Eenzame opsluiting lost recidive niet op

Afwisselend in de cel en in de gemeenschap werkt het beste om gevangenen op het rechte pad te brengen.

Toen in 1851 de minister van justitie koos voor eenzame opsluiting, was de achterliggende gedachte dat misdadigers tot inkeer zouden komen als ze verstoken zouden zijn van allerlei wederzijdse verderfelijke invloeden. Gevangenis had en heeft nog steeds de naam de hogeschool der misdaad te zijn. Voor die tijd verbleven de criminelen in tuchthuizen waar ze met tientallen in slaapzalen en op werkzalen de dag doorbrachten. Het hoeft geen betoog dat er van die massale opsluiting weinig goeds uitging. Aanvankelijk was de maximale celstraf nog beperkt tot een half jaar, maar na drie jaar verlengde de bewindsman deze al tot één jaar om in 1871 zelfs voor twee jaar te kiezen.

Helaas bleek eenzame opsluiting de recidive niet op te lossen. Daarbij kwam dat tegenstanders erop wezen dat sommige gedetineerde verkommerden, krankzinnig werden of zelfmoord pleegden. Voor de zieligsten onder hen bestond een mogelijkheid op doktersvoorschrift op een zaaltje te vertoeven en ook de zestig-plussers mochten dat voorrecht genieten. Maar de rest zat 24 uur alleen te wezen en moest het stellen met de karige contacten met bewaarders, dominees en werkmeesters. Zelfs in de kerk zaten ze in een soort badhokje en moesten ze met celkappen op terugkeren naar hun cel met een uitdrukkelijk spreekverbod.

De criminoloog, arts en romanschrijver Arnold Aletrino was een felle tegenstander van dit cellulaire systeem. Zijn humanitaire argwaan werd verstrekt toen hij zag dat het recidivecijfer na 1896 ook nog eens schrikbarend omhoog ging. Was die in 1896 nog ruim 29 procent, in 1903 steeg dit cijfer al naar 41 procent. In 1911 was de recidive opgeklommen tot 47 procent en in 1938 zelfs tot 60 procent.

Na de Tweede Wereldoorlog ging de zaak op de schop. Een staatscommissie onder voorzitterschap van de kantonrechter W. Fick kwam in 1951 tot de conclusie dat een stelsel van cel en gemeenschap de beste oplossing was. En zo geschiedde. Artikel 26 van de Beginselenwet stelde dat de gevangenisstraf bedoeld was om de terugkeer in de samenleving te bevorderen. Het zogenaamde resocialisatiebeginsel.

Gevangenisstraffen gingen omlaag, levenslang kwam nauwelijks voor en de voorwaardelijke invrijheidstelling werd na tweederde van de straf automatisch verleend. In de jaren zeventig van de vorige eeuw bedroeg het aantal gedetineerden per 10.000 inwoners dan ook 29. Onnodig te zeggen dat de recidive navenant was.

De Opiumwet heeft er mede toe bijgedragen dat de criminaliteit zich verhardde, waardoor ook de straffen hoger werden. Als gevolg daarvan ontstonden er grote celtekorten en moesten er gevangenissen bijgebouwd worden. Kon het gevangeniswezen in 1985 met minder dan 6000 cellen de rechterlijke macht van dienst zijn, in 1995 was die capaciteitsbehoefte gestegen tot 12.000. De verwachting nu is dat het in 2010 20.000 veroordeelden moet kunnen huisvesten.

De straffen werden hoger en het gedetineerdencijfer haalde in 1995 het getal van 65 (een groei van maar liefst 186 procent in 10 jaar tijd) en in 2003 was Nederland met 113 het vijfde land in de wereld van de hoogste cijfers. De hoge straffen waarom half Nederland vraagt, hebben dus het recidivecijfer niet beïnvloed. Dat schommelde tussen 1996 en 2003 tussen de 57 en 60 procent. Waarmee ironisch genoeg de jaren 1938 en 2003 elkaars evenknie zijn geworden.

Tussen 1955 en 1975 kabbelde het gevangeniswezen rustig voort. Arbeid stond in hoog aanzien en betekende voor menigeen een zinvolle dagvulling. Daarnaast spande de reclassering zich binnen en buiten de muren van de gevangenis in om de gevangene ook na zijn detentie aan een zinnig voortbestaan te helpen. De druk om het aantal cellen te vermeerderen en het gevoel dat gevangenisstraf weinig bijdroeg aan de vermindering van de recidive leidde ertoe dat het beginsel van resocialisatie werd losgelaten.

Er kwam een opvolger van genoemd artikel 26, waarin de wederaanpassing aan de samenleving secundair werd. Alleen de gemotiveerden met een behoorlijk strafrestant kregen een kans op resocialisatieprogramma’s. Maar wie is gemotiveerd, vroegen de critici zich af. Het kostenaspect speelde mee en het privacybeginsel van één gedetineerde op één cel werd de nek omgedraaid. De meermanscellen zijn inmiddels al enkele jaren gemeengoed, al merk je dat meerdere bewaarders nog steeds huiverig staan tegenover deze verandering in hun baan.

De bewindslieden zijn sterk geporteerd om het gevangeniswezen de recidive in neerwaartse zin te laten beïnvloeden. Maar hoe reëel is dat idee? Al sinds eeuwen blijkt dit instituut daartoe niet in staat te zijn. Noch de lange gevangenisstraf, noch cellulaire opsluiting, noch vele interne programma’s bleken de heilbrengers te zijn. De recidiveremming moet dan ook naar mijn mening gezocht worden in vermindering van criminogene factoren. Zolang de maatschappij allerlei krachten in stand houdt, ontwikkelt of bevordert, kan geen gevangeniswezen die ongewone taak op zich nemen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden