Elke dag een gedicht van de dominee

Dominee-dichter Jaap Zijlstra krijgt nog altijd enveloppen met gedichten bezorgd. Herleeft de domineespoëzie?

Regelmatig valt er een dikke envelop op de deurmat van dominee en dichter Jaap Zijlstra. Het zijn 'probeersels' van predikanten uit het gehele land. Zijlstra, inmiddels 81 en auteur van twintig dichtbundels, hoopt tussen de A4'tjes met gedichten nog eens werk aan te treffen van een waardige opvolger van hemzelf. Want, verzucht hij, hij is onder dominee-dichters de laatste der Mohikanen.

De dichtende predikanten van wie Zijlstra post krijgt, moet hij telkens teleurstellen. "Ik schrijf ze: 'Mijn excuses, ik kan u niet vleien. Uw poëzie is het gewoon niet. Het is vrome rijmelarij. Hou maar op met dichten'." Hij zucht nogmaals. "Als ze nou eens zouden stoppen met hart op smart te laten rijmen."

Zelf houdt Zijlstra het genre van domineespoëzie levend door iedere dag een gedicht op Facebook te plaatsen. Op zondag is dat altijd een geloofsgedicht. Hij noemt zichzelf met een knipoog 'de meest gelezen dichter van Nederland', omdat er dagelijks honderden likes binnenstromen.

Godvruchtig schrijven

Zijlstra ziet zichzelf als 'laatste der Mohikanen'? Hoe anders was de status van de dichter-dominee in de negentiende eeuw. Die gold pakweg 150 jaar geleden als een heuse cultheld. Daaraan kwam een einde toen schrijver en psychiater Frederik van Eeden in 1885 onder het pseudoniem Cornelis Paradijs het 'predikantenlied' dichtte. Hij zou de dominee-dichters - waarmee het literaire landschap van toen overbevolkt was - eens een lesje leren. Het moest klaar zijn met de 'diviner poëzie', zoals Van Eeden hun godvruchtig schrijven spottend noemde. De 'dominocratie' in de letterkunde moest omver worden geworpen, en wel dadelijk.

Dus pakte Van Eeden zijn pen en dichtte strofen druipend van de ironie. Velen, die men dichters heet / Kost het dichten droppels zweet / Maar in 't priesterlijke pakje / Gaat het van een leien dakje / En geen wonder! Godes gratie / Geeft van zelven inspiratie. (..) Schrijf maar, Neêrlands dominees! / Schrijf maar in des Heeren vrees / Slechte verzen maakt men nooit / Als ons bef en toga tooit.

Met zijn predikantenlied verwoordde Van Eeden, bekend van de roman 'De kleine Johannes', de gedachten van de Tachtigers, waarvan hij één van de voormannen was. Poëzie moest volgens de Tachtigers de 'aller-individueelste expressie van de aller-individueelste emotie' zijn, zoals dichter Willem Kloos het verwoordde. Vrome versjes pasten daar niet in.

Dominee-dichters als Nicolaas Beets, C.E. van Koetsveld en J.J.L. Ten Kate waren figuren waar Van Eeden zich aan ergerde. Zo dichtte Ten Kate, een gezette predikant met grove bakkebaarden, dat gezinnen aan tafel de Bijbel moesten lezen, opdat 'Gods liefdestralen' zouden 'lichten over 't hoofd der kind'ren heen'. Dergelijke taal deed de Tachtigers huiveren.

Ook Jaap Zijlstra huivert nog regelmatig van de taal in domineespoëzie. En hoewel hij zichzelf een van de laatste dominee-dichters vindt, leert een korte zoektocht dat er nog best wat dichtende predikanten zijn.

"Van de oude garde is nog een klein gezelschap heren op leeftijd over", zegt André F. Troost (1948), bekend liedboekdichter en schrijver van bijbelse dagboeken. Hij noemt bijvoorbeeld priester Huub Oosterhuis, de overleden predikant Willem Barnard (volgens Troost de grootste) en Sytze de Vries, Jaap Zijlstra. Hij ziet ook een nieuwe generatie dominee-dichters. "Alleen timmeren die nog niet zo aan de weg."

Troost vindt dat logisch. "Je hoeft tegenwoordig geen dominee meer te zijn om geestelijke poëzie te schrijven. Er zijn genoeg anderen die dat doen". Hij vervolgt, een tikje nostalgisch: "Vroeger was dominee-dichter zijn iets speciaals. Ten Kate werd populair omdát hij dominee was. Maar of je tegenwoordig nu dominee en dichter bent of slager en dichter, het maakt geen verschil meer."

Wie zijn die nieuwkomers en hoe verhoudt hun rol zich tot de dominee-dichters uit de negentiende eeuw? Edward van der Kaaij bijvoorbeeld, de Nijkerkse dominee die Jezus' historiciteit ontkent, brengt binnenkort een bundel uit. De Leidse predikant Jan Groenleer heeft ook twee bundels op zijn naam en de Gelderse dominee-dichter Wessel ten Boom dacht na jaren dichten: nu moet ik mijn woorden eens naar buiten brengen. Hij heeft inmiddels twee bundels op zijn naam staan. Als Ten Boom over zijn dominee-dichterschap vertelt, citeert hij Van Eedens predikantenlied: 'Ten Kate, Ten Kate, hij kon het dichten niet laten'. Ten Boom herkent zich daarin, hij kan het ook niet laten. "Dichten dringt zich aan je op."

Hij merkt het als hij een kerkdienst voorbereidt en de woorden van het kyrie ('Heer, ontferm u over ons') opschrijft. Dan wordt hij vaak dichterlijk. "Ik moet mezelf afremmen. De schoonheid die ik in taal nastreef, gaat ten koste van de oprechtheid van het gebed. Met het mengen van religie en poëzie moet je oppassen, Jezus is geen poëtische gestalte."

Ten Boom vermoedt dat menig dominee gedichten schrijft. "Maar niemand durft ermee naar buiten te treden. Het is ook een vreemde stap om te gaan dichten als dominee. Het staat op gespannen voet met je ambt, meen ik."

Taal van de verbinding

"Dominees waren vroeger al saaie sokken en dat zijn ze nog steeds", zegt de Groningse dominee-dichter Paul Borggreve (1973). Toch schrijft hij onder de naam 'dominee Paul' blogs met poëzie. Hij vindt zichzelf geen standaard dichter-dominee, maar één in een modern jasje. Hij begeeft zich ook onder wat hij 'heidendichters' noemt.

Borggreve is agnost, oud-katholiek en protestant tegelijk. "Ik twijfel te veel om me onder één stroming te scharen", zegt hij. Toch betreedt hij zo nu en dan de kansel. "Dichten is zo mooi omdat de taal ons uittilt boven het alledaagse. Het ligt tegen het religieuze aan. Religie betekent verbinding, verbinding met iets hogers. De poëzie kan daarbij helpen."

Toch is dat niet meer aan dominee-dichters besteed, denkt godsdiensthistoricus Bos. Hij ziet dat de rol van dominees in de samenleving überhaupt 'marginaler' is geworden. "Dominees zijn geen opvoeders van het volk meer. Het is een beroepsgroep die buiten de kerk nauwelijks wordt opgemerkt. Voor zover ze nog schrijven, doen ze dat meestal voor eigen parochie."

Maar, denkt dichter Borggreve, zolang er christelijk geloof is, is daar ook het (dichterlijke) woord. Hij citeert uit het evangelie van Johannes: "In den beginne was het woord, het woord was bij God en het woord was God." Natuurlijk, hij ziet om zich heen dat 'het hele protestantse landschap van vroeger wordt opgedoekt', en dat 'de eeuwenoude symbolen leeg zijn geworden'. Blind is-ie niet.

Maar hij ziet er juist een taak in voor een nieuwe generatie dominee-dichters: zij moeten de oude symbolen nieuw leven inblazen met het woord. Daarom geeft hij een cursus in religieuze poëzie.

"Mensen zoeken nog steeds naar zingeving, misschien zelfs wel meer dan ooit, omdat ze spirituele leegte ervaren. Er is een vacuüm waar predikanten met poëzie alleen maar in hoeven te springen."

Cabaretiers zijn de dominee-dichters van nu

Aan het begin van de negentiende eeuw was dichter en dominee een logische combinatie, zegt godsdiensthistoricus David Bos, die hier onderzoek naar deed aan de Universiteit van Amsterdam (UvA). "Dat kwam omdat kunst, wetenschap en predikantschap als drie vormen van hetzelfde werden gezien. In de loop van de negentiende eeuw groeiden ze uit elkaar en werd het raar om als dominee te dichten."

Dat de dichtende dominees in de vroege negentiende eeuw zo hoog in aanzien stonden, komt volgens Bos doordat zij van koning Willem I een belangrijke rol toebedeeld kregen in de natievorming. "Zij waren meestal de enige universitair geschoolden in de dorpen waar ze werkten. Zij moesten de dorpelingen verlichten." Om die taak te kunnen vervullen, werden predikanten breed opgeleid: ze moesten twee jaar letteren studeren, voordat ze zich in de theologie mochten verdiepen. Bovendien waren ze voortaan een soort ambtenaren, betaald door de overheid. "Daardoor werden ze voor hun levensonderhoud minder afhankelijk van plaatselijke notabelen en konden ze zich toeleggen op zaken van nationaal belang, die bijdroegen aan natievorming."

De Tachtigers maakten een einde aan de triomftocht van de domineespoëzie. Het ideaal kwam op van de dichter als 'bohemien', een van de maatschappij losgezongen vrijbuiter. Dat ideaal is nooit verdwenen, denkt Bos, en dat verklaart waarom dichtende dominees tegenwoordig schroom ervaren om hun verzen te verspreiden. "Een brave dominee past niet in het heersende ideaal van wat een dichter is."

De opvolgers van de domineedichters zijn volgens Bos columnisten en cabaretiers. "Zij vormen de spraakmakende gemeente. Zij zijn even moreel onaantastbaar als predikanten eens waren."

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden