EERSTEGRADERS

Jarenlang stond het bekend als niet politiek correct: suggereren dat er kwaliteitsverschil gaapt tussen een academicus die voor een VWO-klas staat en de docent die, hoewel ook eerstegrader, geen academicus is. Maar langzaamaan lijkt dat opeens weer gezegd te mogen worden. Een rector-magnificus van een universiteit doet het in ieder geval, een visitatiecommissie ook en nu weer een beroepsvereniging. Is er nog ruimte voor twijfel?

Brussaard: “Er staan in het VWO steeds minder academisch gevormde leraren voor de klas. Dat heeft gevolgen voor de keuzen die leerlingen maken. Een leraar die zelf heeft geproefd aan het doen van onderzoek kan natuurlijk veel beter zijn enthousiasme op de leerlingen overbrengen. Het lijkt ons noodzakelijk dat er academische gevormde leraren voor de klas staan in de bovenbouw van het VWO.”

Een paar weken eerder, toen de universitaire wiskunde-opleidingen door een visitatiecommissie tegen het licht werden gehouden, liet die ook al zoiets horen. Een academisch gevormde docent wiskunde, was hier de redenering, zou zelfs regelrecht meer leerlingen enthousiast krijgen om dat vak te gaan studeren.

Dat dat goed zou uitkomen, wijzen de tellingen uit. Het aantal eerstejaars wiskunde is, net als dat van veel andere exacte en technische vakken, daalt overal in Nederland. Ooit kwam dat, doordat de (toen nieuwe) studierichting Informatica nogal wat eerstejaars wegzoog. Na een paar jaar hield die zuigkracht op, en steeg het aantal eerstejaars weer. Die groei is er bij de eerstejaars wiskunde nu andermaal uit.

De kelderende animo voor een exacte studie is absoluut niet typisch voor Nederland: in veel westerse landen trekken jongeren naar studies waar met minder moeite meer geld kan worden verdiend. Naar economie, bij voorbeeld. Dat de verkenningscommissie economie (geleid door oud-premier Lubbers) twee weken geleden zei dat die opleiding zwaarder moest worden (door de scheiding met de wiskundiger studie econometrie te schrappen), zal in het beta-deel van wetenschappelijk Nederland dan ook tevreden zijn aangehoord.

Twee jaar geleden uitte de rector-magnificus van de Tilburgse universiteit, L. de Klerk, bij het 75-jarig jubileum van de Onderwijsraad een geluid dat in de verte leek op de sores van de natuur- en wiskundigen - al ging het hem niet om een speciaal vak. Volgens De Klerk kunnen docenten met een HBO-opleiding leerlingen niet goed voorbereiden op een wetenschappelijke studie, omdat ze zelf een academische achtergrond missen. Op school moet een leerling een vak niet alleen op een bepaald niveau krijgen, maar hij of zij moet ook worden voorbereid op 'een bepaalde manier van denken', op een 'kritische houding', en op zelfstandigheid. Dat zijn de kwaliteiten die de universiteit volgens hem vraagt.

Als waar is wat Brussaard, Lopes Cardozo, de visitatiecommissie wiskunde en De Klerk zeggen, dan heeft Nederland een lelijk probleem. Want slechts een enkele VWO-afdeling - neem bij voorbeeld het Rijnlands Lyceum in Oegstgeest - heeft vrijwel alleen academici voor de klas staan. “Op ruim honderd docenten zijn er hier geloof ik een of twee met een MO B-akte”, zegt rector drs. ('maar niet fanatiek') A. Vaessen. Zijn verklaring voor die situatie: docenten met een MO B-opleiding zouden schaars zijn.

Op veel andere VWO-scholen is de verdeling tussen academici en niet-academici ongeveer half om half. Dat is ook het beeld van de landelijke statistiek. Van de ruim 29 000 docenten met een eerstegraads bevoegdheid die er in 1993 in Nederland waren, waren er ruim 13 000 doctorandus of ingenieur, hadden bijna 12 000 een MO B-akte, en hadden zo'n 4 500 anderen een ander eerstegraads-diploma. In de toekomst, mag je aannemen, keldert het aantal academici voor de klas. Verse doctorandussen halen immers nog maar zelden hun lesbevoegdheid, sinds die opleiding een vol jaar beslaat. Vroeger kostte het een paar maanden om die 'pedagogische aantekening' te halen.

Het onderscheid tussen academici en niet-academici is in de leraarskamer een van die gevoelig liggende, mistige statuskwesties waarover niemand graag met z'n naam erbij het achterste van de tong laat zien. De kwestie is te vergelijken met ander statusleed, zoals 'wel of geen eigen lokaal', of 'wel of geen vaste plek in de docentenkamer.'

In het werk van schrijver Jan Siebelink, de enige chroniqueur van het voortgezet onderwijs die de Nederlandse literatuur rijk is, zijn er kleine, benauwende parels te vinden over het informele belang van een doctorandustitel.

Neem het verhaal 'Ereprijs', uit de bundel 'Laatste schooldag'. Dat is het verhaal van Oscar Kristelijn, bijna klaar met zijn MO B Frans en pas begonnen op 'het Willem de Zwijger College':“Ralf (..) zei dat zijn vrouw in de vakantie jarig was geweest. Ze wilden dat volgende week met enkele goede vrienden vieren. Hij nodigde ook Oscar en zijn vrouw uit. Oscar gevleid natuurlijk. Ralf die hem uitkoos voor een partijtje met een select gezelschap vrienden. Ralf die in Amsterdam aan de universiteit Engels had gestudeerd. Een doctorandus! Ook iemand die tijdens de openingsvergadering vaak het woord had gevoerd en zelfs het beleid van de staf had durven kritiseren. Daar zou Oscar nooit de moed voor hebben; hij keek tegen alle gezag op. Oscar antwoordde dat hij heel graag met Laura wilde komen, dat zijn moeder op de kinderen zou kunnen passen. Ralf zei ook nog dat Oscar altijd welkom bij hem was, behalve op dinsdagavond, want dan had hij de 'Lions'.”

Met zoiets plats als geld heeft het statusverschil tussen een academicus en een andere eerstegraads-docent niets te maken: ze zitten in dezelfde salarisschalen: 10, 11 en 12. Bij een full-time baan verdienen ze dus maximaal zo'n zes-, zeven- of achtduizend gulden bruto per maand. Het jaar waarin iemand leraar werd maakt veel meer uit: wie vòòr het salarisakkoord van 1985 docent werd, verdient aanzienlijk beter dan wie nadien het onderwijs in ging.

Maar dat akkoord treft academici en niet-academici even hard. “Er is op zich natuurlijk wel een onderscheid te maken”, zegt drs. H. Bakker, plaatsvervangend rector van het Ichthus College in Enschede. Zijn school met 1850 leerlingen heeft zo'n 150 docenten, van wie de helft academicus is en de andere helft niet. “Je hebt ontzettend schoolse docenten, die niet verder kijken dan het eigen vak, en je hebt mensen met een bredere blik. Er is er ook een onderscheid tussen bevlogen en niet bevlogen. Maar het is echt onzin om te denken dat die scheidlijnen parallel lopen met 'academisch gevormd' of niet. Dat is simpelweg onjuist.”

“Ik zie wel een verschil tussen mensen die echt voor het onderwijs hebben gekozen, en mensen die er toe veroordeeld zijn. Wie talen heeft gestudeerd, oude of moderne, of geschiedenis, is veroordeeld tot het onderwijs. Voor economen en exacte mensen geldt dat niet. Als zo iemand het onderwijs in gaat, heeft hij er echt voor gekozen. Voor wie een alternatief heeft, geldt al gauw dat het onderwijs niet goed genoeg betaalt. Ik kan me best voorstellen dat wis- en natuurkundigen zoeken naar een oorzaak waarom er zo weinig eerstejaars meer komen. Maar de verklaring is niet dat ze op school geen les hebben gehad van een academicus. Kom zeg.”

“Ik zég niet dat niet-academici geen enthousiaste docenten kunnen zijn”, zegt Brussaard, “maar feit is dat ze nooit hebben geroken aan het onderzoek. Wie dat als student wel heeft, ook al was dat maar kort, kan z'n leerlingen duidelijk maken dat er na de schoolstof nog een heleboel komt dat onderzocht kan worden. Dat zijn moeilijk te meten effecten, en ik geef toe: het is nooit onderzocht. Maar het is óók nooit bewezen dat al die docenten met een HBO-opleiding, waar meer didaktiek in zit dan in de universitaire, nou zo veel betere docenten zijn.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden