Eeuwig op zoek naar gezichten

Hoe herkennen wij gezichten van andere mensen? Wetenschappers komen er onderling niet uit. Een schrale troost voor de ’gezichtsblinden’, mensen die hun eigen partner nog niet herkennen aan het gezicht.

’Hieja, daar istie dan.” Lig je net in je wieg, schuift er zo'n vreemde gestalte je blikveld binnen. Het prille brein piekert: „.” Even later verschijnen er meer van die vormen, maar die ene keert steeds weer. En dan, amper ben je onderweg, kan er voor die vertrouwde neus en mond daar boven al een lachje af, met iets van: „Jou ken ik.”

Jaren nadien lag Martinus Nijhoff met zijn moeder in het gras. Wat hij in de wolken zag, vroeg ze. „Scandinavië, en eenden: daar gaat een dame, schapen met een herder.” Nijhoff dichtte hier niet in de juiste volgorde, de dame had vóór horen gaan want uit de chaos doemen allereerst gezichten op.

Sterker, ze dringen zich op, we zullen en moeten gezichten zien. Ter illustratie van die cerebrale dwangmatigheid maakte The New York Times onlangs een wonderlijke collage van spookgezichten: het gelaat van God in de lucht, de Maagd Maria op een tosti (voor 28 duizend dollar verkocht), het Marsgezicht op een foto van de NASA, Fidel Castro op een Lays-chipje en Moeder Theresa op een kaneelbroodje. Gezichten, gezichten, het wemelt ervan.

Ons brein zit er gewoon op te azen. Zo kun je binnen een willekeurige kronkellijn altijd wel ergens een plek vinden om een oog te tekenen, waarna de hersenen er vrijwel direct een gezicht van maken. En daarna zitten ze aan hun eigen fantasie vast, het gelaat wil niet meer wijken uit die kronkellijn.

Heeft het brein er soms aparte speurneuzen voor in dienst? Ja, beweren sommige hersenonderzoekers. Zij zien het brein als een Zwitsers zakmes met tal van gescheiden functies, en een van de belangrijkste daarvan is het gereedschap om gezichten te herkennen.

In het jargon heet dat gebied de fusiform face area, een pakket neuronen dat vrijwel alleen oog heet te hebben voor gezichten. Sommige van die zenuwcellen zouden zelfs louter oplichten bij specifieke gezichten: dan beschikken we over aparte Mick Jagger- en Paul McCartney-neuronen. En natuurlijk over een koppeltje zenuwcellen voor grootmoeder en grootvader, en de rest van de familie.

Maar volgens andere neurologen is het juist niet des breins om één afdeling geheel vrij te maken voor het identificeren van gezichten. In hun ogen is de boel boven losjes georganiseerd: de hersenen verdikten zich enorm van muis tot mens, en er ontstond wel een zekere taakverdeling, maar geen strikte eilandenstructuur. Kortom, als u Jagger of McCartney ziet, licht een groot deel van uw brein op, en hier wat meer dan daar.

In deze controverse had het zakmeskamp eind vorig jaar een opsteker. De hersenonderzoekster Doris Tsao kreeg van Science een prestigieuze prijs omdat ze had aangetoond dat neuronen in het ’gezichtsgebied’ van het apenbrein tot 50 keer alerter reageerden op gezichten dan op voorwerpen. Zelfs bij het zien van iets wat naar een gezicht neigde – een mooi ronde appel of de wijzerplaat van een klok – begonnen ze al onrustig te worden.

Dus het brein heeft echt een afgebakend legertje cellen met het bordje Gezichten erop. Nee, Doris Tsao heeft een grote duim, meende het andere kamp. Geen neuroloog kan in die grijze klomp boven precies, cel voor cel, de activiteit meten en daarmee de functie vaststellen. En nog wat: bij kenners van paarden (of auto’s) licht de fusiform face area ook op als ze paarden (of auto’s) zien. Waar het hart vol van is, loopt het brein blijkbaar van over.

We beloven uitsluitsel in dit debat, maar over honderd jaar. Nu terug naar de vraag waarom we zo’n oog voor gezichten hebben, in de wieg al: waarom zijn we zulke gelaatslezers? „Omdat het gezicht veruit de meeste informatie bevat.”

Natuurlijk! We knikken bij dat antwoord van prof. Beatrice de Gelder, hoogleraar cognitieve neurowetenschappen in Tilburg en aan Harvard Medical School in Boston. We zijn sociale wezens, maar niet in de zin van gezellige lui: „Nee, in de zin dat we eigenlijk bijzonder weinig alleen kunnen. Voortdurend zijn we aangewezen op medewerking. Op hulp in de wieg, en later in vrijwel elke situatie waarin we terechtkomen. Tot in de auto, of op de fiets, moeten we weten wat de ander van plan is.”

Ons brein kijkt vanuit zorg: „Waarom zien we gezichten in de wolken? Onze gewaarwording is er helemaal op gefinetuned; ons brein tracht aan minimale informatie, uit een gezicht of lichaamshouding, een zo goed mogelijke sociale interpretatie te geven. Ritselt het in het bos, loopt daar iemand? Kijkt ie boos? Evolutionair gezien kun je wel zeggen dat we schrik hebben van slangen, maar we hebben eigenlijk meer schrik van andere mensen.”

En het gezicht geeft ons bloot, het gezicht zegt alles. „Geen wonder dat we ze overal zien”, herhaalt De Gelder. „Is het een man of vrouw? Kijkt het boos, blij of tevreden, kijkt het naar mij, of opzij? Dat zoeken naar de uniciteit ervan kennen we in niets anders. Dat zou ook onzinnig zijn: wil je specifiek déze pen gebruiken, déze appel eten, déze volkswagen rijden of dít theekopje? Je wilt hooguit je eigen bril!”

„Maar dan dat unieke, multifunctionele gezicht, dat alles vertelt. De hersenen van aap en mens speuren er voortdurend naar: om voorbereid te zijn op wat komen gaat. En wellicht zijn we elkaar meer in het gezicht gaan kijken toen we ons ooit rechtop gingen voortbewegen, in de Savannen. Op vier poten is dat lastiger.”

Vooral rechtopgaande apen zijn er dus meesters in geworden. Maar hoe lezen we gezichten? Tja, hoe haal je adem? Een betere vraag is misschien: wat zie je nu precies niet als je geen gezichten kunt zien?

Hier houden de hersenbespiegelingen op, want zo ver reikt de breinkennis bij lange na nog niet. Simpel mensenbegrip wel: als je geen gezichten herkent, kun je een film niet volgen en waar je op een krantenredactie rond in een onpersoonlijke menigte. Je ruikt een bekend parfum, herkent de logge gang van iemand, of diens schaterlach, maar zijn gezicht.

Dat moet raar zijn. Maar is het niet: één keer per week meldt zich bij prof. De Gelder een gezichtsblinde. Vijftien jaar terug was dit een verbazingwekkende mededeling geweest. Zoek eens naar het begrip prosopagnosia – gezichtsblindheid – in de neuroboeken van voor die tijd. Aanvankelijk werd het vooral bekend als bijkomende handicap van mensen met hersenletsel, na een infarct of ongeluk. Maar inmiddels wordt duidelijk dat vele mensen al vanaf hun geboorte nimmer of heel moeizaam een dame in de wolken zagen.

De Gelder: „Mogelijk blijkt dat drie tot acht procent van de mensen moeite heeft met gezichtsherkenning, afhankelijk van de ernst ervan. Dat percentage is vergelijkbaar met dat van dyslexie. Moet je nagaan: toen wij onze eerste studie publiceerden over mensen die al vanaf hun kinderjaren gezichtsblind zijn, waren er nauwelijks tien gevallen van bekend.”

Maar nu blijken het er velen. Even terug naar de neurologie: zou het kunnen dat het gezichtsgebied boven het niet goed doet? „Nee! Dat reageert ogenschijnlijk geheel normaal.”

Een gezichtsblinde weet ook wel of iets een gezicht is of niet. De Gelder: „Maar zo iemand herkent de ene configuratie van ogen-neus-mond-kin niet als anders dan een andere. Vergelijk het met de vaardigheid van een schaakspeler. Naarmate hij beter is, kan hij in één blik een stelling doorgronden. Hij kijkt eerst in het groot, daarna in het detail. Daartoe moet hij erg veel stellingen opslaan.”

„Daar zit iets paradoxaals in. Hoe meer schaakstellingen, of gezichten, je hebt opgeslagen, hoe meer je erbij kunt nemen. Blijkbaar ontwikkelt de grootmeester daardoor een soort software waarmee hij routinematig, onbewust, de kleinste verschillen opmerkt. Hoe meer gezichten in je brein, hoe gemakkelijker je ze herkent en nieuwe onthoudt.”

Zo leren de hersenen van zichzelf, en dat geldt van mens tot rat. „Hoe meer je weet, hoe sneller je leert”, kopte Science op 5 april. Ratten werden getraind om geuren te verbinden met variërende lokaties waar iets lekkers te halen viel. Het duurde enige tijd voor ze die verbanden in hun kop hadden, maar eenmaal ermee vertrouwd, onthielden ze razendsnel nieuwe geur-plaatscombinaties en haalden er subiet hun beloning op. „We ontleden nieuwe informatie op basis van oude schema’s”, concludeerde de geheugenexpert Larry Squire in Science. In 1932 had de psycholoog Frederic Bartlett dat al voorspeld.

Maar blijkbaar lukt het niet iedereen zoveel gezichten op te slaan, om daarmee weer nieuwe te onthouden. Hoe komt dat? De Gelder: „Dat wordt speculeren. Mogelijk beschikken deze mensen over minder gezichtsneuronen of zijn die neuronen minder gevoelig voor gezichten. Zenuwcellen zijn nooit honderd procent selectief voor één ding, voor konijnen bijvoorbeeld. Maar ze hebben wel een voorkeur en wellicht is die van gezichtsneuronen soms beperkt. Kwestie van aanleg, denk ik. Voor een scherp muzikaal gehoor moet je ook de neuronen hebben. Of voor kleurverschillen: sommigen zien ze amper, voor hen is alle rood hetzelfde rood.”

Toch merkwaardig: we beginnen nu pas te ontdekken dat millennia lang miljoenen mensen meer of minder blind zijn geweest voor gezichten. Een raadsel.

„Nee hoor. Als je van kind af aan gezichtsblind bent, bedien je je van allerhande instrumenten om belangrijke mensen om je heen te herkennen. Menig gezichtsblinde heeft aan het geritsel van iemands sleutelbos genoeg. Daarbij hoef je eigenlijk ook niet zoveel gezichten te herkennen. Het is een beperkte sociale handicap.”

Anders is het als je op latere leeftijd totaal gezichtsblind wordt, zoals een patiënt van De Gelder aan Harvard Medical School in Boston. Als 21-jarige kreeg L.H. een ongeluk. Later trouwde hij: „Maar het gezicht van zijn vrouw en kinderen heeft hij nooit gezien. Hij wijst zo naar waar het hoort te zitten, alleen al door de kleurnuances. Maar meer dan een ongestructureerde brei neemt hij niet waar.”

Voor hem moet sindsdien pijnlijk duidelijk zijn geworden hoe ons brein zich gewoonlijk op de automatische piloot tussen de oude bekenden en nieuwe gezichten begeeft. En met een vanzelfsprekendheid waar we geen flauw benul van hebben.

Want vraag ons niet hoe iemands gezicht eruit ziet: „Fidel Castro heeft een baard en Richard Nixon een zware onderkin. Als we moeten gaan zeggen hoe we een gezicht herkennen of wat we erin zien, dan komen we niet ver. Onze visuele waarneming is zoveel sneller dan de taal. Daarbij gaan we af op onze intuïtie, op gutfeelings. Vertrouw altijd op je eerste impressie, houden wij mensen daarom bij gezichtstraining voor.”

Dat deden de prille hersenen van dat kind in de wieg ook al. Woorden zijn maar nakomertjes in de evolutie. Schapen lezen geen boek maar herkennen met het grootste gemak hun kuddegenoten. Het brein is er van oudsher een vakman in, tot er iets tussen de raderen komt. Hoe wonderlijk de hersenen dan de weg kwijt kunnen raken, bewijzen twee beroemde boeren uit de neuroliteratuur: na een hersenaandoening herkende een van hen zijn koeien niet meer, maar nog wel de medemens. De andere boer ontwikkelde een buitengewoon scherp oog voor zijn runderen, maar hij kon geen vriend meer thuisbrengen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden