Elk vak z'n eigen Cruijff

De Ajax-crisis staat voor veel organisaties waar managers de dienst uitmaken. Jurist Rinus Otte neemt aan de hand van Ajax de rechtspraak onder de loep, waar de rechter zelf steeds minder te zeggen heeft. "Hij mag shoppen om z'n stempel nog een beetje op het werk te zetten."

De interne perikelen bij Ajax spatten naar buiten. Die spatten zijn spektakelgevoelig, maar het gaat dan ook ergens over. Niet zozeer over botsende persoonlijkheden, niet over het gekuip dat een oorlog nu eenmaal meebrengt, maar over de botsing van visies.

Johan Cruijff heeft bij Ajax een opstand van voetballers tegen het management ontketend. Hij verwoordt dat in onnavolgbaar Nederlands maar in het kort komt zijn stelling hierop neer: de voetballerij wordt te veel geregeerd door managers, ook omdat Ajax een beursgenoteerde onderneming is. De financiële belangen zijn groot, daarom durft de leiding de (in)richting van het voetbal niet over te laten aan de individuele voetbalprofessional.

Er is een serie argumenten die Cruijff tot zijn pleidooi voor meer macht bij de voetballers brengt, bijvoorbeeld dat de functies van technisch directeur en trainer niet goed samengaan.

Cruijff is een icoon en daarom stort elk medium zich op het conflict. Maar daar versmalt dit tot persoonlijke tegenstellingen en animositeit tussen Van Gaal en Cruijff. Terwijl de onderliggende strijd vooral een botsing tussen voetbalvisies is. Het conflict bij Ajax staat symbool voor veel spanningen in professionele organisaties, zoals het onderwijs, de universitaire wereld, de zorg maar ook de rechtspraak.

Sinds begin deze eeuw vindt er een sterke centralisering plaats binnen de rechtspraak. De organisatie van het rechtspreken is in hoog tempo in de handen van managers en bestuurders gelegd, de rechter is teruggedrongen in de rechtszaal en de raadkamer. Ik heb bestuurders van gerechten horen verzuchten dat veel rechters ambtenaren zijn geworden die hun werklast tellen en turven en niet genegen zijn tot extra inspanningen. Nogal wiedes, zou ik zeggen: bestuurders hebben de zeggenschap van rechters over de condities waaronder ze rechtspreken grotendeels deel uit handen genomen. Je hebt nu roosteraars en vullers van zittingen, teamvoorzitters, hoofden van ondersteunend personeel. De rechter mag shoppen om z'n stempel nog een beetje op het werk te zetten.

Verder gaat het niet alleen meer over de organisatie, de bestuurders hebben ook protocollen vastgesteld waarmee rechters moeten beslissen of ze de behandeling van een zaak wel of niet aanhouden. Zo dringen bestuurder diep binnen in het inhoudelijk domein van de rechter, zonder wettelijke grondslag. Verder maakt hij bestuurlijke afwegingen die zijn losgezongen van het Wetboek van Strafvordering. Net als Cruijff raakt de rechtspraak los van de inhoud van het product.

Een eenvoudige sociologische verklaring voor het ongenoegen is dat hoe minder een proces in één hand ligt en hoe meer spelbepalers zich ermee bemoeien, hoe meer de onderlinge afhankelijkheid van de hoofdrolspelers groeit. In plaats van onderlinge solidariteit en samenwerking, zoals de grote socioloog Weber dat bedoelde, ontstaan conflicten, tokodrift en stammenstrijd. In moderne organisaties wordt gepoogd die spanningen te verminderen met cultuurverbeterende maatregelen en managementtechnieken als positieve feedback. Het legioen aan zachte verpakkingen om de werkcultuur te harmoniseren dijt nog steeds uit. Ook de rechtspraak kent tegenwoordig vele bestuurders die spreken over de 'verantwoordelijke rechter' en over andere grote, grotere en grootse maatschappelijke vergezichten waarin de rechter als derde staatsmacht grossiert.

Deze verbale krachtpatserij kan niet verhelen dat de rechter het sluitstuk in de organisatie is geworden. Dat bedoel ik niet cynisch. De rechterlijke organisatie kende tot pakweg 2000 een wildgroei aan werkwijzen en ik heb begrip voor het streven naar heldere werkprocessen vanuit het idee dat dat een meer berekenbare en voorzienbare rechtspraak oplevert.

Maar de culturele keerzijde mag er ook zijn. Omdat rechters de formele zeggenschap voor de organisatie is ontnomen, hoeven ze zich ook niet zo verantwoordelijk te voelen.

Een andere verklaring is dat zowel de Nederlandse rechtspraak als Ajax sterker dan voorheen door financiële prikkels wordt aangejaagd; in de organisatie van de Belgische rechtspraak of van de meeste grote internationale voetbalclubs is dat echt anders. Het gaat zowel in de Amsterdamse voetballerij als in de rechtspraak vaak om geld. De rechtspraak draait met veel tekorten. In mijn boek 'De nieuwe kleren van de rechter' beschrijf ik de gegroeide cultuurproblemen op de gerechtelijke werkvloeren. En in mijn oratie verbind ik dat met de organisatiestructuur, waarin de rechter en andere professionals niet langer de hoofdrol vervullen. Het geweeklaag van leerkrachten, artsen, hoogleraren, voetballers en rechters is vaak terecht: managers bepalen de condities waaronder zij een 'product' scheppen.

De vergelijking tussen rechters en voetballers lijkt mank te gaan omdat de bestuurders van de rechtspraak zelf rechters zijn. Zou het Ajax van Cruijff uit de problemen zijn als (ex-)voetballers de bestuurlijke dienst uitmaken?

Ik waag dat te betwijfelen. Johan Cruijff bedoelt te zeggen, en daarin schuilt het grote belang van zijn optreden, dat bestuurders hun financiële en marktgerichte overwegingen veel meer moeten enten op de vakinhoudelijke spelbelangen van het voetbal.

Mijn pleidooi is sterk gebaseerd op de gedachte dat zodra bestuurders van de rechters niet langer de belangen van Strafvordering centraal stellen, zij wegdrijven van de inhoud en belangen van het recht. Mijn overtuiging en opvattingen komen hierop neer dat ook het Wetboek van Strafvordering voldoende argumenten bevat die een betaalbare en bestuurbare rechterlijke organisatie opleveren.

Maar wie los van de vakinhoud bestuurt, raakt de aansluiting met de werkvloer kwijt, of het nu om voetballers, artsen of rechters gaat. Als deze waarneming juist is, is er geen garantie dat het benoemen van een (ex-)professional tot bestuurder helpt om dit fenomeen te keren. Dit geldt voor hoogleraren die voor jaren faculteitsdecaan worden, voor rechters die gerechtsbestuurder worden - en voor voetballers die toetreden tot de Raad van Commissarissen.

Deze ontwikkelingen leiden uiteraard ook tot de vraag of de groeiende invloed van managers ook gevolgen heeft voor de kwaliteit van de rechtspraak. Het antwoord is: nee. Ik meen dat de rechtspraak, ondanks bureaucratisering en onvrede binnen de paleizen van justitie, toereikend is. Alle somberaars over achteruithollende kwaliteit heb ik nog nooit concreet zien aantonen dat er volgens de Nederlandse wet of de Europese rechtspraak niet langer sprake is van een fair proces.

Maar indirect heeft een stagnerende organisatie van het strafproces natuurlijk wel invloed. Als de behandeling van strafzaken vaker wordt aangehouden dan nodig, dan zorgen alleen al de grotere wachtlijsten voor terechte frustatie bij verdachten en advocaten. Rechters met minder zeggenschap over hun werk leiden daarmee niet alleen tot een ongezondere werksfeer maar ook tot een tragere behandeling van strafzaken. Voorwaar niet goed voor de gedragsbeïnvloeding die het strafrecht beoogt!

Samengevat: de rechter wil de condities waaronder hij werkt graag mee kunnen bepalen, anders wordt hij de lopendeband-medewerker uit Charlie Chaplins 'Modern Times'. Het organisatorisch én vakinhoudelijk management moeten meer in één hand komen te liggen. Daartoe moet de (ex)professional heel goed weten wat de bestuurlijke doelen en kaders zijn.

In ieder geval het eerste deel van mijn pleidooi is gelijk aan dat van Cruijff. Misschien staart Cruijff zich wel te veel blind op de autonomie van de professional. Die vraag laat ik in het midden. Hoe dan ook: meer zelfbeheer en een bestuurder op grotere afstand kunnen alleen maar slagen als de voetballer en de rechter niet alleen voor zichzelf leven en werken maar in gemeenzaamheid met andere belangen hun kunde en kunsten ontwikkelen.

Historisch besef kan helpen. Tussen generaal Eisenhower en zijn militaire top bestonden tot aan het eind van de Tweede Wereldoorlog grote spanningen. Dat was geen botsing van persoonlijkheden, maar van leiderschapsstijlen. De legeraanvoerders te velde verweten Eisenhower dat hij een bureaustrateeg was die nooit de kruitdampen had meegemaakt. Het sturingsconflict vertaalde zich tot in de marsorders. De Britse legerleiding gaf die tot in detail, terwijl de Amerikaanse legertop veel meer overliet aan de creativiteit van uitvoerende commandanten als Patton en Bradley.

Bestuurders dienen te beseffen dat sinds mensenheugenis gevochten wordt om land, om bezit, om zeggenschap. Dat is ook het goede aan het conflict binnen Ajax: daar strijden mensen om zeggenschap over de toekomst van de voetballerij. Het fulmineren van rechters, voetballers of artsen kun je maar beter serieus nemen en niet bemantelen met lege en sussende woorden. Elke mens met een scheppend vermogen wil ertoe doen, wil een stempel op zijn werk en omgeving zetten. Dit eeuwige gevecht om medezeggenschap zal nooit eindigen maar noopt wel tot steeds nieuwe samenwerkingsvormen.

Beursgenoteerde onderneming of niet, zonder meer inspraak van de voetballers en zonder hun arbeidsvreugde win je minder wedstrijden. Een financieel gezonde rechterlijke organisatie of niet: zonder structuur waarin rechters weer meer formele zeggenschap en invloed krijgen op hun werkomgeving zal een efficiëntere organisatie van het proces gedoemd zijn te sterven in vrijblijvendheid.

Wat de bestuurders in het publieke domein kan helpen is de erkenning dat het tobben is geblazen, dat het niet goed loopt, en bovenal dat het niet erg is dit toe te geven. Daar past geen wederzijdse verkettering van bestuurders en professionals bij. Pas vanuit de erkenning van de ellendestaat is er enige verlossing mogelijk.

Strafrechters kunnen blijven klagen over advocaten, over een tekortschietend openbaar ministerie of over het weer, maar pas als ze creatief omgaan met deze tegenslagen, en zelf de hand aan de ploeg slaan, doen ze recht aan de belangen die in het Wetboek van Strafvordering liggen besloten en die tegemoetkomen aan de belangen van slachtoffers, verdachten en de samenleving.

Gerechtsbestuurders en bestuurde rechters werken aan hetzelfde product met de beste bedoelingen. Slechts het besef van onze beperkte vermogens, het besef van de immense complexiteit waarin samenwerking kan uitbotten, het besef dat we allen ploeteren en zwoegen, kan enige vooruitgang opleveren. Die kleine vooruitgang kost een prijs, maar wie maalt daarom? Liefde, groei en wijsheid komen met veel bloed, zweet en tranen. Daartoe zijn wij op aarde.

Rinus Otte is vicepresident van het Gerechtshof Arnhem en hoogleraar in de Organisatie van de rechtspleging aan de Rijksuniversiteit Groningen. De oratie 'Organiseren en verantwoorden door de strafrechter (ISBN 9789089743893) en 'De nieuwe kleren van de rechter' (ISBN 9789461051127) zijn verschenen bij uitgeverij Boom.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden