Eerherstel voor de rechte lijn

De Nederlandse bossen zijn door ingrijpen van de natuurorganisaties zo natuurlijk geworden, dat de laatste kaarsrechte lijnen van het oude productiebos ineens 'monumentaal' zijn.

De blaadjes ritselen zachtjes in de wind. Rob Philipsen kijkt goedkeurend naar de berkenbomen, die in rijen van twee langs het zandpad staan. De witgrijze stammen zijn een opvallende verschijning in het verder donkere Eperholt aan de noordkant van het Veluwse dorpje Epe, met zware sparren en dennen in kaarsrechte rijen. "Het is eigenlijk een wonder dat ze er nog staan", zegt boswachter Philipsen. "De meeste berken worden niet ouder dan tachtig jaar."

Voor de gemiddelde wandelaar is het Eperholt een gewoon natuurgebied. Maar een geoefend oog ziet dat het Eperholt een ontginningsbos is, ooit aangelegd voor de houtproductie. In het begin van de twintigste eeuw is het net als het nabijgelegen Sprengenbos aangeplant als productiebos. Tot die tijd werd Epe omringd door uitgestrekte heidevelden. Philipsen kent de verhalen nog. "Het schijnt dat je tot aan de Zuiderzee kijken kon." Tussen 1914 en 1930 ging de schop in de grond en werden de woeste gronden ingeplant met boompjes. "Dat moet een enorm geploeter zijn geweest", zegt Philipsen. "Die stumpers hebben lappen grond omgespit en elk plantgat met de hand uitgegraven."

Grote delen van Nederland werden in die tijd omgevormd tot productiebos. Dat had te maken met de uitvinding van kunstmest als verbeteraar van de bodem. Tot die tijd had de heide eeuwenlang gefungeerd als plek voor boeren om hun vee te laten grazen en werden de bemeste heideplaggen gebruikt om de lager gelegen akkerbouwgronden vruchtbaar te maken; het zogenoemde 'potstalsysteem'. Maar de introductie van kunstmest maakte daar een einde aan. Veel heidevelden kregen hierop een nieuwe bestemming als bos, bedoeld voor de houtproductie. Ook werd op grote schaal bos aangeplant op de stuifzanden, om zo te voorkomen dat nabijgelegen dorpen en akkerbouwgebieden bedolven zouden raken onder het zand.

Martijn Boosten van kennisinstituut Probos heeft zich verdiept in de geschiedenis van het Nederlandse bos. "De meeste bossen in ons land zijn ontginningsbossen die na 1850 zijn aangeplant", zegt hij. Die zijn herkenbaar aan de kaarsrechte indeling van de bosvakken met bomen van eenzelfde leeftijd. Meestal werden naaldbomen geplant, voornamelijk grove den. Dat bleek namelijk een van de weinige boomsoorten die de extreme omstandigheden van arme zandgrond aankonden en bestand waren tegen wind en zon.

En de den had nog een ander voordeel. De houtsoort werd indertijd veel in de mijnbouw gebruikt, omdat grenen kraakt als het onder grote druk staat en zo waarschuwt bij dreigend instortingsgevaar.

Kenmerkend voor een ontginningsbos zijn de brandstroken en brandsingels. Bosbranden waren lange tijd de grootste zorg van beheerders, aangezien de uitgestrekte vlakten met naaldbomen zeer brandgevaarlijk waren. Om te verhinderen dat een ontstane brand zou overslaan naar andere bosvakken, werden met loofbomen brandsingels aangelegd. Meestal is gekozen voor berkenbomen, omdat de vochtige berkenblaadjes moeilijk vlam vatten.

Greppels en kuilen

Ook is een ontginningsbos te herkennen aan de talloze greppels, kuilen en geulen die er liggen. Boosten: "Daarmee werden vaak begrenzingen aangegeven. Het 'kielspit' was bijvoorbeeld een kleine geul die diende als grensmarkering voor de ontginning. Verder had je om de 6 meter bezandingsgreppels in het bos. Die werden met de hand uitgegraven, en het vrijkomende zand werd over de ingezaaide boompjes gegooid om hen te beschermen tegen vraat en uitdroging."

De dennenbossen werden aangelegd met het doel er geld mee te verdienen. Niet alleen de kaarsrechte stammen bleken lucratief, ook kleine bosproducten werden goed verhandeld.

Boosten: "Kleine takjes gingen als bloemstokjes naar de bloemist, grotere takken en stammetjes werden verkocht als bonenstaken. Het bos werd vrijwel helemaal kaalgeplukt, je kon in die tijd bijna geen takje op de bosbodem vinden. Natuurlijk hadden die bossen heel weinig natuurwaarde." Vanaf de jaren zeventig van de vorige eeuw verschoof de aandacht geleidelijk van intensieve houtproductie naar een natuurlijker bosbeheer.

In 1977 werd De Landelijke Werkgroep Kritisch Bosbeheer opgericht. "Zij stelden de ecologische armoede in de Nederlandse bossen aan de kaak. Het draagvlak voor meer biodiversiteit in de bossen begon te groeien", aldus Boosten. Daarna nam het natuurvolgend bosbeheer een grote vlucht, mede doordat de subsidies voor het herplanten van bosvakken oude stijl kwamen te vervallen. Biodiversiteit was het nieuwe credo. "In het natuurvolgend bosbeheer kwam meer ruimte voor natuurlijke verjonging van inheemse boomsoorten. Een gevarieerd bos met daarin verschillende boomsoorten van uiteenlopende leeftijden werd het ideaal", vertelt de Wageningse expert.

Inmiddels herbergen de Nederlandse bossen meer 'natuur'. Tegelijkertijd zijn veel sporen van de ontginningsperiode uitgewist. De over gebleven berkensingels zijn, met een leeftijd van tachtig jaar of ouder, hoogbejaard. Aarden elementen als geulen en wallen zijn nogal erosiegevoelig. "Zulke kleine sporen in een bos verdwijnen vaak vanzelf. Ze raken begroeid of er komt een groep wilde zwijnen voorbij die ze omploegt", vertelt Boosten. De brandstroken zijn, op een enkele uitzondering na, niet meer terug te vinden.

De onderzoeker vindt het jammer dat het cultuurhistorische verhaal van de ontginning bij weinig bosbeheerders bekend is. "We hoeven niet terug naar de tijd van de intensieve houtproductie. Maar bewaar tenminste een paar originele bosvakken, zodat je het verhaal kunt blijven zien. Indertijd is alles met de hand aangeplant. Werklozen moesten in het kader van de werkverschaffing meehelpen om hun uitkering te behouden. Je hoort verhalen dat ze tot huilens toe stonden te werken. Die bomen zijn een monument van die tijd", aldus Boosten.

In het Eperholt en het Sprengenbos zijn juist nog wel veel sporen van de ontginning terug te vinden. Philipsen kwam in 1981 in dienst bij het gemeentelijk bosbedrijf. "Mijn voorganger vertelde over de aanlegperiode en ik duikelde oude kaarten en plannen op waar nog ingetekend stond hoe het is aangeplant."

Opknapbeurt

De boswachter besloot het verhaal van de ontginning beter zichtbaar te maken in het bos. Hij liet de bezandingsgreppels en kielspitten weer uitdiepen. De berkenbrandsingels kregen een opknapbeurt door de nog levende bomen vrij te zetten, en de brandstroken werden voorzien van een nieuwe laag vers zand. Op een aantal plekken is een nieuwe generatie berkenboompjes geplant, al vraagt dat nog even geduld. De kersverse berkensingel heeft zichtbaar moeite zich een weg te banen door de dikke humuslaag met daarop enthousiast groeiende sparrenboompjes.

Philipsen beklimt behendig de steile wal waar onlangs jonge bomen zijn aangeplant. De dunne stammetjes zitten ingeklemd in knalblauwe kokers, bedoeld om opdringerige herten en reeën op afstand te houden. "Gelukkig gaan de kokers er binnenkort af", zegt hij.

Zitten er eigenlijk nog ecologische nadelen aan cultuurhistorisch bosbeheer? Philipsen denkt even na. "Om de greppels en geulen beter zichtbaar te maken, halen we steeds de ondergroei in het bos weg. Dat is misschien niet ideaal voor edelherten of andere wilde dieren, want die hebben nu minder schuilgelegenheid. Maar goed, daarvoor in de plaats groeien er wel veel bosbessen." Ook onderzoeker Boosten is positief. "Berkensingels zijn misschien niet spectaculair, maar zorgen wel voor meer diversiteit in het bos. Ze zijn relatief wat ouder, dat kan interessant zijn voor holenbroeders en insecten die van oude bomen houden." Wat hem betreft hoeft het bos geen museum te worden, maar deze bosgeschiedenis verdient wel meer aandacht.

Verder lezen

Dit verhaal is opgenomen in de uitgave 'Natuur & Cultuurhistorie', het vierde deel van de serie 'groene signalementen' die Hogeschool Van Hall Larenstein in samenwerking met Trouw uitgeeft. Het boekje wordt morgen gepresenteerd op het symposium 'Natuur en Cultuurhistorie: Vrienden of vijanden?' bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) in Amersfoort. Het is gratis te bestellen via info@hogeschoolvhl.nl ovv 'Natuur & Cultuurhistorie'.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden