China vond dus voornamelijk op het eigen continent plaats, maar is daarom niet per se minder gewelddadig of kleinschaliger.

Hetzelfde geldt voor andere beschavingen. Voor de komst van de Europese rijken vochten de volkeren van Azië, Afrika en Noord- en Zuid-Amerika vaak met hun buren, maakten ze elkaar tot slaaf en creëerden ze hun eigen rijken. Er is geen absoluut moreel gelijk in de geschiedenis.

Excuus

De geschiedenis toont wel aan dat het morele gelijk vaak als excuus is gebruikt om oorlog te voeren. Steeds opnieuw hebben mogendheden gevochten om een eind te maken aan wat naar hun overtuiging onrecht was, of een oneerlijke wereldorde. Aan het eind van de derde eeuw voor onze jaartelling ging Hannibal het leger van Carthago voor in een oorlog om de vernederende verliezen in een eerdere oorlog met Rome te wreken. In de twintigste eeuw kwam Hitler aan de macht in Duitsland nadat hij beloofd had de verliezen door het Verdrag van Versailles ongedaan te maken. Zelfs in deze tijd rechtvaardigt China zijn incidentele sabelgekletter door te spreken over het tenietdoen van de schade die is aangericht door de ‘eeuw van vernedering’.

Door de eeuwen heen is de behoefte om vernederingen en onrecht uit het verleden te wreken een populaire rechtvaardiging geweest voor oorlog en voor aanvallen van opkomende naties op de grootmacht van dat moment. Hoe meer de ene staat de agressie van de andere bekritiseert, hoe meer reden er is tot zorg.

Een ander immer terugkerend voorwendsel om oorlog te gaan voeren is de bewering van agressors dat ze onderontwikkelde volken de voordelen van een superieure beschaving willen brengen. Alle grote rijken beschouwden zichzelf als het middelpunt van de wereld; wie buiten hun grenzen woonden, waren barbaren die onderworpen moesten worden of geketende volken die snakten naar bevrijding.

Heilige oorlog

Op vergelijkbare wijze zijn strijdende ongelovigen vaak opgevoerd als excuus voor oorlog. De Grieken onder leiding van Alexander de Grote stelden in de vierde eeuw voor onze jaartelling dat ze een heilige oorlog tegen de Perzen voerden. In het oude Rome waren priesters verantwoordelijk voor oorlogsverklaringen, nadat ze eerst om de instemming van de goden hadden gevraagd. Chinese keizers streden om het ‘hemels mandaat’ te vervullen. Islamitische kaliefs trokken te velde om het ware geloof te verspreiden over de Dar al-Harb, net zoals middeleeuwse Europese edellieden kruistochten voerden in dienst van Christus. Zelfs de Mongoolse veroveringen van Dzjengis Khan en zijn nazaten werden aangeprezen als een heilige oorlog om de wereld te verenigen in opdracht van de hemelgod.

Maar de strijd om het ware geloof te vestigen werd ook gestreden tussen de aanhangers van verschillende stromingen van dezelfde religie: orthodoxe christenen tegen katholieken, katholieken tegen protestanten, sjiitische tegen soennitische moslims - om nog te zwijgen over de talloze conflicten tussen de verschillende takken van het hindoeïsme en het boeddhisme. Ook al riepen de meeste religies en hun heilige boeken op tot vrede, ze leverden net zozeer de argumenten voor oorlog.

Hetzelfde gold voor de principes van recht en gerechtigheid. Hoe vaak hebben mogendheden niet de vrede verbroken die ze beweerden te beschermen, of verdragen geschonden terwijl ze voorgaven die te verdedigen? Door de hele geschiedenis heen hebben partijen internationale akkoorden ondertekend om grenzen te stellen aan het gebruik van geweld.

De slag bij Issos: Alexander de Grote overwint de Perzische koning Darius III. (Schilderij toegeschreven aan Pauwels Casteels.) Beeld RKD

In Europa trok de Franse koning Lodewijk XIV in de zeventiende eeuw op tegen het Habsburgse Spanje omdat dat laatste land de bepalingen van de Vrede van Westfalen geschonden zou hebben. Rusland rechtvaardigde zijn interventies op de Balkan en in Oost-Europa gedurende de hele negentiende eeuw als handhaving van het machtsevenwicht dat was vastgelegd door het Congres van Wenen. Nog in 2003 probeerden de Verenigde Staten en hun bondgenoten hun invasie in Irak te verkopen als een maatregel om de verspreiding van massavernietigingswapens tegen te gaan. 

Dubbelzinnigheden

Wapenstilstanden, verdragen en pacten met beloften van eeuwige vrede werden bezegeld met de duurste eden en de vreselijkste vervloekingen, en met de uitwisseling van zonen en dochters als huwelijkspartners of gijzelaars. En toch hielden ze geen van alle stand. Er waren altijd dubbelzinnigheden waar de ene partij gebruik van kon maken als die op zoek was naar een reden om de andere aan te vallen - de minimale overschrijding van een niet helemaal precies getrokken landsgrens, de onbedoelde inbreuk op een vaag gedefinieerde invloedssfeer, het opknappen van vestingwerken in reactie op andermans bouwprogramma, enzovoort.

Wedijver om het morele gelijk liep er vaak op uit dat staten elkaar beschuldigden van agressie. Hoewel het in sommige gevallen overduidelijk is wie de schuld draagt, is het in veel meer gevallen moeilijk te zeggen waar de primaire verantwoordelijkheid ligt. Frankrijk heeft gedurende zijn hele geschiedenis steeds weer betoogd dat het voor zijn veiligheid natuurlijke grenzen nodig had - de Rijn, de Alpen, de Pyreneeën. Was dat zo vreemd als er zulke machtige rivalen als de Habsburgers aan zijn grenzen op de loer lagen?

In Azië zorgde het ontbreken van duidelijke grenzen ervoor dat Chinese heersers talloze malen in conflict raakten over de vlakten in het noordoosten, zowel met de nomaden als met het Koreaanse koninkrijk Goguryeo.

Dan waren er nog oorlogen die door grote mogendheden werden gevoerd omdat hun hulp werd ingeroepen door kleinere landen. De rechtstreekse militaire interventie van Rusland in de Syrische burgeroorlog sinds 2015 is een goed voorbeeld, aangezien de Syrische overheid het land formeel heeft gevraagd om te helpen bij de strijd tegen rebellen en jihadisten op zijn grondgebied.

Verdeel en heers

Historici uit de Oudheid schreven dat de Peloponnesische Oorlog in de vijfde eeuw voor onze jaartelling uitbrak toen kleine staatjes zich tot de grote mogendheden wendden voor hulp. Aan het eind van de vijftiende eeuw waren de conflicten tussen de staten van Italië onlosmakelijk verbonden met de rivaliteit tussen de paus, de Habsburgers en Frankrijk. Steeds opnieuw meenden kleinere staten een spel van verdeel en heers te kunnen spelen met de grote mogendheden.

Verdragen, gerechtigheid, vrede en religie: ze zijn allemaal aangevoerd als argument om oorlogen te rechtvaardigen. Zodra grote mogendheden beginnen te prediken over een morele kwestie, is een conflict meestal niet ver weg.

Het liberale idee dat vrede welvaart brengt, en andersom, wordt al eeuwenlang verkondigd. Maar de werkelijkheid is niet zo eenduidig. Zelfs als de economische groei van het ene land uiteindelijk ook andere landen ten goede kwam – zoals Adam Smith betoogde in ‘The Wealth of Nations’  richtte de politiek zich altijd op ongelijkheden op korte termijn en op de angst dat het verschuivende economisch evenwicht een land kwetsbaar zou kunnen maken voor agressie. Daarom was Frankrijk in de negentiende eeuw zo verontrust toen de industriële macht van zijn buurlanden, eerst Groot-Brittannië en daarna Pruisen, een eind maakte aan zijn traditionele economische suprematie.

In de huidige tijd zijn de VS bang dat de economische opkomst en stijgende militaire uitgaven van China een bedreiging vormen voor hun eigen positie op het wereldtoneel. Welvaart betekent macht, en macht leidt bij andere landen tot angst.

Economische zwakte

Economisch succes versterkt de rivaliteit, maar dat geldt ook voor economisch falen. Economische zwakte leidt tot politieke zwakte – wat andere partijen opvatten als een uitnodiging om in te grijpen. Of die economische problemen nu worden veroorzaakt door natuurrampen, geblokkeerde handelsroutes, ondoordacht economisch beleid of te hoge overheidsuitgaven, ze dwingen mogendheden om een stapje terug te doen en te bezuinigen, waarna rivalen het ontstane vacuüm opvullen en aan macht winnen door te groeien terwijl hun rivaal door krimp alleen maar verder verzwakt.

Ook handel heeft maar zelden bijgedragen aan vrede, al is de verwachting dat dat wel zo zou zijn al heel oud. Al in de vierde eeuw voor onze jaartelling pleitte Xenophon voor vrijhandel.

Verwoest Raqqah in november 2017, na de strijd om het laatste echte bolwerk van IS in Syrië. Beeld Eddy van Wessel

In de achttiende en negentiende eeuw borduurden economen als Adam Smith en David Ricardo daarop voort. Meer handel zou grotere economische specialisatie mogelijk maken. De daaruit resulterende efficiëntie zou zorgen voor meer groei, wat alle partijen ten goede kwam. In werkelijkheid was het echter meestal zo dat heersers en staten bij toenemende handel probeerden een monopolie te vestigen.

En hoe dan ook weerspiegelden vrijhandel en economische openheid doorgaans vooral de belangen van de sterken. Dat gold zowel voor het Britse Rijk in de negentiende eeuw als voor de VS in de tweede helft van de twintigste eeuw: beide landen zetten zwakkere staten onder druk om hun markt open te stellen voor concurrentie en investeringen, wat vooral goed was voor hun eigen, beter ontwikkelde en machtigere, economieën.

Cyclus

Ten aanzien van de handel doorlopen veel grote mogendheden eenzelfde cyclus. Gedurende hun opkomst zijn ze protectionistisch om hun eigen opkomende industrieën te beschermen. Als die eenmaal voldoende gegroeid zijn, doet de overheid haar best om hun concurrentiepositie in het buitenland te ontwikkelen, met de inzet van middelen als economische dwang, militaire druk en kolonisatie. Als dat is gelukt en de ondernemingen een dominante positie hebben verworven, begint de overheid een ideologie van vrijhandel, vrede en overeenstemmende belangen te propageren.

In die fase heeft een handelsmogendheid haar hoogtepunt bereikt. Inmiddels zijn nieuwe rivalen ten tonele verschenen, die hebben geprofiteerd van het pionierswerk van de gevestigde macht bij het ontwikkelen van markten, productiemethoden en technologie, en ook van het feit dat rijke samenlevingen vaak iets van hun oorspronkelijke dynamiek kwijtraken. Als de concurrentiestrijd te hevig wordt, is de leidende mogendheid vaak geneigd om haar positie te verdedigen door opnieuw haar toevlucht te nemen tot protectionistische maatregelen.

Economische openheid, en ook handel in het algemeen, gaat vaak gepaard met militaire aspiraties. Die manifesteren zich het duidelijkst bij handelsroutes. Kooplieden en commerciële belangengroepen zijn altijd belangrijke lobbyisten voor het imperialisme geweest.

In de negentiende eeuw eisten Duitse, Amerikaanse en Japanse industriëlen allemaal van hun overheid dat die zou zorgen voor veilige toegang tot afzetmarkten en grondstoffen in het buitenland.

Nu handel met verre streken steeds meer over zee plaatsvond, werden marinevloten omvangrijker. Dat wekte afgunst en wantrouwen bij landmogendheden, die vreesden dat dit niet zozeer een middel was om de handel en de vrije doorvaart te beschermen, maar eerder een instrument van imperialistische machtsuitoefening.

Dat is te herkennen in de betrekkingen tussen Groot-Brittannië en Frankrijk aan het begin van de negentiende, tussen Groot-Brittannië en het Duitse Rijk aan het begin van de twintigste, of tussen China en de VS aan het begin van de eenentwintigste eeuw.

Een schijnbaar liberale economische orde is dus vaak het toppunt van machtspolitiek, geen remedie ertegen - en roept daarom zo vaak zulk gewelddadig verzet op.

Dit essay is een voorpublicatie uit Jonathan Holslags ‘Vrede en oorlog’, dat donderdag verschijnt. De Bezige Bij; 560 blz. € 34,99 (e-book € 14,99)

Lees ook:

De rafelranden van Europa

In 2017 en 2018 reisde de Vlaamse politicoloog Jonathan Holslag voor Trouw langs de rafelranden van Europa. Hij sprak met politici en gewone mensen over om uit te vinden hoe Europa ervoor staat en schreef daar een serie verhalen over

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden