'Eigen leefwereld is geen folklore die 't leuk doet op braderie'

GPV-senator Veling voorspelt dat het streven om de sociale samenhang te vergroten tot mislukken is gedoemd, zolang het kabinet geen wezenlijke interesse toont in de leefwereld van minderheidsgroepen, of het nu gereformeerden, moslims of homo's zijn. Volgens de GPV'er verwart het kabinet verdraagzaamheid jegens de minderheden met onverschilligheid.

Dat gevoel van vreemdeling in de eigen samenleving verbindt de autochtone gereformeerden met de allochtone islamieten, meent Kars Veling. Het Eerste-Kamerlid van het GPV, de partij van de vrijgemaakt gereformeerden, besteedde vorige week in het senaatsdebat over Troonrede en Miljoenennota zijn spreektijd bijna geheel aan dit onderwerp.

Aanleiding was het streven van het kabinet om de sociale samenhang in de maatschappij te vergroten, een ambitie die de rode draad vormt in de Troonrede. Ofschoon de regering erkent dat van sociale samenhang pas sprake is als mensen van uiteenlopende culturele oorsprong met elkaar kunnen samenleven, voldoet zijzelf volgens Veling niet aan een belangrijke voorwaarde voor deze sociale cohesie. Het ontbreekt haar aan wezenlijke belangstelling voor de eigen leefwereld van minderheden, of het nu islamieten of gereformeerden zijn. Het streven naar sociale samenhang zal daarom tekort schieten, voorspelde hij.

“Mijn pleidooi voor inhoudelijke interesse in de culturele achtergrond van allochtonen komt niet voort uit affiniteit met de geloofsovertuiging van veel allochtonen”, zei de GPV-senator. “Maar dat neemt niet weg dat het juist autochtone Nederlanders met een belijnde overtuiging zijn, afwijkend van wat een meerderheid als modern beschouwt, die oog hebben voor de meervoudigheid van loyaliteiten waarvoor minderheidsgroepen zich gesteld zien.” Hij stelde vast dat dit besef een verplichting voor de gereformeerde gezindte inhoudt. Als zij opkomt voor haar eigen geestelijke vrijheid, zal zij ook moeten pleiten voor religieuze tolerantie jegens de allochtone minderheden.

“Hoe verwerpelijk ik hun geloof ook vind, ik zal me er voor inzetten dat zij het wel kunnen hebben”, vat Veling zijn betoog samen. Op het Greijdanus college in Zwolle, de vrijgemaakt gereformeerde scholengemeenschap waarvan hij directeur is, licht hij toe: “Augustinus leerde ons al dat we burgers zijn van twee koninkrijken, dat van God en dat van de burgerlijke samenleving. Daarom bidden wij voor de vrede in Babel, want in hun vrede schuilt ook onze vrede.”

“Dat gevoel in twee koninkrijken te leven is iets wat je vooral gewaarwordt als je buiten de dominerende cultuur, de mainstream, van de samenleving staat. De multiculturele samenleving houdt voor gereformeerden en islamieten in dat zijzelf multicultureel moeten zijn. Van hen wordt een permanente inspanning gevraagd hun eigen leefwereld in verbinding te brengen met de Nederlandse publieke orde waaraan zij loyaal willen zijn. Wie zelf in die hoofdstroom staat, weet niet hoe moeilijk dat soms is.”

Veling haakt aan bij het voorbeeld uit de sociologie van een marsbewoner die op aarde landt en zich tracht te plooien naar de aardse leefwijze. “Stel dat je hem vraagt zich als een aards jongetje tegenover een aards meisje op te stellen, op de manier die hij heeft geleerd van de dagelijkse televisie- en reclamebeelden. Hij zal dan al gauw de politie op de stoep hebben staan wegens seksueel geweld. Of neem de vader die regelrecht van het Marokkaanse platteland naar Nederland emigreert en hier zijn zoon probeert op te voeden. Hij krijgt dan te maken met een overheidsinstantie die hem een inburgeringscontract voorlegt met de verplichting zijn zoon naar school te sturen. Een paar maanden later komt de schoolleiding zich bij de man beklagen over het gedrag van zijn zoon. Die man zal dat niet begrijpen. Krijgt mijn zoon nu de schuld dat hij dingen doet die jullie hem hier in Nederland leren?”

Veling zag zijn waarneming onlangs treffend samengevat in Vrij Nederland: “Het is de allochtoon die multicultureel moet zijn, niet de Nederlander.” Van de allochtoon, maar ook van andere minderheidsgroepen, wordt niet zozeer verlangd dat hij in de samenleving integreert, als wel dat hij zich aanpast aan de dominante cultuur. Geen integratie maar assimilatie.

“Als Dijkstal zegt dat de integratie van islamitische minderheden zich gunstig ontwikkelt, bedoelt hij dat de islam is verwesterd en een gematigde vorm heeft aangenomen.” Volgens de senator zal Dijkstal, als politicus die midden in de hoofdstroom staat, zich niet bewust zijn van deze teneur in zijn denken. Zelfs GroenLinks, de partij die als geen ander het ideaal van de multiculturele samenleving uitdraagt, vergt onbewust eerder assimilatie dan integratie van de allochtone minderheden.

Tekenend was de ophef die het Kamerlid Rabbae in eigen kring baarde met een uitspraak waarin sympathie doorklonk voor islamieten die zich door Rushdies Duivelsverzen beledigd voelden en rechtsvervolging van de schrijver nastreefden. Zijn partijgenoten vielen over elkaar heen van verontwaardiging, nu de multiculturele samenleving zich bij hen aandiende in de vorm van een pleidooi voor beknotting van het vrije schrijverschap.

“Het terugkerende element in al dit soort gevallen is dat de minderheid zich moet aanpassen. Neem de aanvaring tussen onze school en minister Ritzen over onze weigering destijds aan de leerlingen het boekenweekgeschenk te geven, een boek van Leon de Winter. In dat boek komen waarden als trouw en respect er slecht vanaf. We vonden het daarom te veel gevraagd het als cadeautje aan onze leerlingen aan te bieden. Wie dat wilde kon het in onze bibliotheek lenen. Van alle kanten zijn we toen aangevallen om onze bekrompenheid en intolerantie. Dezelfde minister Ritzen die ons onze weerstand kwalijk nam tegen De Winters omgang met normen, verlangt wel van de scholen dat zij hun rol in de overdracht van normen en waarden intensiveren.”

De senator beaamt dat de 'normen' die Ritzen voorstaat eerder omgangsvormen zijn. “Inderdaad, de overheid is er vooral op uit de mensen te disciplineren tot oppassende burgers. Dus moeten wij onze leerlingen voorhouden niets kapot te maken, zich beleefd te gedragen, altijd hun verplichtingen na te komen. Op zichzelf nuttig, maar het heeft meer met disciplinering van burgers dan met normen te maken. Daarom valt deze beschavingsarbeid ook zo goed bij de liberalen. Gedisciplineerde burgers zijn beter voor het zakendoen dan ongedisciplineerde, al is het alleen al omdat zij hun rekeningen netjes op tijd zullen betalen.”

Een essentiële voorwaarde voor daadwerkelijke integratie van minderheidsgroepen is, zegt Veling, dat de overheid onderkent voor welke opgave iemand zich geplaatst ziet die hecht aan zijn afwijkende leefstijl en niettemin loyaal wil zijn aan de Nederlandse publieke orde. Dat vergt van de overheid dat zij de cultuur van minderheden serieus neemt, hoe buitenissig zij ook mag wezen. “Die afwijkende leefwereld is het dagelijks leven van deze mensen, geen folklore die het leuk doet op de braderie.” Deze houding van betrokkenheid mist hij volledig.

“De overheid neemt dezelfde houding aan als de kalief die destijds de bibliotheek van Alexandrië liet verbranden. Boeken in overstemming met de Koran waren overbodig en konden dus aan het vuur worden prijsgegeven, boeken in strijd met de Koran dienden te worden verbrand. In Nederland geldt dat een minderheidscultuur ofwel harmonieert met de Nederlandse en daarom tot de folklore kan worden gerekend, ofwel strijdig is met heersende opvattingen en om deze reden bestreden dient te worden. In geen van beide gevallen is wezenlijke interesse van de beleidsmaker in die cultuur nodig.”

Veling schrijft deze onverschilligheid toe aan het heersende misverstand dat verdraagzaamheid neerkomt op het relativeren van verschillen. Hij kan zich vinden in de kritiek van de orthodoxe rabbijn Lody van der Kamp op het idee tweede paas- of -pinksterdag uit te roepen tot een multiculturele feestdag. Hoe ruimdenkend dit idee op het eerste gezicht wellicht ook overkomt, de moslim zal het volgens Van der Kamp als een belediging ervaren: “Hij vraagt vrije dagen voor zijn eigen religie, hij krijgt een multiculturele feestdag.”

Volgens Veling is dit voorbeeld exemplarisch voor de libertijnse neiging tolerantie te verwarren met het weg-relativeren van verschillen. “Het is ook typerend dat een rabbijn op dit verschijnsel moet wijzen. Hij staat net als islamieten en vrijgemaakt gereformeerden - maar ook bijvoorbeeld de homo's - buiten de hoofdstroom en ervaart dus bijna dagelijks dat werkelijke verdraagzaamheid altijd een pijnlijk kantje heeft. Het behoort tot het wezen van tolerantie dat je iets van een ander accepteert wat strijdig is met jouw overtuiging. Het is begrijpelijk dat dit besef zal verflauwen bij iemand die in de hoofdstroom staat. Hij vindt immers wat de meesten vinden.”

Het kabinet lijdt aan dezelfde blikvernauwing, meent hij. “Het staat op het schip van staat en constateert tevreden dat het tussen de beide helften van de boeggolf doorvaart: We houden keurig het midden! Dat is een typisch misverstand van iemand die zichzelf in het middelpunt weet.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden