Eeuw der revoluties

'Het is te danken/wijten aan de jaren zestig en zeventig.' Deze zomer publiceert Letter & Geest historische documenten uit dit tijdperk. Met o.a. Jacques de Kadt, Roel van Duijn en Joke KoolSmit. Vandaag Anton Constandse, die in 1967 in De Gids schreef over revolutie: 'Dit neemt niet weg, dat de Russische omwenteling inspirerend heeft gewerkt op de revolutionairen in OostEuropa, Azië, Afrika en LatijnsAmerika'.

De Russische Revolutie was ongetwijfeld de grootste Europese omwenteling na de Franse Revolutie en in haar nawerking van ongekende internationale betekenis. Vandaar dat zij mede de stoot gaf tot een reeks stormachtige bewegingen die in andere werelddelen tot de val leidden van verouderde regimes en die aan het vuur van de opstand nieuw voedsel hebben gegeven. Ook al is nog slechts tweederde van de twintigste eeuw verlopen, toch kan er weinig twijfel aan bestaan dat zij geboekstaafd zal worden als de eeuw der revoluties. In dit verband is het jaar 1917 een symbool.

In feite was de eerste sociale omwenteling van deze periode juist geëindigd, toen in Rusland het tsarisme instortte. In 1910 was immers in Mexico de revolutie begonnen, die in 1917 eindigde met de invoering van een zeer radicale grondwet. Men moet thans, vijftig jaar later, erkennen dat de doeleinden daarvan nog slechts in schrale mate zijn verwezenlijkt. Maar wanneer deze felle en vaak wrede strijd om de macht in Europa had plaatsgevonden, had men stellig gesproken van een voorfase der Russische omwenteling. Op het programma der Mexicaanse rebellen stonden de verdeling van het grootgrondbezit, de onteigening der kerkelijke goederen, de nationale exploitatie van de bodemrijkdommen en de verheffing van de guerrillalegers tot de strijdmacht van de staat. Zelfs de vorming van dorpsgemeenschappen van kleine boeren op staatsgronden, behoorde tot de idealen van de stichters van de nieuwe staat.

En hoe vaak deze ook is gecorrumpeerd, hoevele reactionaire stromingen hem in zijn verdere evolutie hebben belemmerd, welk een macht ook de Noordamerikaanse buurstaat zou uitoefenen, het was de oorspronkelijke Mexicaanse revolutie die in Cuba de zegevierende opmars van Fidel Castro zou inspireren. Het gevoel van verwantschap met de Russische communisten heeft bij jonge intellectuelen en kunstenaars van LatijnsAmerika altijd wel bestaan. Maar zij waren ideologisch niet van Moskou afhankelijk, en hebben dit ook herhaaldelijk getoond.

In Mexico voltrok zich de eerste grote omwenteling in 'een semi-feodaal land met een kapitalistische façade', welke laatste was aangebracht door buitenlandse ondernemingen die solidair waren met de grootgrondbezitters, de geestelijkheid en de militaire kasten. Sindsdien is de voedingsbodem voor de revoluties niet veranderd: zij hebben zich niet voorgedaan in de ontwikkelde kapitalistische landen met een eigen nationale bourgeoisie en een hoogwaardig industrieel proletariaat. De motor die ze voortstuwde was een agrarische arbeidersklasse, versterkt met arme boeren en geleid door theoretisch geschoolde intellectuelen. In Rusland, Joegoslavië, Albanië, China, Vietnam, Algerije en Cuba zijn het deze krachten geweest, die sedert 1917 een nieuwe orde hebben ingevoerd. Het is opmerkelijk dat alleen in Rusland de macht onmiddellijk schijnt te zijn veroverd in de steden, terwijl die in de andere landen pas aan het einde van een min of meer langdurige guerrilla werden bezet.

Maar men mag niet vergeten, dat de bolsjewistische partij de Russische revolutie niet heeft verwekt. Zij was de erfgename van de macht die op het platteland reeds was gevormd door het agrarische proletariaat, dat in het voorjaar van 1917 al was begonnen het grootgrondbezit te verdelen en dat door massale muiterij en desertie de instorting van de tsaristische legers had bezegeld. Vooral de sociaalrevolutionairen die hun socialisme niet op de leer van Marx, maar op het ideaal van de dorpscommunes hadden gebaseerd hadden deze omwenteling bezield. Zij waren de coalitiegenoten van de bolsjewiki in de regering die in november 1917 werd gevormd.

In de steden echter beheersten de linkse marxisten de situatie; zij namen onmiddellijk de leiding van de nog overgebleven strijdkrachten, zij schiepen snel een nieuwe politieke politie (de tsjeka). In juli 1918 werd de gehele beweging der sociaalrevolutionairen buiten de wet gesteld, en kleinere groepen (zoals de anarchisten) zouden hetzelfde lot weldra delen. Nadat de dictatoriale staat voldoende verstevigd was, ging de regering in 1928 over tot de gedwongen en soms gewelddadige collectivisatie van de kleine boerderijen.

De staat bleek inderdaad het machtigste instrument tot vestiging van het nieuwe gezag. Maar de hefboom van de revolutie waren de sovjets, de raden van arbeiders, boeren of soldaten. De leuze 'Alle macht aan de sovjets' was in het gehele land populair. Wanneer men zich beriep op een voorbeeld uit het verleden, was dat de commune van Parijs van 1871. En daarin was het anarchistische element sterker geweest dan het marxistische. Nochtans had Marx in zijn Bürgerkrieg in Frankreich de toenmaals verplichte hulde gebracht aan deze commune, die de staat wilde vervangen door een federatie van gemeenteraden die het bedrijfsleven moesten socialiseren. In deze studie sprak Marx ook van de 'dictatuur van het proletariaat', dat immers rechtstreeks, door verkiezingen binnen de eigen kring, de macht uitoefende over de produktiemiddelen en de politieke organen. In deze situatie vond de term 'democratisch centralisme' haar oorsprong: de commune was autoritair jegens haar klassevijanden, maar intern democratisch. Vandaar dat Marx gewaagde van 'verovering der democratie'.

Zo groot was de invloed van de Russische sovjets in 1917, dat Lenin zijn Staat en revolutie schreef, waarin het 'afsterven van de staat' in uitzicht werd gesteld nadat eenmaal een dictatuur van het proletariaat zou zijn gevestigd. Aldus kon het marxisme theoretisch worden verzoend met de spontane schepping der sovjets en konden ook de bolsjewiki de leuze van 'Alle macht aan de sovjets' ondersteunen. In de praktijk echter moesten de sovjets de nieuwe regering dienen in plaats van haar te beheersen. Weldra bleek dat 'alle macht aan de partij' een juistere omschrijving zou zijn geweest van het doel der bolsjewiki. Ook dit beginsel was niet waarlijk marxistisch. Hoe dictatoriaal Marx en zijn aanhangers in de Eerste Internationale ook hadden gepoogd hun opvattingen aan anderen op te leggen, in de theorie was 'dictatuur van het proletariaat' geenszins identiek met het monopolistische gezag van één enkele partij.

Zo komt men tot de conclusie dat het bolsjewisme, eenmaal aan de macht, slechts in een verwijderd verband stond tot het marxisme. De door Marx gestelde voorwaarden voor het socialisme: een ontwikkeld kapitalisme met een uitgebreide industriële arbeidersklasse die de bourgeoisie kon onteigenen, waren niet voorhanden. Evenmin was sprake van een 'dictatuur van het proletariaat'. Maar waar de door Marx vereiste voorwaarden wel aanwezig waren, daar was geen sprake van een revolutionaire mentaliteit. De modernste nijverheid, met concentratie der bedrijven en accumulatie van het kapitaal; een toenemende verproletarisering van het volk dat overwegend arbeidt in loondienst; een sterke beperking van de zelfstandige middenklassen; dienstbaarheid van de staat aan de belangen van de enorme concerns, dat alles is veelvuldig voorhanden, ook in de kapitalistische democratieën, zonder dat sprake is van een revolutionaire mentaliteit der werknemers. Zij zijn niet verpauperd, maar ontvangen hun deel van een vruchtbaar produktiesysteem. Zij verburgerlijken naarmate materiële behoeften bevredigd kunnen worden. Niet in WestEuropa of NoordAmerika (waar ook de negers met hun felle klassenstrijd het kapitalisme niet zullen torpederen) zijn revolutionaire verwachtingen vervuld, maar in semifeodale, agrarische gemeenschappen van Azië, Afrika en Latijns-Amerika.

Het analyseren van dit verschijnsel gaat ons bestek te buiten. Wél kunnen wij opmerken, dat het bolsjewisme de nietaanwezige voorwaarden voor het socialisme heeft geschapen. De communisten hebben een vorm van monopolistisch staatskapitalisme ingevoerd, waarin aanvankelijk het proletariaat evenzeer 'vervreemd' is van de produktiemiddelen als in het particuliere kapitalisme. De staat vervult in feite de rol van de bourgeoisie in het Westen. De theorie van de klassenstrijd is echter van groot nut om privéeigenaren uit te schakelen. De beperking van het verbruik om grote kapitalen te investeren in de industrie, wordt eerder aanvaard dan wanneer zulke offers gebracht zouden moeten worden ter wille van particuliere ondernemers. Kortom: met de marxistische terminologie kan een maatschappij worden opgebouwd die nog geenszins socialistisch is, maar die wel in de lijn ligt van de evolutie der civilisatie. Met het verdwijnen van het instituut der zelfstandige ondernemers gaat ook een stuk vrijheid der burgers verloren. Maar Rusland had nimmer democratie gekend en wat betekent vrijheid, als de bevrediging der allereerste behoeften (aan werk, voedsel, technische ontwikkeling) de meest dringende eis is?

Zo is de Russische revolutie een voorbeeld geworden voor andere semi-feodale gebieden en minder ontwikkelde landen. Lenin en Stalin hebben die navolging indirect bevorderd. Lenin zocht naar middelen om althans de aanvalskracht van de kapitalistische staten te verzwakken. Hij vond die in het aanwakkeren van het nationalisme der gekoloniseerde volkeren in Azië, Afrika en ZuidAmerika. Stalin vestigde zijn hoop evenzeer op de 'burgerlijke' nationalisten der minder ontwikkelde gebieden (in China bij voorbeeld op Tsjang Kaisjek) als op de communisten. Het dekolonisatieproces heeft in een aantal landen inderdaad conservatieve nationalisten aan de macht gebracht. Maar in deze nu onafhankelijke staten heeft de SovjetUnie bij velen de reputatie behouden antiimperialistisch en antikolonialistisch te zijn. En de linksradicale politieke krachten vragen zich daar af, in hoeverre zij het voorbeeld van de SovjetUnie (toch ook eens een minder ontwikkeld land) kunnen navolgen. Daaraan is het succes te danken geweest van de communisten van Joegoslavië, Albanië, China, Vietnam, die allen begonnen zijn met bewondering voor het Russische experiment.

De weerstanden die Moskou heeft opgeroepen bij zijn eigen bewonderaars, spruiten voort uit zijn innerlijke tegenstrijdigheden. Het marxisme is gebaseerd op de overtuiging dat het kapitalisme zal wijken voor het socialisme door internationale klassenstrijd. In de Sovjet-Unie echter is het nationale belang begrijpelijkerwijze sterk onderstreept. Het is aannemelijk dat radicale socialisten in Azië, Afrika en LatijnsAmerika in de Sovjet-Unie geen revolutionaire factor meer zien.

Een tweede oorzaak van kritiek op de Sovjet-Unie ligt in de wrijving tussen de partijleiding en de gewone leden in de bedrijven. De laatsten zijn onder het stalinisme vrijwel machteloos geweest en hun zeggenschap is nog niet groot. In Joegoslavië echter is de macht van de arbeidersraden na 1950 steeds meer toegenomen. En merkwaardig genoeg wordt de Chinese 'culturele revolutie' mede gekenmerkt door pogingen de massa direct te betrekken bij het beheer der produktiemiddelen.

In elk geval heeft Moskou de leiding verloren over 'het socialistische blok'. Dit neemt niet weg, dat de Russische omwenteling inspirerend heeft gewerkt op de revolutionairen in OostEuropa, Azië, Afrika en LatijnsAmerika, ook wanneer deze nu de politiek der Russische communisten bekritiseren. Industriële socialisatie en agrarische collectivisatie zijn met de daarbij passende ideologie niet meer weg te denken uit het beeld dezer eeuw. Op de revoluties der toekomst zal het Russische experiment van invloed blijven, voor hoeveel wijzigingen en verbeteringen dit dan ook vatbaar is.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden