Eerste test voor het oorlogsrecht

Moordpartijen, gifgasaanvallen en volgens sommigen de eerste genocide uit de geschiedenis. Verontwaardiging over onbestrafte misdaden tijdens de Eerste Wereldoorlog gaf het internationaal recht een impuls.

Nooit eerder was een conflict zo hevig of zo wreed als de huidige Wereldoorlog'. Met die stelling opent de Duits-Zwitserse forensisch expert Archibald Reiss zijn boek 'Schendingen van de regels en wetten van oorlog'. Deze opsomming van oorlogsmisdaden, begaan door de Bulgaarse, Oostenrijkse en Duitse troepen op de Balkan leest als een dossier zoals ze tegenwoordig worden ingebracht bij het Internationaal Strafhof, de permanente wereldrechtbank in Den Haag. Met foto's, getuigenissen en bevelsbrieven van commandanten wil Reiss aantonen dat de centrale mogendheden structureel het oorlogsrecht schonden.

Dat oorlogsrecht was nieuw. Veel landen tekenden ervoor in de Haagse Conventies van 1899 en 1907, en de Eerste Wereldoorlog was de eerste grote test voor deze afspraken. Die faalde jammerlijk: een invasie zonder oorlogsverklaring in België, de executie van krijgsgevangenen, de inzet van gifgas, het bombarderen van burgerdoelen, plundering... Het was allemaal plechtig verboden in Den Haag, maar was in tussen 1914 en 1918 aan de orde van de dag.

undefined

Vodjes papier

De Haagse Conventies waren volgens de preambule 'ingegeven door het oprechte verlangen te werken voor behoud van vrede'. Maar de deelnemers werden het niet eens over een mechanisme om de beloftes ook af te dwingen. Weliswaar riepen de protocollen een hof van arbitrage in het leven, maar dat was bedoeld om oorlogen te voorkomen, niet om regels te handhaven als de strijd eenmaal was losgebarsten. Er was zelfs geen instantie die onafhankelijk onderzoek deed naar schendingen.

Dat maakte dat landen zelf probeerden om hun morele recht te halen. Reiss deed zijn onderzoeken op uitnodiging van de Servische regering, die de misdrijven van de vijand op de agenda wilde zetten.

Met open brieven zocht hij de publiciteit in neutrale landen; hij stuurde ze aan De Telegraaf en aan de Gazet van Lausanne in Zwitserland, de stad waar hij ook aan de universiteit doceerde. Zijn klacht klinkt een eeuw later - deprimerend genoeg - bekend: 'De Duitsers en hun vrienden...beschouwen deze wetten en conventies als vodjes papier.'

Hoe weinig waarde de afspraken in de praktijk ook hadden, toch hadden de strijdende partijen voor het eerst een norm om het gedrag van de vijand aan te toetsen. Wat voorheen subjectieve verontwaardiging was, werd nu ook gedocumenteerd met een beroep op de wet.

Reiss nam als forensisch expert die taak uiterst serieus. Typerend is bijvoorbeeld de gedetailleerde manier waarop hij beargumenteert dat een Duits bombardement op een veldhospitaal van het Rode Kruis in 1917 met opzet moet zijn gebeurd: 'De tweede bom viel in de tent met het röntgenapparaat naast de operatietent. De afstand tussen de eerste en tweede bom was 14.60 meter.'

Vervolgens stapt Reiss in een vliegtuig om te controleren of het Rode Kruis-embleem wel zichtbaar was voor de vijandige piloten. 'Hoewel er een lichte bewolking hing, waren de twaalf rode kruizen uitstekend te zien met het blote oog. Daaraan moet worden toegevoegd dat op de dag van het bombardement hun zichtbaarheid heel veel groter moet zijn geweest, want dat was een schitterend heldere dag.'

undefined

Meer dan propaganda?

Die trend om beschuldigingen van oorlogsmisdaden grondig te documenteren was wijdverbreid. De oorlogvoerende partijen wilden zich immers verweren tegen verwijten van pure propaganda. Geruchten van misdaden die de vijand beging werden genoteerd in droge rapporten, waarin emotionele oproepen werden gemeden. In plaats daarvan werd liever gerefereerd aan de Haagse conventies.

Dat wil niet zeggen dat de documentatie altijd professioneel en objectief was. Onderzoekscommissies hadden een wisselende mate van geloofwaardigheid. Sommige werden later gekraakt om hun methodes.

Groot-Brittannië gaf in december 1914 het Hogerhuislid James Bryce opdracht om onderzoek te doen naar Duitse misdrijven tegen de burgerbevolking in België. Premier Asquith koos Bryce juist uit vanwege zijn sceptische houding tegenover de geruchten van wreedheden die de Duitse bezetter zou hebben begaan.

Bryce ging omzichtig te werk. Suggestieve vragen aan getuigen waren verboden, en verschillende getuigenissen werden met elkaar vergeleken. Het resultaat was een rapport vol nuance, maar ook met gruwelijke verhalen over willekeur, vermoorde zuigelingen en verkrachtingen. De Britse overheid verspreidde het verslag prompt, vooral in de nog neutrale Verenigde Staten, waar Londen hoopte sympathie te winnen voor de strijd in België. De New York Times bekritiseerde de droge stijl van Bryce - 'geschreven alsof het aan rechters is gericht, en niet aan een jury' - maar was des te meer overtuigd: 'Verdere discussie is onmogelijk.'

Het rapport is sindsdien door veel onderzoekers afgebrand. Al liet de commissie 1200 getuigen horen, geen van hen sprak onder ede. Historici die het dossier wilden inzien kregen nul op het rekest. Het Britse nationaal archief hecht onderhand weinig waarde meer aan het rapport.

Het Bryce-rapport werd zelfs spreekwoordelijk voor propaganda. In 2011 loofde een organisatie die zich de Brycestichting noemde sarcastisch een 'Bryce Memorial Award' uit voor oorlogsgruwelenpropaganda. (De bedenkelijke eer ging naar tv-zender Channel 4 voor zijn verslagen over de oorlog in Sri Lanka).

De Duitsers hadden direct na het verschijnen van het rapport al een uitgebreid weerwoord. In een 'witboek' in 1915 erkende Duitsland een deel van de beschuldigingen, maar wees het land ook op overtredingen van het oorlogsrecht die de Britten en Belgen zelf hadden begaan. De propaganda-oorlog, een fenomeen van alle tijden, werd voortaan gevoerd met juridische teksten in de hand.

Die propagandastrijd woedde al helemaal rond de inzet van gifgas. Er was Duitsland veel aan gelegen om niet de eerste te zijn die deze recent verboden wapens inzette. Toen het land eenmaal grootschalig gifgas inzette, in de slag bij Ieper in 1915, kwam Berlijn direct met de bewering dat Frankrijk dergelijke wapens al eerder had ingezet. Bovendien redeneerde Duitsland dat de Haagse Conventies alleen projectielen met gifgas verboden, terwijl bij Ieper gifgasvaatjes werden geopend.

Hoe pril ook, er werd gediscusseerd over oorlogsrecht. Dit zette de toon voor een debat dat in de eenentwintigste eeuw nog altijd volop bezig is.

undefined

De misdaad der misdaden

'Deportatie en uitwassen tegen vreedzame Armeniërs nemen toe en uit hartverscheurende verslagen van ooggetuigen ontstaat de indruk dat een campagne van rassenvernietiging aan de gang is, onder het mom van vergeldingsmaatregelen tegen rebellie.'

Het telegram uit juli 1915 van de Amerikaanse ambassadeur Henry Morgenthau in Istanbul is een mijlpaal in de geschiedenis van het internationaal recht. Na een mislukte opstand onder de Armeense bevolking in het oosten van het Ottomaanse Rijk greep het regime van de sultan ongekend hard in. Hele Armeense dorpen werden op transport gezet naar de Syrische woestijn. Ze zouden in kampen worden ondergebracht die in werkelijkheid vaak niet bestonden. Weerbare mannen haalden dat transport vaak niet eens. Ze werden door soldaten direct vermoord. Volgens de officiële Turkse lezing vielen er 300.000 doden. De hoogste schattingen, inclusief mensen die onkwamen door honger en andere ontberingen, lopen op tot zo'n anderhalf miljoen slachtoffers.

Morgenthau meende dat er hier iets anders aan de hand was dan het moorden dat die lente overal in Europa aan de gang was. Armeniërs werden doelwit vanwege hun afkomst, en het einddoel van de Ottomaanse machthebbers was volgens hem het vermoorden van iedere Armeniër op aarde. "Dit was echt een nieuwe methode van bloedvergieten", zei hij later. Het was de kiem van het begrip genocide zoals wij het kennen.

Morgenthau's opvatting is nog steeds controversieel. De Armeense genocide is in Frankrijk als begrip bij wet beschermd, in Turkije is het juist verboden. Een verbod op het beledigen van de Turkse natie is meermalen ingezet om schrijvers de mond te snoeren die het bloedbad aankaartten.

De impact van het ontstaan van genocide als juridisch begrip op het internationaal recht is nauwelijks te overschatten. Het idee dat volkerenmoord anders is dan andere bloedbaden werd na de oorlog overgenomen door Raphael Lemkin, een jonge Poolse student. Het inspireerde hem om zijn studie taalkunde in te ruilen voor een studie rechten en te ijveren voor een speciale juridische aanpak van genocide: 'Soevereiniteit kan niet geïnterpreteerd worden als het recht om miljoenen onschuldigen te doden.'

Dat principe werd in 1949 vastgelegd in de Genocide Conventie. Vrijwel alle landen hebben zich daarmee verplicht om genocide, waar dan ook op aarde, te voorkomen, en om daders te straffen. Dat leidt ertoe dat slachtoffers er veel aan gelegen is om bloedbaden als genocide erkend te krijgen, en daarom doen de partijen die ervoor aansprakelijk kunnen worden gehouden alles om de term te mijden.

Ook erkenning van genocides in het verleden weegt zwaar. Het heeft niet altijd concrete gevolgen, maar het stigma is groot. Daarom sprak het Servische parlement bijvoorbeeld in 2010 zijn spijt uit wegens de gebeurtenissen in Srebrenica 'zoals vastgesteld door het Internationaal Hof van Justitie'. Dat hof stelde vast dat 'Srebrenica' een genocide was, maar het woord haalde de Servische eindtekst niet. Het lag te gevoelig.

Samantha Power, de huidige Amerikaanse ambassadeur bij de Verenigde Naties, noemt het in een gelijknamig boek 'een probleem uit de hel'. Juist omdat er een consensus ontstond dat genocide een universeel misdrijf is dat iedereen aangaat, kwam er aarzeling om een moordpartij als dusdanig te bestempelen.

Dat begon allemaal in 1915: 'De gebrekkige Amerikaanse reactie op de Turkse verschrikkingen zette een patroon in dat herhaald zou worden. Keer op keer aarzelde de Amerikaanse overheid om haar neutraliteit overboord te gooien en een staat aan te spreken op zijn gruweldaden.'

Die houding gold niet alleen voor de Verenigde Staten. In veel opzichten was 1915 een deprimerende primeur; veel verontwaardiging, met weinig daadkracht.

De geallieerden - Frankrijk, Engeland en Rusland - beschuldigden het Ottomaanse Rijk van een misdaad tegen de menselijkheid, waarvoor de machthebbers in Istanbul persoonlijk verantwoordelijk waren. Maar het zwaartepunt van de oorlog lag voor de geallieerden aan het Belgisch/Franse front. Armenië was heel ver weg.

Na de oorlog stelden de geallieerden wel een 'commissie van verantwoordelijkheden en sancties' in die de oorlogsmisdaden van de verliezers moest onderzoeken. Maar juist van het berechten van de verantwoordelijke personen kwam weinig terecht. Die mijlpaal werd pas bereikt met het Neurenberg-tribunaal na de Tweede Wereldoorlog.

Voor de Amerikaanse ambassadeur Morgenthau ging het allemaal te traag. Gefrustreerd verliet de diplomaat in 1916 zijn post.

undefined

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden