Eiland hoppen

(Trouw)

Het ene eiland is ruig, het andere heeft lieflijke zandstrandjes. Maar allemaal hebben ze een rijke historie. Want hier huisden piraten en verstoten monniken.

Daar sta je dan in de verlatenheid van Connemara. Al enkele uren lijkt de wereld in het westen van Ierland nog uitsluitend te bestaan uit ruige natuur, een klotsende waterpartij en een paar wandelaars. Af en toe dringt zich daar een schichtig schaap tussen, maar uiteindelijk heeft dat alleen maar oog voor gras en gras. Niet voor negen Ieren en twee Hollanders.

Aan de lucht is hier vaak meer te zien dan aan het land. We zitten immers aan de rand van de oceaan. Depressies drijven af en aan, zetten soms direct de ontluchtingsknop open of brengen hun lading vocht verder landinwaarts. Het wolkenspel staat bol van spanning en dramatiek, heel anders dan de stilte van Connemara zelf. Wat een einde-loos land

Het wandeltempo stokt. De wandelaars klonteren bij elkaar, het woord ’lunchplek’ is gevallen. Maar langs Killary Harbour, de fjord die kilometers diep het land binnendringt, is in geen velden of wegen iets te zien dat je met een lunch zou associëren. De jeugdherberg die we bij Rosroe zagen liggen en waar de Oostenrijkse filosoof Ludwig Wittgenstein vlak na de oorlog woonde om aan zijn fameuze ’Filosofische onderzoekingen’ te werken, is buiten gebruik. De oude aardappelveldjes brengen al honderden jaren niets meer op en zo is er nog veel meer dat in Connemara tot het verleden hoort. De fjord is alleen nog ankerplaats voor een klein flottielje bootjes die de zee en de kust afstropen naar vis. Beschut door de Mweelrea, de 800 meter ’hoge grijze berg’ aan de overkant, drijven rijen tonnen met touwen aan elkaar geklonken in het water, als mosselbanken die liggen te rijpen. Als er al activiteit is, dan is het slow, very slow. Ierland is op veel plaatsen onbewoond, maar hier lijkt het nóg meer uitgestorven dan elders. Vogels ja, maar mensen? Laat staan een lunchplek. Of is hier een watervalletje? Warempel. En een stenen brugrand, een ideale zitplek.

Dan schudt Brian Hughes de zware rugzak van zijn schouders af, pelt de inhoud uit en tovert een forse doos met wijnflessen tevoorschijn. Binnen no time serveert de eigenaar van het Abbeyglen Castle Hotel in Clifden, waar de safari begon, dikke oranjeroze flappen gerookte zalmfilet, keurig volgens de etiquette met zilveren lepel en vork. Zelfs aan de limoen als dressing heeft Brian gedacht. Dan volgt de wijn, de sandwiches – wit brood, uiteraard – en de sweet waarmee de lunch wordt beklonken. In een ambiance waar de schrijver Oscar Wilde 135 jaar geleden met enige regelmaat zijn hengel moet hebben uitgeworpen.

De wandeling is licht en luchtig; beetje ruig pad, maar je kunt je niet in de weg vergissen. Heel anders dan aan de overzijde van de fjord. Aan de voet van de Mweelrea, in het Iers al even onuitsprekelijk als in het Engels, moeten nog resten liggen van de nederzetting Uggool. Die is in de negentiende eeuw tijdens de aardappelhongersnood verlaten. De huidige recessie in Ierland is heftig, maar heilig vergeleken met de Great Famine die duizenden aanzette hun land te ontvluchten en naar Amerika te emigreren.

Na de lunch wandelen we verder, gelaafd door voedsel en drank en gestuurd door de eenvoud van het pad. Je hoeft hier eigenlijk nergens voor te stoppen, wat er aan schoonheid is, ligt al achter ons. Omdat dit een georganiseerde (vijfdaagse) safari is, worden we opgehaald. We hadden ook terug kunnen lopen, via een hoger gelegen pad, onder langs de rotswand. Maar ook hier verdient slow action de voorkeur.

Hoogste tijd voor de oversteek naar Inishbofin, de oceaan op! Het eiland van de Witte Koe ligt een klein uur buitengaats. Het is behoorlijk ingesteld op toeristen (hotels, B & B’s en pensions genoeg). Je kunt er leren zwemmen en klimmen, duiken en vissen, vogels spotten (kwartelkoning!) en wandelen natuurlijk. Elke stap die je doet, is hier wandelweg. Zesduizend jaar is Inishbofin al bewoond. Omstreeks 1840 telde het nog 1600 inwoners, momenteel 200. Maar een paar honderd meter buiten uit het dorp heb je de wereld voor jou alleen. Paden houden al snel op; waar je voet wil gaan, daar kun je lopen. Het eiland heeft prachtige zandstrandjes, de oceaan kleurt soms azuurblauw en de groene kusten liggen er bij als gladgeschoren gazonnetjes. Op heel Inishbofin is geen boom te vinden; alles is in het verleden opgestookt. Natuurlijk waren het monniken die op Inishbofin leven in de brouwerij brachten, zoals op zoveel eilanden. In dit geval ging het om Sint Colman met aanhang, elders verstoten omdat hij een manier waarop de datum van Pasen werd vastgesteld verdedigde die de kerk niet aanstond. Archeoloog Gerry MacCloskey, met hart en ziel verbonden aan Connemara, voert ons langs duizenden jaren historie. Dit was eeuwenlang de ideale plek om tot inkeer te komen, piraterij te bedrijven of te rebelleren tegen de gehate Engelse machthebbers.

Inishturk ligt weer een uurtje hoppen verder, in het verleden minstens zo’n groot piratennest als Inishbofin. Het is er veilig genoeg tegen de woelige oceaan. Maar het eiland van het Wilde Zwijn levert erg weinig op voor de honderd inwoners. Beetje vissen, beetje varen, beetje schapen houden, af en toe een verdwaalde toerist. Er is een soort dorpshuis, waar eilander en vreemdeling elkaar treffen. Met bier en whiskey, want die lijken elke economische crisis te overleven. Als de tap leeg raakt, kan Inishturk altijd nog terugvallen op het recept van de piratenvoorouders, die bier van heidebloempjes maakten. O’Toole heet de familie die de B & B bestiert, de bekendste naam op het eiland. Ze zijn geworteld in de eilandgeschiedenis. Als het avondeten genuttigd is en de glazen bijgevuld, steekt pa van wal in even gepassioneerde als onverstaanbare liederen die verhalen over vroeger.

Twee hoogtepunten kent Inishturk, nog net geen 200 meter boven zeeniveau. De ene is de ’seintoren’ op Mount Common, gebouwd in de tijd dat Napoleon invasieplannen koesterde: in een systeem van 82 torens langs de kust kon men met hulp van spiegels boodschappen via zonnestralen naar elkaar doorseinen (een voorloper van morsecode). De andere ’top’ is die van de Cairn Hill. Je moet je bovenop schrap zetten tegen de oceaanwind, maar de ervaring van de klimmetjes maakt diepe indruk. Het uitzicht is overweldigend. Wandelen is trouwens toch erg prettig op Inishturk. De met gras begroeide heuvels lijken uit de verte wel biljartlakens. De rotskust verveelt nooit. Het schuim van de zee spat tientallen meters op, vogels spelen met de thermiek en het fantaseren over piratenschepen aan de horizon kan niet lang genoeg duren.

Clare Island is het laatste eiland op onze hop. Een kittig veerbootje heeft wel een uur nodig om de oceaangolven te temmen. Maar Clare Island mag je niet missen. Het pronkstuk onder de westelijke eilanden heeft heel wat berijdbare wegen, maar ook wandelpaden. En langs de kust kun je meestal vrij lopen, tot aan de afbrokkelende randen toe. Hier huisde de pirate Grace O’Malley in de zestiende eeuw, die een grote rol speelde als vrijheidsstrijdster voor Ierland. Ze is bejubeld en bezongen als Koningin van de Zee. Volgens de volksverhalen versleet ’Gráinne Ní Mháille’ (haar Ierse naam) mannen zoals vrachtwagenchauffeurs pakjes shag. Schrijvers, componisten en theatermakers hebben hun handen vol gehad aan producties over deze vrouw, van de Ierse auteur James Joyce tot de Franse zanger Claude-Michel Schönberg.

De naam van Grace O’Malley leeft onder meer voort in het populaire Ierse lied Oró sé do bheatha ’bhaile (‘Welkom thuis’). Of zij op Clare Island begraven zou zijn, wordt door kenners betwist. Als je de kluis van het oude cisterciënzerklooster met muurschilderingen van dieren, draken en krijgers ziet, zou het zo maar kunnen. De eigenaar van het supermarktje zit wel verlegen om een praatje, maar over ’de Wilde Ierse’ kan hij geen uitsluitsel geven. Wel over het Nederlands elftal: dat is z’n favoriet, na het Ierse natuurlijk.

Na een fikse rondwandeling over het eiland wordt de safari afgesloten zoals ie begon: met een zalmpicknick. Brian verrast ons weer met een uitpuilende rugzak die echt leeg moet. Toe dan maar: op het strand bij de haven, in het zonnetje.

(Trouw)
(Trouw)
(Trouw)
De eigenaar van het Abbeyglen Castle Hotel in Clifden serveert gerookte zalm. Rechts: East End Village op Inishbofin. (FOTO'S HARO HIELKEMA, INISHBOFIN ISLAND)
(Trouw)
(Trouw)
(Trouw)
(Trouw)
Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden