Eenzame strijd voor kerken van Stuyt

Ook in het huidige Jaar van het Religieuze Erfgoed gaan er geregeld kerken tegen de vlakte. Tot verdriet van voormalig milieu-inspecteur Ton Brugman, groot liefhebber van de kerken van architect Jan Stuyt. „Het is projectie, denk ik. Zelf moest ik mijn ambities in de bouwkunst laten varen.”

Boven Almelo hangen donkere wolken, maar Ton Brugman heeft zijn regenbroek meegenomen. Hij kijkt naar de lucht en schuift zijn attachékoffertje onder de snelbinders van zijn OV-fiets. „Laten we een restaurant zoeken”, zegt hij. „Dan kan ik vertellen wat vandaag mijn bedoeling is.”

Brugman peddelt weg, gaat links, rechts en weer links, stopt bij een warme bakker en bestelt twee koffie met slagroom. Hier in Almelo, zegt hij, dreigt een kerk van architect Jan Stuyt (1868-1934) aan de slopershamer ten prooi te vallen. Dat gaat hem aan het hart. „Ik ben gepensioneerd planoloog en ik heb gewerkt als milieu-inspecteur. Maar ik heb ook nog bouwkunde gestudeerd, daar grijp ik qua belangstelling nog altijd op terug.”

In zijn woonplaats Castricum en in de omliggende plaatsen heeft Brugman een hele reeks kerken bezocht en systematisch beschreven. „Mijn motto is: er gebeurt heel wat op zondagochtend om tien uur. Ik heb zeker veertig verslagen gemaakt. Analyses van de dienst, maar ook van de bouwstijl van de kerk. Bij mij in de buurt heeft Stuyt wel vijf of zes kerken gebouwd. Hij is een architect om nooit te vergeten.”

Brugman organiseerde eens een ’Jan Stuytreis’, die voerde van Castricum naar kerken in Heerlen, Nijmegen en Den Bosch. „Ik zei tegen mensen: ’ik heb de bus klaar staan’, maar de animo was gering. De drempel bleek hoger dan ik met mijn enthousiasme kon vermoeden. Een paar oudere mensen hadden interesse, maar die had ik dan de hele dag op sleeptouw moeten nemen. Uiteindelijk zijn we met zijn drieën gegaan, hebben we overnacht in Oss.”

Volgens Brugman was Stuyt als architect ’ontzettend productief’. „En hij had een enorm intellect, hij dacht mondiaal. Ik wil hem stofvrij maken.”

Daarom wil hij wijzen op de waarde van Stuyts architectuur, die steeds meer dreigt te verdwijnen, nu kerken – Jaar van het Religieus Erfgoed of niet – in hoog tempo worden gesloopt. In Almelo dreigt dat te gebeuren met een niet-monumentaal gedeelte van de Egbertuskerk. De parochie die van de kerk gebruik maakte, is samengegaan met een andere, en gezamenlijk betrekken de kerken een nieuw gebouw waar nog druk aan gebouwd wordt. De Egbertuskerk is verkocht aan een woningbouwcorporatie, die er met behoud van het monumentale gedeelte winkels wil realiseren. Of woningen. Of allebei, dat wil niemand precies zeggen omdat dat ’gevoelig’ ligt.

Ton Brugman heeft geregeld dat hij de Egbertuskerk in mag om te wijzen op de schoonheid van de architectuur. Voor de zekerheid zal hij nog even bellen dat hij inmiddels in Almelo is aangekomen. Hij zet zijn koffertje op tafel naast het koffiekopje, zoekt in zijn paperassen naar het telefoonnummer van de woningcorporatie. „Wat zegt u?” Brugman lijkt te schrikken van wat hij aan de andere kant van de lijn hoort. „De kerk bekijken kan toch wel? Dat is volkomen waardevrij. We verdiepen ons niet in uw plannen, dat beloof ik. Dat ligt te gevoelig, dat weet ik. U mag de kerk niet laten zien? Maar, meneer, een week geleden heb ik de zaak voorbereid. Toen is mij gezegd: ’wij willen u graag de koepel laten zien’ Dat is echt waar, hoor.”

Hij beëindigt het gesprek. De woningbouwcorporatie is overvallen door zijn komst naar Almelo, zegt Brugman. Na intern beraad, is hem beloofd, wordt hij dadelijk teruggebeld.

Jan Stuyt was een voorstander van ’een soort ascetische bouwkunst’, zegt Brugman. „Hij hield niet van opsmuk. Aan de Nieuwe Bavo in Haarlem kun je duidelijk zien hoe hij inspiratie heeft opgedaan op Atos, bij byzantijnse monniken. Daar ga ik zelf binnenkort ook naartoe.”

Hij diept een boekwerkje op uit zijn koffer. „Hier staan een paar belangrijke dingen in.”

Brugman wijst op een tekening die de Klarenbeekse Club voorstelt. Dit gezelschap van katholieke geestelijken, kunstenaars en architecten zag het katholicisme als een adequate oplossing voor allerhande maatschappelijke problemen. Op de tekening vormt de Club een kring rond Sint Joris die een monster bedwingt met zeven koppen die staan voor evenzoveel misstanden, waaronder socialisme en conservatisme. „Dat in-katholieke zie je terug in Stuyts bouw”, zegt Brugman. „In zijn architectuur wil hij het hemelse tot uitdrukking brengen, bijvoorbeeld door het gebruik van koepels. En hij vond het van belang dat kerkgangers zicht hadden op het altaar. Ze moesten visueel bij de eucharistie betrokken worden, dan moesten er geen zuilen in het zicht staan. Stuyt heeft altijd gezocht naar de juiste manier om Gods huis uit te beelden.”

Brugman heeft de hand weten te leggen op een stuk dat Jan Stuyt in januari 1918 in de Maasbode schreef. Hij heeft een passage geel gearceerd: ’Dezer dagen beklaagden we ons over het flauwe gevoel, het zwakke besef en het gebrekkige inzicht, dat ons, Katholieken in ’t algemeen nog altijd ten opzichte van de Kunst kenmerkt. Dit is even treurig als onbegrijpelijk. Want moest niet alles ons wier geheele leven gebouwd staat op grondslagen van zuiver-geestelijken aard, naar het geestelijke heenwijzen en heendringen? En is de schoonheid, vastgelegd, verinnerlijkt in de Kunst, niet een der allerschoonste uitbloeisels van het geestesleven?’

Brugman neemt een slok van zijn koffie. „Wat mij zo fascineert aan Stuyt? Misschien zit er een stukje projectie in. Ik heb ooit een jaartje op een architectenkantoor gewerkt, en ik wilde wel naar de academie voor bouwkunst, maar er werd gezegd: ’laat die ambitie maar varen’. Toen ben ik planologie gaan doen.”

Daar gaat de telefoon. „Ja, meneer”, zegt Brugman. „Ik ben een Jan Stuytkenner. In die hoedanigheid ben ik in Almelo. De heer Uit het Broek zou mij de Egbertuskerk laten zien. Wie Uit het Broek is? Een van uw collega’s, de opzichter met de sleutel. Het enige dat ik vraag is om mij toe te laten in de kerk. Mijn doel is Jan Stuyt. Het gaat niet om uw plannen, echt niet. Die laten we buiten beschouwing. Het gaat om de Egbertuskerk anno 2008.”

Met een zucht bergt Brugman zijn telefoon weg. „We kunnen.”

De koffer gaat weer onder de snelbinders, op naar de Egbertuskerk. Opzichter Uit het Broek stapt er juist uit zijn auto. Hij verontschuldigt zich, dat niet alles liep zoas t loop’n mos. Hij opent een hek waar ’verboden toegang’ op staat en ontgrendelt de kerkdeur. Het interieur biedt een troosteloze aanblik, maar volgens Uit het Broek is er ’een plan gerealiseerd’. „Ten behoeve van renovatie. Maar men is nog geweldig in overleg.”

Het kruis dat ooit boven het altaar hing, staat nu achteloos in een hoek, het altaar zelf is bedekt met gruis. In een wijwaterbakje ligt een leeg Marlboropakje.

De ’buitenschil’ van de kerk, zegt de opzichter, is nu ’optimaal’. Weer buiten wijst Uit het Broek erop dat er ’hoogwaardige Franse daklijers zijn toegepast’.

Ton Brugman kijkt naar de torenklok die stilstaat op vijf uur. Onder de klok is in de muur van de toren een patroon met zwarte en witte vakjes aangebracht. „Zo’n dambord is typisch Stuyt”, zegt hij. Volgens de opzichter is daar nog ’flink over gedubd’. „Maar we hebben toch een stukje vloeistof gevonden om dat weer schoon te krijgen.”

„Maar die architect”, zegt hij, „Struik*”

„Stuyt”, verbetert Brugman. „Hij heeft ook het ziekenhuis in Almelo ontworpen.”

Uit het Broek: „Op die manier.”

„Ja”, zegt Brugman. „En in Overijssel heeft hij een stuk of zes kerken gebouwd.”

„Oh”, zegt de opzichter. „Toch.”

Brugman schudt hem de hand. „We moeten nog naar het gemeentehuis”, zegt hij.

Hij blijkt belet gevraagd te hebben bij twee ambtenaren van de dienst stedenbouw. Hij heeft voor hen ’een presentatie met een persoonlijke noot’, zegt hij. En als hij zo vrij mag zou zijn, zou hij die powerpointpresentatie graag vertonen op de computer van een van beide heren.

De Egbertuskerk is ook voor de ambtenaren een puzzel, zeggen ze. De buitenzijde van het monumentale deel moet intact blijven. Maar de rest? „Het gebied rond de kerk heeft een dubbelfunctie. Dat moet je verbijzonderen. Dat is een complete ontwerpopgave.”

Waarom dat zo gevoelig ligt in Almelo? Volgens een van de ambtenaren komt dat door een eerdere sloop van een kerk. Het gebouw bleek een wandschildering van Strawinski te bevatten, wat de sloop anderhalf jaar vertraagde. Na ’bakken met geld’, actiegroepen en processen moest de schildering op last van de rechter veilig worden gesteld. Nu staat die voor een flinke verzekeringspremie in een ondergronds depot.

Het gesprek komt op het beleid van de Nederlandse bisschoppen ten aanzien van lege kerken. Als die hun religieuze functie verloren hebben, moeten ze plat, om ze niet te ontheiligen. „Wat een starheid”, zegt een van de ambtenaren. „In goed overleg een nieuwe bestemming vinden is niet mogelijk. De bisschoppen hebben totaal geen historisch besef.”

Dat is Ton Brugman uit het hart gegrepen. „Ze hebben geen enkel respect voor het geld en de moeite waarmee vorige generaties die kerken hebben gebouwd en in stand gehouden.”

Hij slaat zijn koffer weer dicht. „Dat was het verhaal, jongens. Bedankt voor de fijne ontvangst, het was voor mij een historisch bezoek.”

Op de fiets naar het station probeert Brugman nog eenmaal zijn missie te verwoorden. „Vandaag heb ik kunnen wijzen op het belang van Jan Stuyt. Ik ben geen actiegroep, maar ik hoop dat ik de heren een beetje heb kunnen beïnvloeden. Dat er niet méér aandacht is voor Stuyt, vind ik een rare gril van de geschiedenis.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden