Ego-religie verdringt godsdienst

Religie is ín. Geen reden tot bezorgdheid dus? Toch wel, vindt godsdienstsocioloog Gerard Dekker. De godsdienst van vroeger en de spiritualiteit van nu zijn tegenstellingen geworden: 'het zelf' heeft gewonnen van de Ander/ander.

Gerard Dekker

Er is een tijd geweest waarin de gedachte overheerste dat godsdienst als gevolg van de ontwikkeling van de samenleving als vanzelf zou verdwijnen. De socioloog Weber sprak over de 'onttovering' van de wereld: door de rationalisering van het leven zou er steeds minder ruimte komen voor godsdienst.

Die gedachte is achterhaald - zij klopt niet met de ontwikkeling in de VS, noch met onze eigen ervaringen. Religie is ín. We hebben, vinden sommigen, met schommelingen te maken. Anderen zeggen dat de mens religieus van aard is en dat godsdienstigheid daarom niet kán verdwijnen. Of dat de rationalisering van het leven zelf tegenkrachten oproept, omdat de mens nu eenmaal méér is dan een rationeel wezen. Maar vrijwel iedereen is het erover eens dat godsdienst ook in onze moderne samenleving niet verdwijnt.

Daarmee is de kous af. Mensen zijn dan wel minder kerkelijk betrokken en godsdienstigheid verandert, maar ze blíjven godsdienstig. Alle reden om positief naar de ontwikkelingen te kijken. Waar zouden we ons nog druk over maken?

Toch klopt dit verhaal niet. Alle nieuwe religieuze activiteiten wegen kwantitatief niet op tegen de achteruitgang in de traditionele godsdienstigheid. Het recente Trouw-onderzoek dat meldt dat bijna twee derde van alle mensen tot 40 jaar nauwelijks met geloof en zingevingsvragen bezig is, leert dat de (behoefte aan) religiositeit niet zo alom aanwezig is als sommigen ons willen doen geloven.

Belangrijker: het verhaal klopt niet in kwalitatief opzicht. De stelling dat religie weer 'in' is, veronderstelt dat het daarbij om dezelfde zaak gaat. Maar dat miskent dat het grootste deel van de nieuwe godsdienstigheid principieel verschilt van de traditionele godsdienstigheid, niet alleen inhoudelijk, maar vooral in de betekenis voor het leven van de mensen. Zó sterk verschilt zelfs, dat die nieuwe godsdienstigheid in het gunstigste geval een surrogaat, maar in het ongunstigste geval zelfs een vijand is van de traditionele, christelijke godsdienst.

Het is onvermijdelijk een zwart-wit tekening, maar ik stel (traditionele, 'oude') godsdienst tegenover (alternatieve, 'nieuwe') spiritualiteit. Kenmerk van godsdienst is dat het gaat om dienst aan God; en het dienen van de Ander betekent in de christelijke traditie ook altijd het dienen van de ander. Dus -en daar gaat het hier om- het is niet primair op jezelf gericht. Godsdienst geeft de mens een zienswijze op en een zijnswijze in het leven en is daarmee (mede)constitutief voor de inrichting van leven en samenleven.

Bij spiritualiteit gaat het mij hier niet om de (al zeer oude) devotie, die gericht is op God en ook niet om wat Jurjen Beumer eens 'kritische spiritualiteit' noemde. Ik bedoel de nu door velen nagestreefde spiritualiteit, gericht op het innerlijk, op de eigen ervaring, op 'het zelf'. Zoals een expert het omschreef: ,,het voortdurend streven naar verdieping, naar het in verbinding komen en blijven met de kern van jezelf''. Als de moderne spirituelen al iets goddelijks zoeken, dan is het iets goddelijks in zichzelf, 'het gesacraliseerde zelf'.

Deze verandering in de religiositeit heeft alles te maken met culturele veranderingen in denken en beleven. Ik denk hier vooral aan de processen van functionalisering en individualisering. Onze samenleving ging ooit uit van een gegeven orde, ontdekte toen de maakbaarheid van de samenleving en stelt nu de ontplooiing van het individu centraal.

Binnen de theologie heeft de dogmatiek haar dominerende plaats verloren. De ethiek nam daarna een belangrijke plaats in, nu doet de praktische theologie dat.

Binnen het kerkelijk leven lag tot voor kort de nadruk op de godsdienst als zodanig. Daarna zien we een sterke concentratie op (de opbouw van) het kerkelijk leven, terwijl nu ook te constateren valt dat men zich sterk richt op de (religieuze?) behoeften van de individuele mensen.

Zo verging het ook de religiositeit in het algemeen. Aanvankelijk ging het om 'een andere werkelijkheid', een God of een bovennatuurlijke wereld, daarna verschoof de aandacht naar déze werkelijkheid en naar de betekenis van het godsdienstige voor deze wereld. Nu ligt de nadruk op het individu, op de betekenis die godsdienstigheid heeft voor de individuele levensontplooiing.

Het is een ontwikkeling die zowel binnen als buiten het christendom plaatsvindt. Binnen het christendom in bijvoorbeeld een deel van de evangelische beweging en buiten het christendom in het ontstaan van New Age. Het is niet voor niets dat Anton van Harskamp in zijn studie 'Het nieuw-religieuze verlangen' -waarin hij probeert 'te begrijpen hoe het mogelijk is, dat de afkalving van godsdienst in onze streken doorgaat, terwijl het verlangen naar godsdienstigheid toeneemt'- zich concentreert op New Age én het evangelicalisme.

In de Verenigde Staten gebeurt hetzelfde. De socioloog Roof stelt vast dat veel Amerikanen van zichzelf zeggen dat zij niet 'godsdienstig', maar wel 'spiritueel' zijn. Godsdienstigheid impliceert collectieve geloofsovertuigingen en praktijken, terwijl spiritualiteit zich beperkt tot de persoonlijke beleving. Roof spreekt over 'een religieuze of quasi-religieuze houding, gebaseerd op in hoge mate van zichzelf bewuste reflectie'. Het gaat bij dit alles dus primair om de eigen identiteit.

De religieuze veranderingen zijn duidelijk binnen de kerken te constateren. De centrale vraag in veel kerkdiensten lijkt niet meer te zijn wat God van de mensen vraagt, maar wat het geloof bijdraagt aan een harmonisch leven. Zoals ook de vroeger veel aan leden gestelde vraag 'wat heeft de kerk aan jou?' vervangen is door de vraag 'wat heb ik aan de kerk?'

In de kerken zelf zijn de instellingen die op het werk en leven in deze wereld gericht waren, opgeheven of lijden een armoedig bestaan, terwijl activiteiten die op het persoonlijk leven betrekking hebben -huwelijksdiensten, rouwdiensten- steeds meer aandacht krijgen.

Ook in de kerk wordt godsdienst vaak niet meer beleefd als iets wat constitutief is voor het leven en samenleven van de mensen. Voorzover godsdienst nog geacht wordt een impuls aan het leven te geven, is dat niet in de zin van richtlijnen, maar als motivering van hetgeen wij doen en denken; maar dat doen en denken zélf wordt steeds minder door die godsdienst bepaald. Geloof draagt bij aan identiteit en zelfontplooiing, niet meer aan de inrichting van het (samen-)leven. Kerken hebben veel van hun ideologische veren afgeschud.

De huidige godsdienstigheid is principieel anders dan de vroegere, omdat de eerste primair op onszelf is gericht. De nieuwe godsdienstigheid is geen variatie op de traditionele vorm; het is een ándere godsdienstigheid. Vroeger was godsdienst bepálend voor het leven en de samenleving, nu is het meer ter verfraaiing ervan. Ook al lijkt het hetzelfde, het ís anders. Zoals we de open haard niet meer echt voor de bestrijding van de kou gebruiken, de fiets een vrijetijdsartikel is geworden in plaats van een noodzakelijk vervoermiddel, en roggebrood van het brood voor de armen geworden is tot een lekkernij.

Zo beschouwd zijn de vroegere godsdienst en de huidige spiritualiteit tegenstellingen geworden. En neemt het belang van de godsdienst voor het leven en samenleven meer af dan velen voor waar willen houden.

De rol van religie in een ontkerkelijkte samenleving, het onderwerp dat Dekker hier aansnijdt, staat morgen ter discussie op een symposium van de Vrije Universiteit: 'Ziel & Zaligheid in Nederland na 1950', mmv o.a. James Kennedy, Peter Nissen, Paul Post en Anton van Harskamp, 9.30-16u, VU-kerkzaal, De Boelelaan 1105, Amsterdam; toegang gratis, info: www.relic-vu.nl.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden