Eindelijk weet de vader van Houcine dat zijn zoon dood is

Onder premier Youssoufi heeft de regering van Marokko voor het eerst toegegeven dat er politieke gevangenen zijn. Toch kan volgens kritische Marokkanen echte democratie nooit bereikt worden in een land waar de beruchte minister van politie al twintig jaar op dezelfde post zit.

De conferentiezaal van de Marokkaanse Arbeiders Vakbond in Rabat stroomt langzaam vol. Schichtig bekijken de nieuwkomers de spandoeken langs de wand: “Waar zijn ze, de verdwenen zonen van het volk”, staat er te lezen. Vrouwen met een witte hoofddoek nemen plaats op de voorste rij. Ze leggen foto's van hun dierbare op schoot. “Verdwenen maar niet vergeten”, roept een aantal jongeren in koor. De rest van de vijfhonderd aanwezigen echoot de leus na. Een daverend applaus volgt. Sommigen maken het V-teken. Het is geen actie voor loonsverhoging maar een bijeenkomst van familieleden van vermiste politieke gevangenen.

Begin november liet de Marokkaanse regering achtentwintig politieke gevangenen vrij. Ze maakte ook bekend dat er 65 politieke gedetineerden in gevangenschap zijn overleden. De afgelopen dertig jaren zijn er honderden mensen om politieke redenen gevangen gezet of verdwenen.

Sinds het aantreden van de centrum-linkse regering begin dit jaar, probeert de socialistische premier Abderahmane Youssoufi een democratisering op gang te brengen en een einde te maken aan de zwarte jaren van repressie. De kersverse premier beloofde bij zijn aantreden de mensenrechten-situatie in zijn land te verbeteren. Zijn integriteit staat op het spel: Youssoufi zelf was begin jaren zestig een linkse activist. Hij zat twee jaar in de gevangenis op beschuldiging van het voorbereiden van een staatsgreep tegen koning Hassan. Voor zijn terugkeer naar Marokko bracht Youssoufi vijftien jaar in ballingschap door in Frankrijk.

Marokko beleeft het tijdperk van l'alternance, de verandering. Maar met de openheid komen ook de gruwelverhalen over marteling en verdwijning aan het licht. Begin jaren zeventig verdwenen honderden vakbondsmensen en linkse intellectuelen in nacht en nevel.

Zoals Houcine El Manouzi, een bekende vakbondsactivist. Tijdens een verblijf in Tunesië in 1972 ontvoert de Marokkaanse geheime dienst hem. Hij belandt in een gevangenis in Rabat. Sindsdien heeft zijn familie van hem geen teken van leven ontvangen. De talloze brieven die de familie aan de Marokkaanse overheid stuurde om opheldering over het lot van Houcine werden genegeerd. Vorige maand pas, toen de lijst van overleden politieke gevangenen werd gepubliceerd, bleek Houcine te zijn omgekomen.

In de vijf kamers tellende flat van de familie El Manouzi lopen vrienden in en uit. De tachtigjarige vader van Houcine ligt onderuit gezakt op een tapijt. Zijn hoofd steunt op een kussen. Hij drukt het groene takje mint tegen de dikke wand van het theeglaasje: “Ik heb in de krant moeten lezen dat mijn zoon dood is”, zegt hij teleurgesteld. “De regering heeft niet de moeite genomen om mij in te lichten, terwijl de huidige premier een persoonlijk vriend van Houcine is geweest. Beiden waren begin jaren zestig actief in de linkse beweging. Niets over de omstandigheden waaronder mijn zoon is overleden en wie verantwoordelijk zijn.” De vader van Houcine gelooft nog steeds dat zijn zoon leeft. “Verscheidene medegevangenen hebben hem gezien. In 1995 heb ik uit regeringskringen gehoord dat Houcine nog in leven is. Als hij overleden is, wil ik een overlijdensverklaring, en zijn stoffelijk overschot, om hem een fatsoenlijk begrafenis te geven.”

Andere tegenstanders van het regime verdwenen in de beruchte gevangenis Tazmamart. Deze gevangenis, een aantal jaren geleden met de grond gelijk gemaakt, lag aan de voet van de berg Layachi in de Hoge Atlas. Tientallen politieke gevangenen lieten er het leven.

Een van de weinige overlevenden van Tazmamart is Abdellah Agaoui. Hij werd samen met tientallen andere militairen, op beschuldiging van een aanslag tegen koning Hassan, veroordeeld tot achttien jaar.

Iedere ochtend gaat Abdellah naar het strand van Mohammadia, dat er nu verlaten bij ligt. De dichte mist belemmert het zicht op zee. Uit de boxen van een koffiehuis klinkt Vivaldi. Abdellah geniet van de rust. “Op deze plek probeer ik opnieuw mens te worden”, zegt hij met zachte stem. “Er zullen weinig mensen zijn die het zich kunnen voorstellen onder welke omstandigheden wij in Tazmamart hebben gezeten. Achttien jaar lang, zonder éénmaal een voet buiten die ondergrondse kerkers te zetten. In een cel van drie meter lang en twee meters breed. In een hoek een gat waar je je behoefte moest doen, die niet kan worden doorgespoeld. Ik sliep op de grond. Twee dekens. Geen tafel, geen stoel. Er kwam een beetje lucht binnen, maar geen licht. In de winter, dat was acht maanden per jaar, was het ijskoud. We kregen slechts linzensoep en bonen te eten, dag in dag uit. Onder 28 gevangenen werden per dag twee stokbroden verdeeld. Je kreeg net genoeg om niet dood te gaan, maar ook net genoeg om niet langer te willen leven. Een keer in het jaar kregen we een broek en een overhemd. De stank was ondragelijk. Je schaamde je mens te zijn.”

Abdellah neemt een slokje van zijn koffie, steekt een sigaret aan en haalt zijn hand door zijn paar grijze haren. Het verbaast hem nog steeds dat hij Tazmamert overleefd heeft. “Je moet begrijpen, we waren van de buitenwereld afgesloten, in de bergen en onder de grond. Om te overleven moesten we ons neerleggen bij de situatie. Dit is ons tweede leven, hielden we onszelf voor.”

Samen met zijn medegevangenen stelde Abdellah een weekprogramma samen. Elke dag was er wel iets te doen. “De eerste dag ging iemand verhalen vertellen, en we luisterden aandachtig mee”, vertelt Abdellah. “De tweede dag zongen wij vrolijke liedjes. De derde dag ging iemand reciteren uit de Koran. De vierde dag werden gedichten voorgedragen, vaak over de mooie dingen in het leven (liefde en de natuur), zelden over onze eigen situatie. De vijfde dag vertelde iemand over een film, zoals: Casablanca, de Vier Gladiatoren, Dr. Zjivago. Zo hebben we de verschrikkingen kunnen weerstaan.”

“Maar niet iedereen hield het vol”, zegt Abdellah geëmotioneerd. “In een ander cellenblok kwijnden de gedetineerden weg. Ik hoor nog steeds het hulpgeroep van stervende medegevangenen in mijn hoofd en het geschreeuw van hen die op de rand van waanzin verkeerden. Tijdens mijn gevangenschap in Tazmamart zijn er van de 56 gevangenen 30 overleden.”

Een paar jaar geleden zou het ondenkbaar zijn geweest dat Abdellah zijn verhaal aan een journalist vertelde. Hij zou ogenblikkelijk door de geheime politie zijn opgepakt en opnieuw in de gevangenis zijn beland. Dat erkent hij ook: “Ik wil niet ontkennen dat er een nieuwe politieke wind waait in Marokko. De mensenrechten worden langzaam beter. Maar ik ben pas tevreden als de verantwoordelijken van martelingen en verdwijningen achter tralies zitten. Dan pas zal ik mij een vrij mens voelen.”

Ondanks de toenemende democratisering en politieke vrijheid is het voor premier Youssoufi een enorme opgave om een einde te maken aan schendingen van mensenrechten en de corruptie. Zijn speelruimte is beperkt. Nog altijd bepalen de koninklijke familie en de rijke elite, volgens het oude systeem van cliëntelisme, de welvaartsverdeling en de mate van politieke vrijheid. De oppermachtige minister van binnenlandse zaken Basri (vertrouweling van koning Hassan) die het gevreesde politieapparaat beheert wordt door vele Marokkanen mede verantwoordelijk gesteld voor de verdwijningen en martelingen. Toch maakt hij al twintig jaar lang deel uit van de regerende klasse.

“Is er nog ergens een land op de wereld waar een minister twintig jaar lang op het pluche blijft zitten”, vraagt de veertigjarige cabaretier Ahmad Snoussi zich af. “In Marokko is dat eerder regel dan uitzondering. Hoe kan je dan praten over democratisering?” Snoussi is onrustig. De kleine, impulsieve man ijsbeert door zijn appartement in Casablanca.

Met zijn sigaret blaast hij kringetjes in de lucht. Een grap breekt de ernstige blik op zijn gezicht: “Wist jij dat de Marokkaanse regering belasting wil heffen op de lucht die we inademen”, grapt Snoussi. “Ze willen een apparaatje op het lichaam aanbrengen dat de zuurstofinname registreert.”

In Marokko lonkt de vrijheid, maar niet voor Bziz, de krekel (de artiestennaam van Snoussi). Door zijn scherpe kritiek op de machthebbers kampt de cabaretier al tien jaar met een onofficieel beroepsverbod. Radio en tv negeren hem en in theaters waar hij wil optreden krijgt hij steevast te horen dat de zalen volgeboekt zijn. De minister voor mensenrechten (volgens Snoussi de minister voor de rechten van één mens) Mohammed Oujar ontkent dat de overheid de cabaretier belet om op te treden. “Het verbod komt per fax”, zegt Snoussi. “Dat is een Marokkaanse gewoonte: de fax die verbiedt.”

Volgens Snoussi beschouwt de overheid hem als een gevaar, juist omdat hij zo populair is bij jongeren. Ondanks de tegenwerking van de overheid voelt Snoussi zich allerminst verslagen. Zijn cassettebandjes gaan nog steeds als warme broodjes over de toonbank. Zijn optredens voor de Marokkaanse gemeenschap in Frankrijk, België, Duitsland en Nederland trekken volle zalen. “Ik blijf tegen het regime fulmineren”, zegt hij vastberaden. “Ik ben niet het type artiest dat applaudisseert bij alles wat het regime zegt en doet. Het is mijn taak te blijven vechten voor de democratie. Het Marokkaanse volk heeft het recht in vrijheid te leven. Voor de jongeren bestaat geen enkel perspectief. Daarom beproeven ze hun geluk in het buitenland. Met gevaar voor eigen leven proberen ze in gammele bootjes Europa te bereiken. Ik wil hun stem zijn. De vrijheid die ze elders zoeken, moet hier bevochten worden. En daaraan wil ik mijn steentje bijdragen.”

De ontgoocheling onder jongeren is groot en die zal alleen maar toenemen bij de huidige werkloosheid en de exodus naar de steden. Als er geen haast wordt gemaakt met de democratisering, dan zal de frustratie toenemen en daarvan zullen de fundamentalisten profiteren.

De dertigjarige Aziz koestert een diep wantrouwen tegen de politiek. Samen met zijn ouders, drie broers en een zus, woont hij al tien jaar in de krottenwijk Ain Sbaa aan de rand van Casablanca. De huizen zijn van golfplaten, er is elektriciteit noch water. Aziz, die medicijnen heeft gestudeerd en al acht jaar werkloos is, heeft de hoop op een baan opgegeven. Drie weken geleden betoogde hij met honderd andere werkloze academici voor het parlementsgebouw in Rabat.

De oproerpolitie sloeg de actie hardhandig uiteen. “Niemand ontzagen ze, journalisten, fotografen en studenten, iedereen kreeg de volle laag”, zegt Aziz, wijzend op de blauwe plekken op zijn rug. “Het was een vreedzame demonstratie”.

Volgens Aziz heeft minister van binnenlandse zaken Basri de opdracht gegeven tot het uiteen slaan van de demonstratie. Premier Youssoufi wist van niets. “Dat geeft aan waar de macht ligt, bij Basri en zijn politieapparaat. Het politie-optreden heeft in elk geval duidelijk gemaakt dat Marokko de zwarte jaren van repressie nog lang niet achter de rug heeft.” Aziz moet niets hebben van de traditionele politieke partijen. Hij voelt zich aangetrokken tot de fundamentalistische islamitische beweging (Rechtvaardigheid en liefdadigheid) van Abdesalam Yacine, die al tien jaar huisarrest heeft. “Niet omdat ik voor een moslimstaat ben maar omdat deze partij de enige is die serieus de problemen wil aanpakken.”

Vooralsnog is koning Hassan vastberaden niet dezelfde fout te maken als Algerije, dat de fundamentalisten in het begin vrij spel gaf. De overheid treedt met harde hand op tegen aanhangers van Yacine, met name op de universiteiten. Een aantal universiteiten is onder speciaal politietoezicht geplaatst.

Omdat de leider, Yacine, onder huisarrest staat heeft zijn dochter Nadia zich ontpopt als woordvoerder. Haar huis in Sale, bij de hoofdstad Rabat, dient als kantoor van de beweging. De fax rinkelt onophoudelijk en het is een komen en gaan van partijleden. Ze weet dat de geheime dienst haar huis in de gaten houdt en haar telefoon afluistert, maar dat deert haar niet. “We zijn alleen bang voor Allah die ons geschapen heeft. Alleen aan hem zijn we verantwoording schuldig,” zegt ze. Haar vader kreeg huisarrest omdat hij het gezag van koning Hassan als amir al-moeminin (bevelhebber der gelovigen) niet wil erkennen. “Het enige gezag dat wij erkennen is dat van God”, vindt Nadia. Zij ontkent dat haar beweging van Marokko een streng islamitische staat wil maken. “Dat gebruiken de tegenstanders om ons de mond te snoeren. Ze wijzen ook vaak naar Algerije. Het regime creëert een angstbeeld, een karikatuur van de islam. Alsof we met zwaarden klaar staan om iedere ongelovige de keel door te snijden. De islam verwerpt geweld. De echte bedreiging voor de samenleving zijn de dictatuur en de ongelijke sociaal-economische verhoudingen.”

In een echte democratie, doceert Nadia, is er plaats voor elke mening of religie. “De islam is een tolerant geloof dat solidariteit met de zwakkeren in de samenleving voorstaat en waar iedereen een kans krijgt op een rechtvaardig bestaan. Dat zijn geen holle frasen. Onze beweging zorgt voor de daklozen en de armen. Praat met mensen en je zult merken hoe onze aanhang groeit.” Volgens Nadia is er geen democratiseringsproces in Marokko. Het is een show, bedoeld om het slechte imago op te vijzelen. “Onze partij is nog steeds verboden. Mijn vader heeft al jaren huisarrest en veel leden zitten zonder aanklacht in de gevangenissen of zijn verdwenen”.

Dat er in Marokko wel degelijk positieve veranderingen zijn blijkt uit de toenemende persvrijheid. Vroeger verdwenen kritische journalisten meteen in de gevangenis. De geheime dienst hield westerse journalisten onophoudelijk in de gaten. Dat alles lijkt tot het verleden te behoren. Dat erkent ook hoofdredacteur Khalid Jamaai van het Franstalige dagblad l'Opinion. “In Marokko regeerde jarenlang de knuppel. Die periode hebben we afgesloten. We schrijven nu over alles zonder dat de politie de redactielokalen binnenstormt en de hele oplage in beslag neemt. Dat is een verdienste van de nieuwe regering”, zegt de kettingrokende hoofdredacteur. Volgens Jamaai is het democratiseringsproces in Marokko al jaren aan de gang. Pas nu merken de mensen dat er zaken veranderen. “Voor het eerst geeft de regering toe dat er politieke gevangenen zijn geweest van wie er tientallen zijn overleden in detentie. In geen enkel ander Arabisch land is dat mogelijk. Maar daarmee zijn we er nog niet. Democratie betekent dat de bevolking niet meer bang is om voor zijn mening uit te komen. Dertig jaar onderdrukking heeft de mensen monddood gemaakt. Ze moeten die angst van zich afschudden. Dan pas zijn we op de goede weg.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden