Eigenlijk is alles Middeleeuwen

Na bijna een halve eeuw gaat de ’praatgrage prof’ Herman Pleij met pensioen. „Volgens de mores moet ik nu zeggen dat ik studenten ga missen, maar dat valt wel mee.” Maar voor een fijne parallel tussen zijn geliefde Middeleeuwen en het huidig tijdsgewricht is Pleij nog altijd in.

Een verbijsterend ritueel, die nieuwjaarsduik in Scheveningen. „Welke gek gaat er nou op 1 januari in het ijskoude water springen? Dan ben je toch niet lekker?” Waarna Herman Pleij moeiteloos via een paar opmerkingen over de islam overschakelt naar zijn Larense schoonfamilie. En op gang komt met een verontwaardigde uiteenzetting over de hel en verdoemenis die calvinistische dominees soms op Twentse begrafenissen in het vooruitzicht stellen aan de zojuist overledene. Tot hij zich opeens lachend herinnert: „Volgens mij ben ik nog altijd bezig met het antwoord op die vraag over onderwijs, toch?”

Die vraag was inderdaad tien minuten eerder gesteld, en een echt afgerond antwoord is er nog niet op gekomen. Maar ze vormde wel de aanleiding voor een spervuur aan vermakelijke en geleerde associaties. Zoals dat wel vaker gaat, wanneer je Pleij aan het woord laat.

Tv-kijkers kennen hem als de praatgrage professor die in talkshows enthousiaste minicolleges Nederlandse geschiedenis geeft, en daarbij altijd een beetje in toom moet worden gehouden door de presentator van dienst. Andere gasten moeten immers ook nog aan het woord komen.

In zijn eigen vakgebied, of in een achterafkamertje op de universiteit, heeft Pleij zich nooit willen opsluiten. Als hoogleraar Middelnederlandse Letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam is hij officieel gespecialiseerd in de literatuur van de 14de tot en met de 16de eeuw. Maar hij is ook nooit te beroerd om vanuit die expertise een parallel met het heden te trekken. De middeleeuwse fantasieën over ’Cocagne’ – luilekkerland – vertonen bijvoorbeeld opmerkelijke gelijkenissen met de hedendaagse folders van reisbureaus. En hardnekkige fans die popzangers stalken en zich omringen met de parafernalia van hun helden, die stammen regelrecht af van de middeleeuwers die hun heiligen net zo fanatiek vereerden: al in de 13de eeuw waren er volkspredikers die zich met bodyguards tegen hun al te enthousiaste volgelingenschare moesten beschermen.

Maar goed, die vraag over dat onderwijs dus. Pleij mag zich met recht een expert op dat gebied noemen. Hij kijkt zijn sobere kamertje op de vierde verdieping van het universiteitsgebouw aan het Amsterdamse Singel rond. „Ja, ik zit al 47 jaar onafgebroken aan deze universiteit. Waanzinnig eigenlijk.” In 1961 kwam hij er binnenwandelen als student, in 1968 kreeg hij een aanstelling als docent, begin jaren tachtig werd hij hoogleraar.

En volgende week gaat de inmiddels 65-jarige mediëvist met emeritaat.

Is het lastig om afscheid te nemen?

„Het behoort tot de mores van de universitaire wereld om te roepen dat je het contact met de studenten zo zult missen. Nou, ik heb zo’n veertig jaar met studenten gewerkt, en daar ben je op een gegeven moment ook wel weer klaar mee. Ze zijn me de laatste tijd te jong geworden.” Of? „Nee, ik weet het wel, ik word er te oud voor. Als je zo lang in het onderwijs zit als ik, dan merk je dat je af en toe dingen op de automatische piloot gaat vertellen. Ik blijf nog wel gastcolleges geven, en onderzoek doen. Maar ik merkte de afgelopen jaren dat ik er een beetje cynisch van werd om steeds opnieuw alle basisdingen uit te moeten leggen.”

En dat is steeds meer nodig bij de huidige lichting studenten. „We hebben hier nu allemaal jonge docenten, van een jaar of 35. Die kunnen daar veel beter mee omgaan dan ik. Studenten zijn sociaal veel vaardiger geworden, maar ze hebben wel weinig bagage. En ze hebben ook nog eens allemaal andere bagage.”

Dat was vroeger wel anders, herinnert Pleij zich. „Geschiedenis bij mij op de lagere school, dat was gewoon rappen. We waren een soort rappers. Dan stond die meester daar met zijn stok – tak! – tak! – op zijn bureau te slaan, en moesten wij staccato, in de maat, de hele vaderlandse geschiedenis opzeggen, van de Bataven tot nu. In een uurtje had je die erdoor gejaagd. Dat was niet alleen een manier om tot een gemeenschappelijk referentiekader te komen, het was ook een soort ritueel. Er ontstond een band tussen de kinderen in die klas. Dat is tegenwoordig allemaal extreem vervaagd. Niet alleen in de klas overigens, ook de rituelen die bij de zuilen hoorden, hebben hun betekenis verloren. En nu zitten we dus met de gebakken peren. Want de mens is een kuddedier, dus dan krijg je vanzelf allemaal vervangende rituelen.” Met zijn allen in een voetbalstadion een dode volkszanger herdenken bijvoorbeeld, of zo’n nieuwjaarsduik.

Waarmee Pleij zo langzamerhand is toegekomen aan het antwoord op die vraag over onderwijs: ja, hij voelt zich wel degelijk in veel opzichten een kind van de opstand die in de jaren zestig aan de universiteiten woedde. Want die meester met die stok, die had zeker een functie, maar gevoel voor historische verwondering bracht hij je natuurlijk niet bij. Dat gevoel deed de kleine Herman vooral op door zelf heel veel boeken te verslinden. „Ik was al heel jong leesgek. Fascinerend vond ik dat. Dat je zelf de baas was over de tekst die je las, zelf kon besluiten welk boek je daarna ging lezen, onafhankelijk van wat anderen je erover vertelden.”

Wat zegt u, als aan de borreltafel geklaagd wordt over de onderwijsvernieuwingen?

„Dan breng ik graag nog even in herinnering dat het onderwijs daarvoor natuurlijk ook niet zaligmakend was. Het is misschien wat doorgeschoten: nu leggen we de nadruk wel héél erg op eigen creativiteit. En ik kan me voorstellen dat je geen optimale opleiding hebt gekregen als je net de pech had dat je eind jaren zestig studeerde, en in een soort maoïstische radenrepubliek terechtkwam. Maar dat dat hiërarchische, reproducerende onderwijs toen overhoop gehaald werd, daar was ik het zeker niet mee oneens.”

Uw eigen onderzoek ademt ook die democratische geest.

„Ja. Met de opstandige, maatschappijkritische instelling van die tijd keek ik ook naar die middeleeuwse teksten. Literatuur van de Middeleeuwen, dat betekende tot dan toe vooral een canon van een paar verheven, literaire teksten, zoals de Beatrijs en de Abele Spelen. Nou, het kan me niks schelen of de Beatrijs mooi is of niet. Ja, ’s avonds bij de haard, als ik hem voor mijn lol lees. Maar ik was vooral geïnteresseerd in wat die teksten betekenden. Waarom werden ze geschreven? Wat zeggen ze over de maatschappij waarin ze ontstonden?”

„Ergens in de 19de eeuw hebben we bedacht dat literatuur kunst is, iets wat je vooral op een esthetische manier moet waarderen. Als er al een boodschap in zit, dan is dat indirect. Maar ik kwam erachter dat dat in de Middeleeuwen andersom was. Literatuur was allereerst een middel om een boodschap over te brengen.”

Zo ook in de zeer ’volkse’ teksten waarop Pleij in 1979 promoveerde: over middeleeuwse carnavalsrituelen. „Dat gaat veel verder dan grappenmakerij. Natuurlijk, het zijn vaak schunnige teksten. Die waren ook bedoeld als ventiel, om de druk van de ketel te halen. Als middeleeuwer kreeg je constant van vrome predikers te horen dat seks van de duivel was, er werden je allerlei angstgevoelens aangepraat. Zelfs als je keurig getrouwd was, moest je er ingewikkelde schema’s bijhalen om te kijken wanneer het nou eindelijk eens een keertje mocht: er waren allerlei heiligendagen waarop seks uit den boze was.”

„Maar er zit nog een diepere laag in zulke teksten. Er werd ook geëxperimenteerd met een nieuwe moraal. Tijdens carnaval werd de wereld even op zijn kop gezet. Maar dat was ook bedoeld als waarschuwing: zo moest het de rest van het jaar dus niet.” In alle teksten uit die tijd vindt hij de wortels van die nieuwe moraal terug: bij de rederijkers, in Erasmus. „Erasmus, die zegt dingen die wij nu als hopeloze open deuren beschouwen. Respecteer de ander, ga het debat aan, accepteer het uiteindelijk als je je zin niet krijgt. Dat was toen revolutionair!”

Die moraal ziet Pleij nog steeds terug in de Nederlandse overlegcultuur van nu, die volgens hem wortelt in de stadscultuur en het gezamenlijke polderbestuur uit de late Middeleeuwen.

Sommige historici verwijten u dat u generaliseert en allerlei continuïteiten wilt zien die er helemaal niet zijn.

Pleij haalt zijn schouders op. „Ja, het is een brutale stelling, ’Erasmus en het poldermodel’. Dat zijn ook essays, hè. Die schrijf ik met een net wat andere instelling dan mijn puur wetenschappelijke werk. Ik snap dat die kritiek oproepen. Maar het blijft fascinerend om te onderzoeken waarom Nederland al eeuwenlang zo’n tevreden gemeenschap is. In alle onderzoeken die er gedaan worden, kankeren Nederlanders over van alles en nog wat. Niks deugt er, tot die ene vraag komt: ’Hoe staat het met uw persoonlijk welbevinden?’. Dan scoren we ineens het hoogst van de wereld. Dat probeer ik te verklaren. En dan moet je op zoek naar de wat grotere verbanden.”

Maar in uw periode, de Middeleeuwen, bestond er nog helemaal niet zoiets als Nederland. Wat heeft u dan toch met de Nederlandse identiteit?

„Het gaat me misschien niet eens om Nederland, maar om die burgerlijke cultuur. Het fascineert me hoe in de late Middeleeuwen allemaal democratische verbanden ontstaan, hoe men zich aan de traditionele structuren ontworstelt. En als je dat per se psychologisch wilt verklaren: het zal ook wel iets met mijn afkomst te maken hadden. Mijn ouders waren van zeer eenvoudige komaf, die worstelden ook om hogerop te komen. Mijn vader had alleen lagere school, probeerde nog wel eens wat met een avondcursusje, maar alles stond toch vooral in het teken om de kinderen te laten studeren.”

Hij schrikt als hij geconfronteerd wordt met de stelling dat hij zelf wel iets wegheeft van een moderne rederijker: half entertainend, half moraliserend begeeft hij zich in het publieke leven. „Nee. Ik moraliseer niet, ik probeer te analyseren. Van die politici die andere mensen een moraal proberen op te dringen, daar heb ik niks mee.” Maar het is waar, geeft hij later toe, hij voelt af en toe wel de behoefte om juist zulke politici het voorbeeld van Erasmus voor te houden. „Bij die discussie over de boerka’s, bijvoorbeeld. Ik had daar laatst bij Pauw en Witteman nog een aanvaring over met Mark Rutte. Dat nou juist een liberaal wil dat een kledingstuk door de staat wordt verboden, daar kan ik met mijn hoofd niet bij. Vergis je niet, dat is geen onverschilligheid van mijn kant. Ik vind die dingen ook eng, en ze zien er belachelijk uit. Ik zal iedereen daarvan proberen te overtuigen. Maar op een gegeven moment moet je ook accepteren dat er mensen zijn die het met je oneens blijven.” Een milde zucht. „Maar het schijnt uit de mode te zijn om het midden op te zoeken, om tevreden te zijn met een compromis.”

Zulke tv-optredens leveren u ook nog wel eens geschamper op van ’serieuzere’ collega’s.

„Ik heb altijd ’nee’ gezegd als ze me vroegen om mee te doen met een quiz. Maar ik denk wel graag mee over de opzet van zulke spelprogramma’s, zoals bij de verkiezing van de ’Grootste Nederlander’. Natuurlijk is dat op zich een onzinnige verkiezing. En dat Fortuyn zo hoog eindigde, nou ja, dat sloeg natuurlijk nergens op. Maar als je naar de rest van de toptien keek: een zéér verantwoorde lijst, hoor. En over al die historische figuren werd op zaterdagavond op primetime een documentaire van een half uur uitgezonden. Mensen hadden het erover. Dat is toch prachtig?”

Geert Mak, een andere popularisator van de geschiedenis, werd onlangs door een UvA-collega van u bekritiseerd, omdat zijn serie ’In Europa’ vol onjuistheden zou zitten.

„Dat was echt de universiteit op zijn smalst. De hooghartigheid waarmee dat afgeserveerd werd: alsof dat programma helemaal niks voorstelt. Dat is gewoon gelogen! Ja, er zaten wat slordigheden en dommigheden in. Daar zullen ze nu ongetwijfeld extra goed op letten. Maar je mag zó blij zijn met iemand als Mak. Er kijken iedere week bijna een miljoen mensen naar dat programma. Zijn die nou gek? Nee, hoor.”

Wat gaat u vanaf aanstaande maandag doen?

„Gewoon door met mijn werk. Ik ben bezig met een boek over Anna Bijns, een van onze allergrootste schrijvers. Die is in de loop der eeuwen door allerlei belangengroeperingen gekaapt – van vrome katholieken tot tuinbroekfeministen.” En daarna misschien ooit nog eens die historische roman over Willem van Oranje schrijven. „Over onze Vader des Vaderlands wordt bijna nooit iets geschreven. Terwijl het zo’n wonderlijk figuur was. Aan de ene kant een martelaar, die zich voor een schijnbaar hopeloze zaak wilde opofferen. Aan de andere kant een levensgenieter. Kijk maar naar de schilderijen: het was de Armani-pakkendrager van de 16de eeuw, met altijd mooie vrouwen om zich heen. Hoe komt dat samen in één man? Het is bijna schizofreen. Heel wonderlijk.”

En leesgek, dat zal Herman Pleij altijd blijven. Van middeleeuwse tot hedendaagse literatuur. „Dat nieuwe boek van Philip Roth: geweldig! Die man is ver in de zeventig, en die blijft zich maar ontwikkelen. Nee, wat dat betreft, is er nog genoeg hoop voor ons bejaarden.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden