Elegie voor een onbekende dichter

De onbekende poëzie van de net overleden Gert Peelen verdient een breed publiek.

Jan Oegema (1963) is uitgever en organiseert retrai- tes. Zijn laatste boeken zijn 'De stille stem. Niet-weten als levenshouding' (2011) en 'Hans Faverey en de liefde' (2015).

Gert Peelen scheef eens per jaar een gedicht. Tenminste, die indruk kon je krijgen als je tot zijn kennissen- en vriendenkring behoorde. Met Oud en Nieuw viel er gewoontegetrouw een in drieën gevouwen A-viertje in de bus, met op de voorkant een afbeelding, binnenin een gedicht en een handgeschreven wens en achterop de copyrightvermelding. Op bladzijde 19 is zo'n Oud en Nieuwkaart afgedrukt, het gedicht heet 'Prometheus', waarvan hier nogmaals de eerste twee strofen:

Je ziet de rots onaangedaan

de wolken eromheen het

rimpelende water - de

dingen hebben geen idee

Je denkt aan Koplands grensland het

reikt tot waar het ophoudt maar

met gestolen vuur verdicht

je bergen lucht en water

Gedichten schrijven was belangrijk voor Peelen, vandaar altijd die deftige copyrightvermelding achterop. Hij wilde niet alleen gekend zijn als publicist en journalist, als boekbespreker en biograaf, hij wilde ook gekend zijn als dichter. Met dat ene gepubliceerde gedicht per jaar, precies op het grensvlak van oud en nieuw, dat rituele moment van loslaten en opnieuw beginnen, stelde hij alles wat dat jaar zou komen in het teken van poëzie, alsof hij zo in de eerste plaats gekend wilde zijn, als iemand die wilde leven vanuit de ontvankelijkheid en openheid waarmee alle poëzie en alle kunst idealiter begint. Oek de Jong heeft eens gezegd dat hij tijdens het schrijven wordt gedreven door verlangen naar 'een soort naaktheid', een formulering die volgens mij ook van toepassing is op Peelens gedichten, mét dat vage en onhandige adjectief erbij. Een soort naaktheid, want als je vooraf al weet wat naaktheid is of waar ze je brengt - dan is ze geen naaktheid meer.

Peelen kende het verlangen van Oek de Jong, als ik afga op zijn gedichten. Eens per jaar wilde Peelen zich blootgeven, zijn gedichten zijn echt hartsberichten, meestal geserreerd van vorm en toon maar desalniettemin. Lees eens hoeveel hij van zichzelf durft prijs te geven in het vervolg van het gedicht van 2006/2007, hoe ver hij zich durft te wagen in het grensland waar Rutger Kopland op zinspeelt:

Verbeeld je een mysterie

hoor je alleen jezelf nog

snakkend naar adem zingen

Dit eeuwige madrigaal - je

zult niet bang meer zijn bang

meer zijn bang zul je niet meer zijn

Een madrigaal is een wereldlijk lied; denk aan de madrigalen van Monteverdi en Schütz. Ik vermoed dat Peelen net als ik het woord in het woordenboek heeft nagezocht en dat hij het hier gebruikt om een spanning aan te brengen tussen kunst en religie, preciezer: tussen seculiere kunst en christelijke religie. De titel van het gedicht is 'Prometheus', in de Griekse mythologie een halfgod die het vuur steelt van de goden, een vermetele daad die in de context van dit gedicht als vanzelf een a- of anti-christelijke connotatie krijgt. De 'je' van het gedicht leeft van gestolen vuur, mysterie heeft voor hem de klank van verbeelding en kunst, een kunst die hem helpt de feiten van het bestaan zo helder mogelijk en zonder vluchtwegen onder ogen te komen.

En toch is niet zonder meer een antireligieus gedicht; misschien zou je eerder moeten zeggen dat het op een nieuwe manier religieus is. Ik durf dat te zeggen mede dankzij een essay dat Peelen in Letter&Geest in 2006 publiceerde. In die jaren schreven we allebei over buitenkerkelijke religiositeit, ik had het over soloreligieuzen maar Peelen hield niet zo van die term, hij sprak bij alle herkenning over en weer liever over transreligieuzen. Ik zal hem zelf laten vertellen wat hij daarmee bedoelt, ik citeer twee alinea's uit zijn mooi geschreven stuk: "Hoewel ieder etiket nieuwe misverstanden meebrengt, is 'transreligieus' wellicht een toepasselijker term dan 'soloreligieus'. Zonder behoefte aan de verplichtende binding aan een gemeenschappelijk beleden overtuiging, hebben transreligieuzen de rivier doorwaad en staan zij, voorbij de laatste stad, in het open veld, tegelijk verwonderd en beangst door de onbemensde ruimte.

Hun uittocht was een bewuste keuze. En geheel op eigen kracht hebben zij, meestal na enige incubatietijd, de religiositeit in zichzelf herontdekt. In hun rugzak koesteren zij nog de kostbaarheden van het christelijke cultuurgoed. Attributen waarvan zij evenmin afstand kunnen doen als hun hang naar het mysterie en het sleuteltje dat past op 'het mechaniek van de ontroering' (Kopland)."

Transreligieus dus, dat was Peelens term.

Religie voorbij de religie waarmee hij zelf was opgevoed en waarvan hij zoals zo vele babyboomers afscheid wilde nemen. Hij hield niet van de machtsaanspraken van het verzamelde christendom, wat dat aangaat was hij het roerend eens met de man wiens biografie hij schreef, Harry Kuitert, de theoloog die hem in een interview toevertrouwde: "Er zit in mij een lijn van verzet tegen godsdienstige machtsvorming. Die moet je gewoon niet willen."

Inderdaad, Peelen wilde die macht niet, en anders dan Kuitert wilde hij geen lid blijven van een kerk. Wat niet wegneemt dat hij zich met huid en haar verbonden bleef voelen met de joods-christelijke traditie. In een e-mail uit 2006 schreef hij daarover iets wat hem typeert, onder verwijzing naar de Joodse filosoof Emmanuel Levinas: "Ik ben een wat simpele en oppervlakkige (nee, ik meen het Jan!) volgeling van Levinas. In het herkennen van de ander in jezelf en vice versa, ligt voor mij niet alleen de basis van de moraal maar ook het fundament van de religie. Wat mij als mens beweegt en motiveert is de behoefte aan gemeenschap, aan gedeelde vreugde en gedeeld verdriet, en dus bovenal aan lotsverbondenheid. Dit is een onzinnig bestaan en zo er van enige zin sprake kan zijn, ontspringt die aan en de gezamenlijke ervaring van die onzinnigheid. "

Een onzinnig bestaan, je hoort hier de student die in de jaren zestig Albert Camus ontdekt en helemaal perplex is van diens lezing van de Sisyphusmythe. Sinds Camus is Sisyphus in het Westen net zo'n codenaam als Prometheus, getweeën zijn Sisyphus en Prometheus in onze cultuur de iconische tegenpolen van de held en naamgever van het christendom. Maar het christendom, in elk geval het intellectuele christendom van de 20ste en 21ste eeuw, is veel diverser en veranderlijker dan Peelen en ik ons in 2006 hebben gerealiseerd. Ik was verrast om te merken dat de meeste herkenning voor stukken als die van mij en Peelen juist uit kerkelijke kring kwam, en inmiddels durf ik wel te zeggen dat een klein deel van het christendom transreligieus is geworden.

Voor dat deel is religie in de eerste plaats taal geworden, geen vindplaats van waarheid maar van betekenis, een schatplaats van verhalen die niet alleen sterke ervaringen van zin maar ook van stuitend gebrek aan zin etaleren. Bij dat deel proef je een heel andere levenshouding dan waarmee Peelen is groot geworden, een houding niet zo zeer van weten maar van niet-weten, een niet-weten gevoed door het verlangen - ik citeer opnieuw Peelens essay uit 2006 - om 'eeuwige vragen niet op voorhand het zwijgen [op te leggen] met dogma's van godsdienstige dan wel godloochende aard'.

Voor Peelen geen dogma's, van religieuze noch van antireligieuze zijde. Geen dogma's, geen machtsaanspraken, geen zieltjeswinnerij, geen ideologische dwingelandij. Geen kerk en ook geen kerk tégen de kerk, Peelen was in beide opzichten even beslist. Hij was solidair met het vragende individu, hij had groot vertrouwen in het stellen van vragen en het elkaar bevragen, in de eenling die naar woorden zoekt in contact met een andere eenling, in de poëzie of daarbuiten - zolang de nabijheid maar niet werd verbroken door mechanismen van groepsvorming.

Daarom hoorde ik ervan op toen hij twee maanden geleden tegen me zei dat hij, had zijn conditie het toegelaten, misschien wel had willen meedoen aan het komende winterklooster. Sinds 2010 organiseer ik samen met anderen iedere zomer en winter een retraite, en zonder dat ik het wist hadden de nieuwsbrieven daarover hem kennelijk nieuwsgierig gemaakt. Retraites niet gebonden aan enig instituut, experimenten in machtsvrije religie, elke keer op een andere plek ter voorkoming van routinevorming, getijden met psalmen én soetra's én moderne poëzie, oefeningen in het soort religieuze en ideologische naaktheid waar Oek de Jong op doelt - hoe had Peelen het gevonden? Ik had wel eens stiekem overwogen om Kuitert daarvoor uit nodigen, maar eerlijk gezegd had ik nog nooit aan zijn biograaf gedacht.

Terwijl de poëzie die hij schrijft zo aansluit bij de geest van die retraites. Het gedicht waar ik dadelijk mee zal afsluiten zou zo in een vesper passen, het getijde dat de afgelopen jaren gereserveerd was voor moderne poëzie. Het gedicht heet 'trage vragen', het is het laatste Oud en Nieuwgedicht dat Peelen heeft verstuurd, in december 2014 dus, op de drempel van 2015. Het is een gedicht waarin hij voor mij vrijer klinkt dan ooit tevoren, in eerdere gedichten zie je hem nog als eens weg bewegen van de goed-gereformeerde wereld waar hij uit vandaan komt, maar in dit gedicht heeft hij het contrast niet meer nodig. Als het nog transreligieus is, dan in de bijzondere zin van Sint Boneventura, die in late Middeleeuwen beweerde dat de levensreis van de ziel ook altijd een reis is dwars door de woestijn van de religie heen.

Wat een ontnuchterend, wat een verhelderend beeld! Dwars door de woestijn van de religie heen! Dat is wat Harry Kuitert heeft gedaan, dat is wat Gert Peelen heeft gedaan, beiden lijken zij heel modern in het bekritiseren van kerkelijke machtsstructuren maar met Boneventura in gedachten valt dat nogal mee, welbeschouwd volgen ze een patroon van spirituele volwassenwording en vrijwording dat zo oud is als de weg naar Peking.

Ja, ik zie Peelen vrij zijn in dat laatste gedicht, en schrik niet, het is een heus stervensgedicht. Iemand blaast zijn laatste adem uit, die iemand verkeert in een groot niet-weten, het gedicht rept van dovenetels tegen blinde muren, die iemand voelt namelijk alle zekerheden wegvallen en het enige wat hem rest is vragen stellen, de eeuwige vragen naar eindigheid en eeuwigheid. Maar het zijn verwonderde vragen, geen opstandige, ik hoor hier iemand praten die bij wijze van spreken nu ook het loslaten kan loslaten. Het wonderlijke van het gedicht is dat het zo intiem is, zo vertrouwelijk en één op één, en dat maakt dat het beschreven vertrek ook iets krijgt van een aankomst. 'Lucht ben je,' luiden de laatste drie woorden, 'Lucht ben je' - en met de biografie van de auteur in het achterhoofd is het moeilijk om daarbij niet aan de adem, de ruach van Genesis 1 te denken. Of aan de eerste verzen van Prediker:

Lucht en leegte, zegt Prediker,

alles is lucht en leegte, alles is leegte.

Met zijn laatste gedicht maakt Peelen de cirkel dus rond. Evenals Odysseus keert hij terug naar waar hij ooit vertrok, veranderd, hoe kan het anders, droeviger en wijzer, en als ik me niet vergis inmiddels ook aan het transreligieuze voorbij. Hier tot slot het gedicht 'Trage vragen':

Dit zijn de trage vragen. Blijf

ik nog even? Blijf ik nog

even hier? In deze ruimte

ben ik toch nog ergens.

En wat je nog van buiten weet,

zijn dovenetels tegen

blinde muren. Voor een

ongeval wordt gevreesd. Je zegt:

de tijd staat stil, zeg je, de

tijd raakt niet op, zeg je, en

tijd, zeg je, keert nooit weerom.

In vallend duister zing je

en je fluit, blaas je de

laatste adem uit. Lucht ben je.

Gert Peelen (1947-2015) was godsdienstsocioloog, hoofdredacteur van VU-Magazine en directeur van VU Podium. Hij werkte vanaf 2003 aan de biografie van Harry Kuitert, die in 2016 wordt verwacht. In 1988 publiceerde hij de bundel 'Waterland' (31 gedichten).

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden