Eigenlijk een wollig boek

De discussie over het verbod op Hitlers ’Mein Kampf’ laaide deze week, na uitlatingen van minister Plasterk, weer op. Wat voor boek is het eigenlijk? Antoine Verbij las het antisemitische boek en vindt het abstract en schreeuwerig. Genoeg reden voor een verbod, of moet het juist daarom worden vrijgegeven?

Het begin gaat nog. Als Adolf Hitler het bekrompen milieu schildert waarin hij opgroeide, als hij zijn diepe afkeer daarvan uit en zijn verlangen om het te ontvluchten, wil hem nog wel eens een passage lukken. Zelfs in de nogal morsige vertaling van de fascistische dichter Steven Barends klinkt Hitlers rebellie haast overtuigend.

’Ik wilde geen ambtenaar worden, nee en nog eens nee! Alle pogingen om bij mij – door de verhalen uit mijn vaders eigen leven – liefde voor dit beroep op te wekken, hadden een averechtse werking. Ik werd misselijk bij de gedachte, eens als onvrij man op een bureau te moeten zitten; niet meer heer en meester te kunnen zijn over mijn eigen tijd en gedwongen te zijn de inhoud van mijn gehele leven te zoeken in het invullen van formulieren.’

Zo’n passage maakt nieuwsgierig. Ze belooft opstand, uitbraak, avontuur. ‘Mijn kamp’ is in zijn beste delen het verhaal van een penibele zelfbevrijding en zelfontdekking. De autobiografie van een opstandige wees zonder heg of steg, die zich met rottige baantjes in leven houdt en de omgang met zijn lotgenoten als leerschool voor het leven benut.

Maar het leerproces dat Hitler beschrijft, blijkt geen echt leerproces te zijn. Halverwege de jaren twintig dicteerde Hitler, als dertiger, ‘Mijn kamp’ aan een paar celgenoten die net als hij veroordeeld waren voor een mislukte staatsgreep. De adolescent die hij beschrijft denkt precies zo als de volwassen auteur. Het armoedzaaiertje dat na een mislukte schoolcarrière in Linz zijn geluk in Wenen beproeft, beziet de wereld met de ogen van een doorgewinterde nationaal-socialist.

Slechts op één punt leerde de jonge Hitler echt iets nieuws. Ging hij er eerst nog van uit dat het jodendom een religie naast andere religies was, in Wenen ontdekte hij dat het geen religie was maar een compleet andere mensensoort. Die ontdekking deed hij in de Weense wijk Leopoldstadt, waar joden in kaftans liepen, rare lokken hadden en zich opvallend van hun stadgenoten onderscheidden.

Erger nog, ze stonken! ’Dat deze lieden niet bepaald dol waren op water, was iets, wat men aan hun uiterlijk helaas reeds kon constateren, dikwijls zelfs met gesloten ogen. Later overkwam mij wel eens, dat ik onpasselijk werd van de lucht, welke deze kaftandragers verspreidden.’

In ‘Mijn kamp’ zijn zulke zinnen, hun hatelijke inhoud ten spijt, een verademing omdat er eindelijk iets zintuiglijks in doordringt. Hitler verstikt zijn belevenissen voortdurend onder een dikke deken van ideologische litanieën. Wat de held van ‘Mijn kamp’ werkelijk voelde en dacht, blijft verborgen achter een façade van politieke en wereldbeschouwelijke platitudes.

Zelfs zijn ervaringen aan het front gaan teloor in verheven frasen over heldendom en het Duitse lot. Wat hij echt meemaakte, blijft duister. Hij raakte gewond, maar hoe en wat vertelt hij niet. Na een paar alinea’s aan het front ligt hij al tussen de lakens in een lazaret en ijlt hij over fatsoenlijke Duitsers en laffe joden, over verlies, vernedering en verraad. En dan – dan moet hij toch even huilen, met ‘mijn brandende hoofd in deken en kussen’.

Dat is het grootste manco van ‘Mijn kamp’: de schrijver is zo weinig concreet. Zijn filippica’s tegen het parlementarisme, de sociaal-democratie, het marxisme, het slavendom, de Habsburgse dynastie, het liberalisme, het jodendom – ze zouden veel overtuigender zijn geweest als ze niet zo wollig en abstract waren. Waarom noemt hij niet man, paard en rugnummer, waarom schrijft hij zijn vijanden niet met smaak de grond in? Op dat punt had hij nog iets van Karl Marx kunnen leren.

Dat gebrek aan concreetheid wreekt zich vooral in deel twee van ‘Mijn kamp’, dat ‘De nationaal-socialistische beweging’ heet. Daarin is de held alleen nog maar een pratend hoofd, zonder lichaam. In zichzelf almaar herhalende verhandelingen hamert hij er bij de toehoorder zijn wereldbeschouwing over rassen en naties in. Hitler is in dat deel geheel vergeestelijkt tot een homo politicus, voor wie de werkelijkheid slechts een strijdtoneel is van onverenigbare wereldbeschouwingen.

Wat in Hitlers beeld van botsende beschavingen dan toch verrast, is zijn achting voor religie. Hij behandelt de christelijke religies met respect en waakt over de scheiding van kerk en staat. ‘Voor een politieke leider moeten godsdienstige leerstellingen en inrichtingen van zijn volk steeds onaantastbaar zijn.’

Hitler meent zelfs dat zijn racistische ideologie in dienst staat van de religie: ‘Door mij te verweren tegen de Jood, strijd ik voor het werk des Heren.’

Hitler wil met zijn ideologie van volk en vaderland niet met de religie concurreren. In ‘Mijn kamp’ kritiseert hij nationalistische politici omdat ze de confrontatie met de kerk zochten. En van het atheïsme van de sociaal-democraten moet hij al helemaal niets hebben, evenmin van hun internationalisme en multiculturalisme (‘rassenbabylon’).

Wat hij in de religie vooral bewondert, is de macht van het gesproken woord. Hij ziet zichzelf graag als de man die de massa’s met zijn toespraken in vervoering brengt. Veel meer dan op het geschreven woord vertrouwt hij op het gesproken woord. ‘De macht die de grote historische lawines van godsdienstige en politieke aard aan het rollen bracht, is, door alle eeuwen heen, alleen de toverkracht van het gesproken woord geweest,’ schrijft hij.

Na ‘Mijn kamp’ heeft Hitler zich volledig toegelegd op de kunst van het spreken. Hij heeft zich niet meer in geschrifte tot het volk gericht. Hij besefte dat de wervende kracht van ‘Mijn kamp’ nihil was. Van de 23.000 exemplaren van deel 1 en de 13.000 exemplaren van deel 2 die tussen 1925 en 1930 over de toonbank gingen, is zijn nationaal-socialistische beweging niet groot geworden. Wel van zijn redevoeringen in bierhallen en sportpaleizen.

‘Mijn kamp’ is nooit de ‘bijbel van het nationaal-socialisme’ geworden. Daarvoor is het boek te saai en te taai. Een recente studie beweert dat zelfs vooraanstaande nazileiders het boek niet hadden gelezen en er spottend over spraken. Van de miljoenen exemplaren die tijdens het Derde Rijk in Duitse boekenkasten belandden, is slechts een fractie ooit opengeslagen.

De man die na de oorlog de eerste president van de bondsrepubliek werd, Theodor Heuss, vond het al. De liberale politicus, die ooit een publicatieverbod van Hitler zelf kreeg, meende dat ‘Mijn kamp’ de beste antireclame voor Hitlers denkbeelden was. Vijftig jaar geleden pleitte hij er al voor het boek vrij te geven.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden