Eindeloos zonde dat de dooi is ingezet

Ik fiets in de wolken van mijn adem. De horizon is heel dichtbij. In de dikke mist over de Giethoornse Plassen is het ijskoud. Alles is wit berijpt, elke boom, iedere grasspriet. In de verte klinkt gedempt geluid. Eenmaal dichtbij zie ik oude mannen met oude machines. Ze zijn met het riet bezig. In schoven staat het op het bevroren drasland, een witte rijptoef op de top. Ik stop. De mannen kijken op. Brommen een groet. Vegen hun neuzen met boerenzakdoeken. Blazen zich de handen warm. Hun tractor bokkert zachtjes door.

Ik fiets in een wereld van honderd jaar geleden, tussen Vollenhove en Sint Jansklooster. De tijd stond hier stil, of staat nu stil, ik weet het niet precies; fietsend door de vrieskoude mistflarden voelt het alsof alleen ik beweeg. Was het ijs dik genoeg geweest, dan had hier wel meer bewogen.

Vroeger op de ijsbaan mocht ik alleen op houtjes schaatsen. Noren zijn niet goed voor je enkels, kind. Op houtjes ging het ook wel, mits mijn vader zijn vingers blauw en de koordjes zo strak mogelijk trok. Dat hield maar even. Na twee rondjes kloste ik alweer met de houtjes naast mijn schoenen over het ijs. Verstijfde handen in natte wanten, de geur van open haard in mijn neus en de meezingers van ijsmeester Theo in mijn oren. Maar hoe koud ik ook was, hoe irritant ik de houtjes ook vond: altijd had ik rode wangen en glinsterende ogen.

In Haaksbergen liep iedereen er ook zo bij, vorige week. Rode wangen en glinsterende ogen. Natuurijs, eindelijk natuurijs! Voor natuurijs staat alles stil. Wedstrijden op de Oostenrijkse Weissensee kunnen wachten, trainen op binnenbanen kan wachten. Jorrit Bergsma, Gary Hekman en al die anderen zijn opgewonden als kinderen die een cadeautje krijgen zo gauw een giertank vliesjes bevriezend water spuiten gaat. Zo mooi man, keek Bergsma fonkelend de camera in.

Als kind uit Drenthe was ik niks gewend. Dus die een na laatste dag van 1995, met grote televisiecamera's op het ijs en een helikopter in de lucht boven de plas vlakbij het dorp waar ik opgroeide, klapte ik bijna uit elkaar van opwinding. Het NK marathon op natuurijs, op ons eigen Ermerzand! Dat Yep Kramer won bij de mannen en Gretha Smit bij de vrouwen moest ik zojuist opzoeken, maar het gevoel van die flapperende wieken in mijn maag ben ik nooit vergeten.

Een jaar later stond ik bij Franeker op het ijs, voor de doorkomst van de Elfstedentocht. Het was zo koud de nacht ervoor dat we in het huis van mijn oom en tante met een muts op in bed lagen. De oude pastorie in het bovenste puntje van Friesland, vlakbij de Waddenzee, was niet geïsoleerd. We sliepen onder een vracht dekbedden en in wolken van onze adem. De kopgroep kwam langs, het ijs trilde, op alle gezichten langs de kant las ik blije opwinding.

Noem het folklore, noem het een eeuwig Hollands onderonsje: het is mij allemaal best. Zolang mensen fonkelende ogen en rode wangen krijgen en niets liever willen dan op schaatsen over meren en kanalen zwieren, vind ik het eindeloos zonde dat de dooi is ingezet. Want door de kou fietsen is toch echt niet hetzelfde.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden