Eindelijk klinkt de Matthüus van Haitink

Voor het eerst in zijn carrière waagt de 79-jarige Bernard Haitink zich aan Bachs Matthüus-Passion. Niet in het Concertgebouw, zijn thuishaven, maar in Boston.

Op 18 april 1959 dirigeerde Bernard Haitink het slotkoor uit Bachs Matthüus-Passion. ’Wir setzen uns mit Trünen nieder.’ Het klonk aan het slot van een herdenkingsconcert voor Eduard van Beinum, de chef-dirigent van het Concertgebouworkest, die vijf dagen eerder tijdens een repetitie plotseling overleden was.

Dat is nu bijna vijftig jaar geleden, en in die halve eeuw raakte Haitink – althans in het openbaar – geen noot uit de Matthüus-partituur meer aan. Opzienbarend, omdat Haitink meer dan 25 jaar als chef-dirigent aan het Concertgebouworkest verbonden was, het enige orkest ter wereld dat sinds 1899 een traditie van jaarlijkse passie-uitvoeringen kende. Begonnen onder chef-dirigent Willem Mengelberg, en doorgezet door diens opvolger Van Beinum.

Haitink werd in september 1963 chef-dirigent van het orkest en deelde tot die tijd de verantwoordelijkheid met Eugen Jochum. Het was Jochum en niet Haitink die tot 1972 de jaarlijkse Matthüus op zich nam. En na twee ’tussenpausen’ in 1973 en 1974, kwam een jaar later Nikolaus Harnoncourt de passietraditie in Amsterdam opschudden.

In 1968 probeerde Haitink om in Amsterdam als tegenhanger van de jaarlijkse Matthüus een jaarlijkse uitvoering van Beethovens Missa Solemnis te realiseren – een poging die stukliep op het ontbreken van een eigen koor. Later kreeg Haitink dan toch zijn ’eigen’ kleine traditie met de befaamde Mahler-kerstmatinees. Maar van de Matthüus hield hij zich verre. „De Matthüus is voor specialisten”, vond hij.

Tot eergisteren. Want op Witte Donderdag, Goede Vrijdag en Stille Zaterdag van dit jaar dirigeert de bijna 80-jarige Haitink voor het eerst in zijn carrière Bachs Matthüus-Passion. Hij doet dat niet in het traditie-rijke Concertgebouw, maar in de Symphony Hall in Boston, bij het Boston Symphony Orchestra, waar hij de titel conductor emeritus heeft.

„Mijn Matthüus mag vooral geen oratoriumgevoel hebben, het moet heel dramatisch zijn”, verklapte Haitink al in 2006 in een interview. Daarin keerde hij zich tegen al te dogmatische ’authentiekelingen’ en nam hij het zelfs op voor zijn Amsterdamse opvolger Riccardo Chailly: „Voor dat calvinistische, dwingende ’het moet zó, het mag niet anders’ ben ik allergisch.”

Chailly mocht in Amsterdam ook maar één keer dit werk van Bach dirigeren.” Die Chailly-Matthüus was te horen in 1999, ter gelegenheid van het eeuwfeest van de Matthüus-traditie bij het Concertgebouworkest. Chailly liep net als Haitink in eerste instantie met een boog om Bach heen, en verklaarde zelfs dat hij pas één jaar voor zijn dood de Matthüus-Passion zou dirigeren.

Chailly was uiteindelijk pas 46 toen hij zich er toch aan waagde; hij leeft nog steeds. Haitink wordt volgend jaar 80 en het was mooi geweest als hij ’zijn’ Matthüus uit Boston in het Concertgebouw had kunnen herhalen. Maar uitgerekend volgend jaar breekt het Koninklijk Concertgebouworkest met de bijna 110-jarige Bach-passietraditie. In 2009 zal in het Concertgebouw de ’St John Passion’ van de hedendaagse componist James MacMillan klinken.

In Boston is Haitink niet het enige Nederlandse element in de Matthüus. De alt-aria’s worden gezongen door Christianne Stotijn, die sinds haar spectaculaire invalbeurt in Parijs, waar Haitink ineens zonder solist in Mahlers ’Rückert-Lieder’ zat, een soort van protegee van de Nederlandse maestro is. Donderdagmiddag, voorafgaand aan het eerste van drie concerten, is Stotijn de stem aan het losmaken in een van de solistenkamers van de Symphony Hall. „Ik wist al heel lang dat ik hier met Haitink zou gaan zingen. Ik weet niet meer precies hoe het gegaan is, maar op voorspraak van Haitink ben ik benaderd om naar Boston te komen. Het is mijn debuut hier. Zo fijn, helemaal omdat het met Haitink is. Ik kan het zo moeilijk uitleggen wat hem nou zo bijzonder maakt. Het is alsof je bij hem elke keer in een soort speciale ruimte komt, waar je je eigen vooropgezette ideeën over een werk opnieuw evalueert. Dat gaat vanzelf, zonder dat hij iets van je wil, of je iets oplegt. Haitink is een man van weinig woorden, maar hij is zo gefocust als hij dirigeert; een energiebal die heel lang de spanning vasthoudt en die dan ineens loslaat. Het is puur wat hij doet, hij brengt je terug naar de wortel van alles: adem! Door hem zet je je beperkingen opzij, althans, zo voel ik dat. Het is al moeilijk genoeg om Bach goed te zingen. Je moet in je stem op zoek gaan naar een blanke kleur, naar puurheid. Als je Bach zingt, ben je eigenlijk heel naakt. En hoewel de solisten in dit werk geen personages, geen karakters zijn, voel ik tijdens ’Erbarme dich’ toch wel heel erg de pijn van Petrus.”

Stotijn vertelt dat Haitink tijdens de repetities aan haar vroeg of ze wat meer stil wilde staan tijdens het zingen. „Ik beweeg nogal als ik zing, vooral als ik heftige emoties wil uitdrukken. Ik begrijp door zijn opmerking dat ik daarmee Haitinks energie verstoorde. Ik snapte ineens ook dat ik buiten mezelf stond en dat ik de rust en het gemak moest terugkrijgen. De muziek moet zo puur mogelijk door mijn lijf stromen, daar hoef je niet heftig voor te bewegen. Dat verstoort de balans maar.

Tegen het orkest en het koor zei Haitink op een gegeven moment of men alsjeblieft het vibrato wat wilde intomen. En de strijkers drukte hij op het hart om het gebruik van de open snaar niet altijd te vermijden: niets klinkt mooier dan een vrij trillende snaar. Je merkt hier wel dat er nog niet veel geëxperimenteerd is met de verworvenheden van de oude muziekbeweging. Haitink probeert daar op zijn bescheiden en heel eigen manier wat verandering in te brengen.”

In Boston en de Verenigde Staten bestaat er niet echt een traditie in het uitvoeren van de Matthüus-Passion. Wat weer niet wil zeggen dat er geen aandacht voor Bach is. De Amerikaanse musicoloog en dirigent Joshua Rifkin was de eerste die in 1981 met de these kwam dat Bachs passies in de kleinst mogelijke bezetting moesten worden uitgevoerd. Rifkin krijgt steeds meer aanhangers: ook de Nederlandse Bachvereniging en dirigent Jos van Veldhoven zijn al een tijdje ’om’. Op oudemuziekgebied kent Boston de Handel & Haydn Society, een koor en orkest dat al in 1815 werd opgericht. In 1871 bracht deze Society een concert met gedeelten uit de Matthüus, gevolgd door een gecoupeerde uitvoering in 1874 en een echt complete in 1879.

Het Boston Symphony Orchestra zelf voerde de Matthüus voor het eerst in 1911 uit. Met grote tussenpozen volgden uitvoeringen onder de chef-dirigenten Sergei Koussevitsky, Charles Munch en Seiji Ozawa. Elly Ameling zong met Ozawa in 1976 de sopraan-aria’s. De laatste uitvoering in Boston is al 10 jaar geleden, wederom met Ozawa.

En nu dus met Haitink. De uit 1900 stammende Symphony Hall, die samen met de Wiener Musikverein en het Amsterdamse Concertgebouw tot de topdrie van beste concertzalen ter wereld behoort, stroomt donderdagavond vol. Om iets over zevenen heft maestro Haitink zijn baton en klinken de zo bekende noten van het openingskoor. Een verrassend begin is het. Misschien dat je van iemand die zich vaak heeft opgewonden over de authentieke muziekstroming, een andere aanpak verwacht.

Maar elke vooronderstelling wordt door Haitink fijntjes onderuit gehaald. Het dansante ritme van de twaalfachtste maat is er direct. Haitink begint ingehouden en zacht; deemoedig haast. Ontroerend om de bekende Haitink-mimiek nu bij muziek te zien die al die tijd niet bij hem paste, niet bij hem mocht passen. Prachtig hoe Haitink vanuit dit verwonderd-aarzelende begin naar een climax toewerkt. De strijkers van het Boston Symphony Orchestra spelen met matig vibrato en een mooie klank. Tempo, frasering en theatrale opbouw van dit begin blijken voorbodes van een Matthüus die in veel opzichten anders is dan verwacht.

Jammer dat Haitink met een semi-professioneel koor moet werken. De tweemaal zevenentwintig zangers van het Tanglewood Festival Chorus missen een homogene klank. Te vaak hoor je individuele zangers boven de koorklank uit; meestal niet de aangenaamste stemmen. Maar, en dat is typisch Amerikaans, ze zingen wel alles uit het hoofd. Op de koralen na: daar hebben de koorleden een klein boekje voor, dat ze snel tevoorschijn toveren als de opgewonden menigte is uitgezongen en er gereflecteerd moet worden op de inhoud. De jongens zijn hier trouwens meisjes, die het ’O Lamm Gottes’ met hart en ziel zingen.

Haitinks opmerkingen hebben effect gehad, want Christianne Stotijn staat mooi stil in haar eerste aria, die ze rond en vol van toon zingt. Ze toont zich gedurende de hele avond een wonder van tekstexpressie en stemschoonheid. De Bostonians belonen haar na afloop met groot applaus. Ook in de andere partijen is sterk gecast, met sopraan Marlis Petersen, tenor Steve Davislim en bas Peter Harvey. Heel bijzonder zijn de zangers die de kleine rollen van Judas, Petrus, Pilatus en zijn vrouw, en de valse getuigen zingen. Juist deze personages dragen het drama en ze komen hier stuk voor stuk dramatisch tot leven.

Dat geldt ook voor de Evangelist van Ian Bostridge. Zelden iemand gehoord die zo durft op te gaan in het verhaal, woorden bijtend inkleurt waar nodig, en die niet terugdeinst om schoonheid van klank op te offeren aan theatraal effect. De Christus van Thomas Bauer is eveneens van hoog niveau.

Alles bij elkaar genomen heeft Haitink niets te veel gezegd toen hij twee jaar terug meedeelde dat hij het vooral niet te oratoriumachtig wilde doen. Nadat Christus tegen Petrus zegt dat die hem drie keer zal verloochenen, laat Haitink de cadens met forse nadruk spelen. Het koraal ’Was mein Gott will’ klinkt in Haitinks handen als een fortissimo statement, het laatste ’Bindet nicht’ in het duet van sopraan en alt is opvallend snijdend en de muzikale verontwaardiging na ’denn er hat gesagt: ich bin Gottes Sohn’ druipt ervan af. Zo stapelt Haitink gedurende de lange avond detail op detail, gaat hij grote vertragingen aan het eind van nummers uit de weg en brengt hij zoveel variatie aan dat je twee uur en drie kwartier uitermate geboeid blijft luisteren. Die tijdsduur is tegenwoordig onder de jonge, ’moderne’ dirigenten standaard; bij de 79-jarige Haitink hadden we die niet op voorhand verwacht.

Met zijn enorme muzikale ervaring is Haitink nu op late leeftijd tot de Matthüus gekomen. Ervaring met de katholieke symfonicus Bruckner, met de jood Mahler die het ’Veni Creator Spiritus’ toonzette en met de jodenhater Wagner die een ’Parsifal’ componeerde vol christelijke symboliek. Dit alles brengt hij nu samen in Bachs grote werk, dat de hele mensheid omvat. Na afloop barst het Amerikaanse publiek in opera-achtig gejuich los. De zangers mogen een voor een applaus halen – bravo klinkt. In Nederland ondenkbaar bij een passie-uitvoering.

In de dirigentenkamer zoekt Haitink na afloop naar woorden om uit te drukken hoe belangrijk dit concert voor hem is geweest. Het antwoord komt in lichaamstaal en drukt uit dat hij vereerd is dat hij deze compositie – die hij op eenzame hoogte naast Beethovens Missa Solemnis plaatst – nog heeft kunnen dirigeren. „Ik ben opgegroeid met dit werk, heb Mengelberg het nog horen doen en Van Beinum en Jochum. Toen kwam de schokgolf van Harnoncourt en daarna kwamen er een heleboel andere doe-het-zelvers. Ik stond op een zijspoor.”

Haitink vertelt dat hij het nooit gedaan zou hebben als de algemeen directeur van het Boston Symphony Orchestra hem niet gevraagd zou hebben. Dat speelde ruim twee jaar geleden en sindsdien, vertelt Haitinks echtgenote, is de partituur van de Matthüus-Passion niet meer van zijn zijde geweken, en reisde deze overal mee naar toe. Mooi dat Haitink toch heeft kunnen bewijzen dat hij ten onrechte op een Bach-zijspoor terechtkwam. Al was het dan in Boston, en niet in Amsterdam.

Het Amerikaanse publiek kon het waarderen. En dat gold ook voor de recensenten. In the Boston Globe werd Haitinks prestatie als volgt beschreven:

„Met de zekerheid en het vertrouwen van de eminente dirigent die hij is, sprak Haitink kalm zijn eigen waarheid over deze muziek. Zijn warme en waardige interpretatie gaf blijk van aandacht voor beide kanten van de medaille. Hij toonde duidelijk sympathieën voor de ouderwetse symfonische Bach, maar elementen in Haitinks gevoel voor muzikale lijn en frasering maakten duidelijk dat hij niet heeft zitten slapen tijdens de oude muziekrevolutie.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden