Eerst zingen, dan schieten

Jim Janssen van Raay (Muntok, voormalig Nederlands-Indië, 1932) is lid van de Tweede Kamer voor de Lijst Pim Fortuyn, advocaat en voorzitter van het Kralings Museum. Janssen van Raay voert met partijgenoot Mat Herben strijd over het lijstduwerschap van de LPF voor de komende verkiezingen. Hij hecht er aan te reageren op de tien geboden zoals ze in 1529 door Luther in de Kleine Catechismus werden opgenomen, die een andere nummering heeft.

1.Gij zult geen andere goden hebben

,,Mijn vader was vrijmetselaar. Hij las ons voor uit de Bijbel met de bedoeling aan te tonen dat er niets van klopte. Hij voelde zich ver boven het geloof verheven. We kregen een briefje mee naar de lagere school in Bandung waarop stond dat aan ons geen godsdienstles gegeven mocht worden. Mijn moeder, Jacoba Ada Wüppermann, was een telg uit een geslacht van louter Lutheranen. Zij frequenteerde de diensten van een reizende dominee die van eiland naar eiland trok, maar voegde zich in haar gezin naar de atheïstische luimen van haar man. Toen brak de oorlog uit. Mijn vader, die zich aanvankelijk als vrijwilliger had gemeld, werd kort daarna als krijgsgevangene naar de Burma railroad afgevoerd: de blanke bewindvoerder in Nederlands-Indië viel van grote hoogte neer en zeulde, op blote voeten, achter de Japanse bezetter aan.

Díe mokerslag heeft hem uiteindelijk tot het geloof gebracht. Hij kwam in het kamp een presbyteriaans dominee tegen door wie hij zich liet dopen en in een briefje naar huis liet vader weten dat hij was bekeerd. Moeder zei: 'Wel verdraaid! Maar dan ga ik, met onze kinderen, terug naar de Lutherse kerk.' En zo is het gekomen dat ik later, als student, nog ben gedoopt. Ik kende de verhalen uit de Bijbel wel - vergis je niet - maar toch waren de geboden zoals ik ze in de Kleine catechismus tegenkwam, een openbaring voor me. Dus wat dit eerste gebod betreft: ja. Eén God. Het is juist om die reden dat ik mij zo verwant voel met andere vormen van monotheïsme, zoals het joods geloof en de islam. Naar mijn bescheiden mening zijn Jahweh, Allah en de God van de christenen één en dezelfde. Dat was mijn conflict met Fortuyn, die zich vergiste door de islam een achterlijke cultuur te noemen. Maar goed, uit het feit dat hij later een Marokkaanse islamiet heeft uitgenodigd om de elfde plaats op de lijst in te nemen, mogen we toch wel afleiden dat hij op de schreden van zijn dwaling was teruggekeerd.''

2. Gij zult de naam van de Heer, uw God, niet misbruiken

,,Ik heb het jappenkamp overleefd, maar als ik zou beweren dat God mij heeft gered, dan zou ik Zijn naam misbruiken. Het zou unfair zijn tegenover de jochies die het niet hebben gered. Heeft God hen dan niet willen sparen? Nee, je moet God niet overal bij slepen. Da's een. Twee: niet vloeken. Ik doe het zelf niet en ik vind het bijzonder onaangenaam als een ander Hem beledigt. Het is ook een kwestie van innerlijke beschaving. Geen van de christenen, de zeer sympathieke, tolerante islamieten of de joden die ik ken, vloekt.

En het strekt verder - als ik mij even aan een kleine zijsprong mag wagen - dan de vloek: je zult mij ook geen drieletterwoorden horen gebruiken, ofschoon ik groot begrip heb voor de Marokkaanse knul die dat lied heeft geschreven over... enfin, je weet wel waar ik het over heb. Hij heeft - in navolging van de prins van Oranje en de zijnen die zich, nadat Berlaymont in 1564 tegen Margaretha van Parma gezegd zou hebben: 'N'ayez pas peur madame, ce ne sont que des gueux', wees niet bang mevrouw, het zijn maar bedelaars - van de beleding een eretitel gemaakt. Grandioze knaap. Heeft Rob Oudkerk geweldig op zijn nummer gezet. Het zij hem vergeven dat hij voor een keer eh... dat ene woord gebruikt.''

3. Gij zult de rustdag heiligen

,,Er moet echt iets bijzonders gebeuren, wil ik op zondag niet naar de kerk gaan. Het is een eerbetoon aan de Heer, te midden van een gemeente van gewone mensen. Jazeker, er bestaat een enorm verschil tussen de rustdag en de dagen die erop volgen. Ik ben een aanhanger van Luthers twee-regimentenleer: wij zullen van het ene rijk in het andere overgaan. Het hemels rijk is vele, vele malen belangrijker, maar dat wil niet zeggen dat de Janssen van Raay die je in de kerk ziet zitten, verschilt van de Janssen van Raay die je in het wild aantreft.

Het is dezelfde inspiratie die mij drijft: als ik mensen tegenkom die in nood verkeren, schiet ik hen te hulp. Overigens hou ik die dag, qua eerbetoon, uitsluitend tijd vrij voor de kerkgang. Ik heilig de rustdag, maar dat weerhoudt mij er niet van om na de dienst bij de Koninklijke Rotterdamse Scherpschutters Verening mijn pistoolvaardigheid te handhaven. Vaste prik: eerst zingen, dan schieten. Merkwaardig? Ja, dat zegt mijn dominee ook altijd. Maar ik moet toch oefenen? Anders raak ik mijn vergunning kwijt.''

4. Gij zult uw vader en uw moeder eren

,,Niet lang nadat mijn vader gevangen werd genomen, stierf mijn twee jaar oudere broer aan de gevolgen van een acute ontsteking. Hij kon niet naar het ziekenhuis worden vervoerd omdat de avondklok was ingesteld. En toen het wel kon, was het te laat... Wij kwamen erachter wanneer mijn vader zou worden afgemarcheerd en stonden voor het huis te wachten tot hij voorbij zou komen. Ik zie hem nog lopen: kaalgeschoren, in sjofele kleren. Moeder riep: 'Philip is dood!' Het was alsof mijn vader een zweepslag kreeg, ik zag hem ineenkrimpen, maar hij mocht natuurlijk niet stoppen. Zo verdween hij, strompelend, uit beeld. Ik begon te huilen, maar mijn moeder gebood mij te stoppen; we mochten de jappen geen zwakheid tonen.

Sindsdien heb ik altijd mijn tranen bedwongen... Een paar maanden later werden mijn moeder, mijn zusjes en ik afgevoerd naar Tjihapit, het vrouwen- en kinderkamp. Het was daar... enfin, voorbij, die tijd is voorbij. In november 1944 werd Tjihapit ontruimd. Ik was pas twaalf, maar de jappen vonden mij te oud om bij mijn moeder te blijven. Ik moest naar het voormalig legerkamp van het XVde bataljon, een mannenkamp, marcheren. Dankzij de hulp van roomse broeders, die mij aanmoedigden te bidden, en gevoed door de hoop dat mijn moeder mij op een dag weer zou komen halen, wist ik te overleven, maar toen er na de bevrijding, op 15 augustus 1945, nog niemand kwam, gaf ik de moed op.

Daar moet je niet te dramatisch over doen: het vlammetje ging gewoon uit. Ik dacht dat ze allemaal dood waren en ik wilde ook niet langer leven. Ik lag letterlijk op sterven. Ineens hoorde ik een stem, het was de stem van mijn moeder. 'Jimmetje, Jimmetje', zei ze, 'moes is hier'. Ik keek naar de vrouw die aan mijn bed stond - een skelet van nauwelijks dertig kilo - en herkende haar niet. Maar ze was het wel degelijk. Ze was tegen alle verordeningen in naar mij op zoek gegaan. Ik stond op. 'Hij moet hier blijven,' zei de zuster, 'hij is doodziek!' 'Nu niet meer,' zei de dokter en hij liet me gaan.

Weet je, die tijd... Het klinkt misschien vreemd, maar het kamp heeft niet alleen maar narigheid opgeleverd. Mijn moeder gaf mij voor een tweede keer het leven waardoor ik nóg meer van haar ging houden en mijn vader - Delfts ingenieur, Leids jurist, top-intellectueel, lid van een koloniale familie, overtuigd atheïst - zag daar, in de hel van Burma, de hemel voor zich opengaan. Het geloof heeft hem gered. Hij veranderde van iemand tegen wie ik vooral had opgekeken in een uiterst sympathiek en toegankelijk mens van wie ik zeer veel ben gaan houden. Ik heb ze geëerd. Ik heb ze liefgehad. Geen wanklank. Geen onvertogen woord. Geen conflict.

Toen vader in 1961 aan een hartaanval bezweek, heb ik moeder in huis genomen. Ze heeft hem dertien jaar overleefd. Hun grootste kracht was dat ze een punt hadden weten te zetten achter die moeilijke jaren. We kwamen in maart 1946 terug naar Nederland en vanaf dat moment was de kamptijd voorbij. Punt. Nooit meer over gesproken. Zeuren over vroeger, daar deden wij niet aan. Verdrongen? Nee, ik heb niets verdrongen, echt niet. Ik heb gewoon geboft. Ik heb mijn beide ouders teruggevonden, was slim genoeg om drie klassen op het gymnasium over te slaan en had ook nog eens geleerd hoe ik moest overleven. Overleven kan ik als geen ander.''

5. Gij zult niet doden

,,Ik heb een wapen in huis, maar ik zal het niet gebruiken. Je kunt mij dagen, wekenlang op een roos laten schieten, maar het zal niet in mij opkomen om iemand neer te schieten. Zo ben ik, vanuit het ongerijmde, combinerend en deducerend, tot de conclusie gekomen dat de moord op Fortuyn geen eenmansactie van Volkert van der G. kan zijn geweest. En ik word in mijn overtuiging gesterkt door het feit dat ik, na de moord, negen weken lang zwaar beveiligd ben geweest. Wat heeft het voor zin om iemand te beveiligen als de dader al gepakt is?

Ja, de politie heeft een plattegrond in de auto van Volkert van der G. gevonden waarop mijn adres stond aangegeven, maar die bedreiging heb ik nooit au serieux genomen. Waarom zou iemand mij willen vermoorden? Daar is geen enkele reden voor. Ik ben pro-islam! Ja, ik zoek het motief nog altijd in die hoek. Pim heeft zich als vermeend islamhater de woede van veel mensen op de hals gehaald, maar ik heb ook de dierenvrinden genoemd, als mogelijk betrokkenen bij de moord, omdat Pim er niets op tegen had als er weer nertsen werden gevild voor de bonthandel. En ik wil je nog wel een derde organisatie noemen ook: de katholieke kerk.

Wat dacht je daarvan? Die lui hebben zich vast ongerust gemaakt toen ze voorzagen dat een homofiele minister-president Rome wel eens te schande zou kunnen maken... al vraag ik me af of de rooms-katholieke kerk er geld voor over zou hebben gehad om Pim uit de weg te ruimen, maar goed: ik blijf bij mijn complottheorie. Het was een professionele aanslag, een politieke moord. Stel je eens voor dat niet de achtvoudige ijshockeykampioen Smolders, maar Fortuyns sympathieke, maar ietwat bangige homofiele butler die dag, zoals gebruikelijk, had gechauffeurd? Dan was de dader zeker ontkomen. Hoe dan ook: het doel is bereikt. Pim is uitgeschakeld. Alweer een reden waarom ik niet meer voor mijn leven hoef te vrezen.

Niet dat ik op enig moment bang ben geweest. Luister eens, ik had niet om beveiliging gevraagd. Wat mij betreft had het ook niet gehoeven. Ik heb in een jappenkamp gezeten. Ik heb op sterven gelegen. Waar moet ik nog bang voor zijn? Ik ben zeventig jaar, heb zeven kleinkinderen van wie ik zielsveel houd - het kan mij niet zoveel schelen of ik nu door een pistoolschot of door een beroerte aan mijn einde kom. Als het mijn tijd is, zal ik gaan. Het enige wat ik hoop is dat de dominee op mijn begrafenis zal zeggen: 'Hier is een gelukkig mens gestorven'.''

6. Gij zult niet echtbreken

,,Ik heb honderden vrouwen begeerd, hónderden!, maar ik ben die ene, met wie ik vijftig jaar geleden in het huwelijk trad, altijd trouw gebleven. Moeilijk? Elk huwelijk kent zijn ups en downs. Als je er geen bezwaar tegen hebt, wil ik het daar bij laten. Moet je horen: ik ga door dik en dun. Dat geldt ook voor mijn vrinden. Hoe slechter het met ze gaat, hoe harder ik voor ze wil vechten. Zie LPF. Ik zal je eerlijk zeggen dat ik er geen zak aan vond met die grote winst, eerder dit jaar. Maar nu, met een paar zetels in de peiling, jaaa, da's geweldig. Knokken! Daar hou ik van.''

7. Gij zult niet stelen

,,Prins Bernhard heeft groot gelijk. Niet het personeel van het betrokken Albert Heijn-filiaal, maar de dief die er met de buit vandoor ging, moet worden aangepakt. Het belang dat burgers ingrijpen weegt zwaarder dan de schade die de dief oploopt van een extra knal tegen zijn kop. Als ik voor de AH-medewerkers moest optreden, zou ik pleiten voor ontslag van rechtsvervolging wegens noodweer-exces. De gemoederen raakten oververhit, maar laten we niet vergeten wat daar aan vooraf ging. Gij zult niet stelen. Daar is alles mee gezegd. Ik ben blij dat dit verhaal de krant heeft gehaald.''

8. Gij zult geen valse getuigenis spreken tegen uw naaste

,,Het politieke spel vervuilt. Marijnissen, maar ook Thom de Graaf en natuurlijk de mensen van de Christen Unie en de SGP zijn zo'n beetje de laatsten die het nog schoon weten te spelen. De rest heeft er een gewoonte van gemaakt om voortdurend valse getuigenissen af te leggen. Ik? Mij wordt vaak het tegendeel verweten: ik ben veel te openhartig. Ik zal in ieder geval nooit de trucs uithalen waarmee Zalm laatst op de proppen kwam. Als hij had besloten om het kabinet te laten vallen omdat de VVD op dat moment de grootste kans had kiezers terug te winnen, had ik daar geen moeite mee gehad. Dat zou een duidelijke politieke keuze zijn geweest. Maar hij heeft een drogreden gebruikt. Hij heeft gezegd dat het kabinet moest vallen omdat hij niet langer kon samenwerken met een fractie die steeds in gebreke blijft. Terwijl de LPF-fractie het regeerakkoord keurig heeft ondertekend en daarna de VVD en het CDA, qua stemgedrag, conform dit akkoord, altijd heeft ondersteund. Het ging zelfs zo ver dat wij, ofschoon we van mening waren dat het voor Fortuyn een zeer belangrijk punt was geweest, afstand hebben genomen van de volksraadpleging. Ja, ruziënde LPF'ers, daar kom ik nu op: er was hommeles in het kabinet, de partij lag in de vernieling, da's allemaal waar, maar dat hele gedoe heeft het stemgedrag van onze fractie nooit beïnvloed. Het publiek gooide partij, fractie en kabinet op één hoop en riep: de LPF maakt er een bende van. Van die publieke opinie heeft Zalm misbruik gemaakt. We zijn pootje gelicht.

Nee, ik zeg niet dat de LPF nooit meer met de VVD wil samenwerken - ik laat de koele ratio voorgaan - maar van mijn achting voor Zalm, die er toch al nauwelijks was, is niets meer over. Hij was verantwoordelijk voor de puinhopen van paars waar Pim het over had en hij mag nu ook deze ruïne op zijn conto schrijven. Om nog maar te zwijgen over zijn laatste streek: het wegkapen van dat Somalische meisje bij de PvdA... nee, de VVD zou er, dunkt mij, beter aan doen dit heerschap voorgoed aan de kant te zetten.''

9. Gij zult niet begeren uws naasten huis

,,Dit is een beetje een iel ding, hè? Ga door.''

10. Gij zult niet begeren uws naasten vrouw, noch zijn dienstknecht, dienstmaagd, vee of iets, dat het zijne is.

,,Goed, dit gebod is voor mij ook niet aan de orde, maar als je me vraagt: 'wat is tot op heden jouw grootste begeerte geweest?', dan zeg ik: winnen. Ik heb altijd willen winnen. Daarom ben ik ook advocaat geworden. De moeilijkste zaken hebben mij tot de grootste inzet geprikkeld. De keerzij van die eigenschap is dat ik niet tegen mijn verlies kan. Ik ben een bad loser. Een ongunstige uitslag brengt mij steevast in een slecht humeur. Dan ben ik onbenaderbaar, opgesloten in mijzelf. Maar als ik ervan ben bijgekomen, ga ik weer met volle kracht de strijd met het leven aan! Hoe bedoel je: uiteindelijk wint de dood? Tuurlijk niet. Het leven houdt helemaal niet op. We gaan door naar het hemelse rijk. Nee, ik geloof niet dat je daar extra je best voor hoeft te doen. Als alleen de mensen die er géén bende van gemaakt hebben er mogen komen, blijft de hemel leeg. Sola scriptura, sola fide, sola gratia, solo cristo, soli Deo Gloria: de schrift, het geloof, de genade, Christus en het besef dat mijn leven zonder God niets waard is: dat zijn de pijlers van mijn geloof. Sola gratia: de Heer vergeeft ons alles wat wij misdeden. Wat ik heb misdaan? Ik heb er door mijn openhartigheid voor gezorgd dat mensen zich gegriefd hebben gevoeld. Ik heb, zonder het te beseffen, op vele tenen getrapt. Een heilige? Neenee, excuseer: ik heb vele fouten in mijn leven gemaakt, maar ik probeer je uit te leggen dat ik geen moment heb getwijfeld aan het geloof dat ik het hemelse rijk zal binnengaan. D t is de kwestie. En daar zal ik mijn moesje weer vinden. Hoe weet ik niet, maar dat ik op een dag haar stem weer zal horen, ja, daar ben ik diep van overtuigd.''

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden