Eerste hulp bij wederopbouw

Een padvinder werkt als verkeersregelaar in de straten van Benghazi. Sinds het begin van de opstand tegen Kadafi is er een tekort aan verkeersagenten. FOTO © MOHAMMED SALEM, REUTERS Beeld
Een padvinder werkt als verkeersregelaar in de straten van Benghazi. Sinds het begin van de opstand tegen Kadafi is er een tekort aan verkeersagenten. FOTO © MOHAMMED SALEM, REUTERS

Bij de val van de Libische hoofdstad Tripoli namen honderden padvinders het werk van gevluchte verpleegkundigen over. Ze wasten patiënten, zetten injecties en verleenden overal waar nodig bijstand.

Ahmed Boen werd op 23 augustus in zijn auto onder vuur genomen in Aboe Salim. De 29-jarige Boen werd getroffen in zijn bovenbeen en voordat hij er erg in had, werd hij door soldaten van Kadafi uit zijn auto getrokken en zonder verdere uitleg in een provisorische gevangenis gegooid. Twee dagen eerder waren de rebellen Tripoli binnengetrokken, maar deze overwegend Kadafigezinde wijk hadden zij nog altijd niet in handen.

De schotwond bleef bloeden, ondanks de noodverbanden die Ahmed Boen kreeg aangereikt. Na twee dagen legden zijn bewakers hem in alle vroegte neer bij de ingang van het Mitigaziekenhuis nabij de luchthaven. Daar werd hij een half uur later gevonden door twee arriverende padvinders.

"Het zijn mijn helden", roept Boen vanuit de rolstoel waarmee hij zich langs een groepje tot de tanden gewapende rebellenstrijders richting de uitgang van het ziekenhuis wurmt. Ajmen Basjir (27) en Khaled Goesjthi (21), de een padvinder, de ander zeeverkenner, lachen er wat verlegen bij. Op de ziekenzaal wachten hun even later nieuwe lofprijzingen. "Het zijn geen vrienden, maar broeders", bast Mohammed Ben Moessa, een 38-jarige rebel uit Tripoli, zodra hij ze in het oog krijgt. "Wanneer 's ochtends vroeg de verpleegster op de zaal verschijnt, roep ik: 'Ga heen! Ik wil eerst het gezicht van een padvinder zien. Pas daarna mag je terugkomen.'"

Ben Moessa werd beschoten toen hij op zaterdag 20 augustus een vriend vanaf de voordeur naar diens auto begeleidde. Binnenskamers hadden de twee zojuist het zoveelste geheime overleg achter de rug. Ben Moessa maakte deel uit van een klein groepje inwoners van Tripoli dat in nauw contact stond met de rebellen in de reeds bevrijde havenstad Misrata. Overal in de hoofdstad vormden zich in aanloop naar de bestorming van Tripoli soortgelijke groepjes. In afwachting van het afgesproken signaal smokkelden ze in het geheim kalasjnikovs de stad in of kochten die voor 3000 à 4000 dinar van soldaten van Kadafi.

Ben Moessa weet niet precies waar het die middag misging. Hij houdt het erop dat hij in een eerder stadium door de veiligheidsdiensten als potentiële opstandeling was geïdentificeerd en in de gaten werd gehouden. Hij liep een schotwond in zijn dijbeen op en belandde diezelfde avond nog in het Mitigaziekenhuis.

De opstand binnen de stadsmuren was inmiddels in volle gang en rebellen van buiten naderden snel. Ambulances reden af en aan. Maar verpleegsters in de ziekenhuizen waren in geen velden of wegen te bekennen. "Artsen waren er wel, maar de meeste zusters waren thuisgebleven", zegt Amani Gadoer, een 23-jarige assistente-in-opleiding die de bewuste dag ter plaatse was.

De propaganda van het regime van Kadafi bleek zijn uitwerking niet te hebben gemist. "De meeste verpleegsters waren ervan overtuigd dat er een horde door Al-Kaida gestuurde barbaren voor de poorten stond."

Op dat precaire moment betraden de padvinders van Tripoli de arena. Met honderden tegelijk rukten ze uit. In de opeenvolgende weken namen ze het werk van de verpleegkundigen en het ondersteunend ziekenhuispersoneel grotendeels over. Ze wasten de patiënten, zetten injecties en verleenden waar nodig eerste hulp. Ze dweilden het bloed van de vloeren en bemanden de gaarkeukens.

"Vooral de eerste dagen waren zwaar", zegt Rejad Baroeni, een 34-jarige akela. "De gangen stonden vol met bedden, overwerkte artsen renden rond. Er stierven mensen. Dat was ik niet gewend. Op een gegeven moment barstte ik spontaan in huilen uit."

De meeste verpleegsters zijn inmiddels weer aan het werk gegaan, maar nog altijd lopen in Tripoli tientallen geüniformeerde padvinders in de ziekenhuizen rond. "Zonder hen hadden we het niet gered die eerste dagen", zegt dr. Rajeb el-Osta onomwonden in zijn werkkamer in Tripoli Central Hospital. "De padvinders hebben een beslissende rol gespeeld. En die spelen ze eigenlijk nog steeds."

Bij ziekenhuizen bleef het niet. De ongeveer tweeduizend actieve padvinders uit Tripoli begonnen gelijktijdig een voedselinzamelingsactie en toen vorig weekend enkele waterschepen uit Malta arriveerden, coördineerden padvinders de distributie.

In de huidige onoverzichtelijke situatie na de revolutie organiseren ze in alle wijken buurtfeesten voor kinderen en zien ze toe op ouderenzorg. Ze helpen met opruimen van de immense vuilnisbergen die de afgelopen weken her en der in de stad opdoken. Ook zijn ze bezig met het opzetten van een organisatie die informatie over de honderden, mogelijk zelfs duizenden, vermisten in Libië gaat centraliseren. De padvinders doen dat ogenschijnlijk met de grootst mogelijke vanzelfsprekendheid, maar hun aanwezigheid op het Libische grondgebied kan toch op z'n minst curieus worden genoemd.

Nu de actieradius van kolonel Kadafi beperkt lijkt tot een bunker ergens diep in de Libische woestijn, wacht Libië een formidabele uitdaging. Er is geen leger, geen parlement en ook politieke partijen en serieuze media ontbreken vooralsnog. Ministeries, het olieministerie daargelaten, waren er onder Kadafi slechts voor de vorm. De 'Gids van Revolutie' heeft het toneel ongezien verlaten, maar aanwijzingen voor hoe het nu met Libië verder moet, heeft hij niet achtergelaten.

Na 42 jaar van dictatuur begint het land bij nul. Ook van een civil society is hoegenaamd geen sprake. Libiërs werden geacht zitting te nemen in revolutionaire comités, niet in vakbonden, liefdadigheidsverenigingen, religieuze organisaties, hobbyclubjes of in enig ander georganiseerd verband. De comités werden bemand door getrouwen van Kadafi, die daardoor ook weer mooie baantjes kregen toegespeeld. De rest van de bevolking trok zich gelaten terug in de beschutting van zijn huis. Alleen de moskeeën en de Rode Halve Maan behielden een beperkte armslag.

En de padvinders dus.

In Libië zijn in totaal zo'n 40.000 padvinders, van wie 7000 in Tripoli. Over het algemeen zijn het jongens. Landelijk is de jongens/meisjesverhouding zo'n 90/10. In de grote steden 70/30. Hoe slaagden de padvinders erin aan de zeis van Kadafi te ontkomen? Het meest voor de hand liggende antwoord is dat Kadafi gedurende enige jaren zelf een toegewijd padvinder was. De eerste padvinderij in een moslimland zag in 1912 het licht in Beiroet: de Muslim Scout Association of Lebanon. Oorspronkelijk zouden padvinders in Libanon en Syrië komend jaar samen een Jamboree organiseren vanwege het honderdjarige bestaan. Maar vanwege de bloedige onderdrukking van de protesten door het regime van Basjar al-Assad, is hoogst onzeker of het evenement aan Syrische zijde doorgang zal vinden.

De Libische afdeling van de padvinderij werd opgericht in 1954 en Joessef el-Gamboer (76) was één van de 35 jongelingen die zich dat jaar aanmeldden. "Ik speelde basketbal, deed aan wielrennen; op kamp gaan leek me wel wat", zo zegt de nestor van de Libische padvinderij in het hoofdkwartier nabij de Omar Mukhtarstraat. Gamboer werkte na zijn rechtenstudie tien jaar als facilitair manager bij de universiteit van Tripoli. Daarna trad hij in dienst bij de padvinderij. Tegenwoordig resideert hij in het landelijk bestuur en in die hoedanigheid speelde hij afgelopen weken een actieve rol bij de coördinatie van de hulpverlening.

"In 1961 erkende koning Idris de padvinderij bij wet als een jongerenorganisatie. De Rode Halve Maan, het Olympisch Comité en de vereniging van jeugdherbergen kregen dat jaar een vergelijkbaar statuut", vertelt Gamboer. Gevieren zouden ze het regime van Kadafi overleven. Toen deze in 1969 aan de macht kwam, kon hij moeilijk om die wettelijke erkenning heen, zo meent Gamboer. Of vond hij het eigenlijk wel best? Kadafi werd geboren in de streek rond de kustplaats Sirte, maar groeide op in de woestijnstad Sabha. Daar ging hij als tiener bij de padvinderij. Onder jongere padvinders circuleert het verhaal dat Kadafi op een goed moment wegens wangedrag uit de padvinderij zou zijn gegooid. Gamboer spreekt dat nadrukkelijk tegen. "Kadafi werd door de autoriteiten uit Sabha verbannen nadat hij als scholier had deelgenomen aan een protest tegen de koning. Maar de padvinderij is hij nooit uitgezet. Integendeel: de paar jaar dat hij actief was, betoonde hij zich juist een zeer toegewijd padvinder!"

Gamboer bekent dat hij de machtsgreep van Kadafi aanvankelijk met sympathie begroette. "Maar na een paar maanden liet hij een paar van zijn eigen vrienden ophangen. Vanaf dat moment wist ik dat hij een gewetenloze killer was en dat ik op mijn hoede moest zijn." Ondanks de sympathie die Kadafi volgens Gamboer voor de padvinderij bleef koesteren, gingen de padvinders vanaf het midden van de jaren zeventig moeilijke jaren tegemoet. Vooral toen Kadafi met de revolutionaire leerstellingen uit het Groene Boekje op de proppen kwam.

Zo ontkwamen ze er niet aan een artikel in hun universele erecode op te nemen waarin zij zweren de zaak van de Libische Revolutie te dienen (artikel 2). De padvinders ontdoken de maatregel door vanaf nu slechts trouw aan het 1ste (verantwoordelijkheid), 5de (beschaving) en 10de (zuiverheid in hoofd en hart) artikel te zweren. Dat was weliswaar een gevoelig offer, maar op deze manier liep hun ongehoorzaamheid het minste in de gaten.

Ook de term 'leider' bleek een probleem. In het Libië van Kadafi was immers maar één leider en dat was de grote Broeder Leider zelf. Enkele hooggeplaatste padvinders brachten uitkomst, zoals dat later nog een paar keer zou gebeuren. "Vergeet niet dat een aantal van de Vrije Officieren die in 1969 samen met Kadafi de macht grepen in hun jeugd ook bij de padvinderij had gezeten," benadrukt Gamboer. "Ook in de rest van het leger lopen nogal wat padvinders rond, net als in de regering en in de olie-industrie." Het eindigde ermee dat padvinders hun groepsleiders 'leider' mochten blijven noemen. Toen Saadi, een van Kadafi's zonen, in de jaren negentig zijn oog liet vallen op een enorm bos ten westen van Tripoli, brachten invloedrijke padvinders opnieuw uitkomst. Het bos was eigendom van de padvinderij en Saadi was op zoek naar een plek om zijn honden uit te laten. Problematischer bleek de jeugdbeweging die Kadafi in de jaren tachtig oprichtte en waar iedere Libische jongere zich verplicht bij moest aansluiten. "Dat initiatief trok veel potentiële leden bij ons weg", zegt Gamboer. "Maar uiteindelijk hebben we standgehouden."

Rejad Baroeni wil nu liever vooruitkijken. "Dat we nog steeds bestaan, is natuurlijk prachtig. Maar laten we daar nu ons voordeel mee doen en nadenken welke bijdrage we kunnen leveren aan de wederopbouw van ons land. Libiërs willen dolgraag iets voor elkaar betekenen, zeker nu, maar ze hebben nooit geleerd zich te organiseren. Mogelijkerwijs kunnen we daar als padvinderij een helpende hand bij bieden." Samen met Akela Cheyma Won, een 23-jarige studente Engels, is akela Baroeni onderweg naar de wijk El-Goena. Zo'n vijftig padvinders in alle leeftijden hebben hier een groot openluchtfeest georganiseerd voor jongere kinderen uit de buurt. En die blijken massaal uitgerukt.

Zo'n 300 à 400 kleuters zingen onder goedkeurend oog van hun ouders om het hardst. De aanwezige padvinders distribueren snoep en fris, voeren theater op en begeleiden bij alle mogelijke spelletjes. "Kinderen hebben in Tripoli nogal wat te verduren gehad de afgelopen maanden", zegt Won. "Ze hebben allemaal de Navo-bommen horen vallen. De afgelopen weken was er overal mitrailleurvuur. Het is nu belangrijk dat ze spelen en lol trappen en dat allemaal zo snel mogelijk vergeten."

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden