Eens rolde hier de Zuiderzee

Op de Friese IJsselmeerdijk blaast de straffe oostenwind zelfs schapen van hun hoefjes.

Zeven van de elf Friese steden liggen in Gaasterland, een van de meest toeristische delen van de watersportprovincie. Het moest dus niet moeilijk zijn, dachten we, in een van de VVV-kantoren een wandelroute te bemachtigen. Dat was buiten de waard gerekend.

Onze eerste poging, in het redelijk grote Lemmer, strandt voor de gesloten deur van een verlaten VVV-pand. Het leeuwendeel van de VVV-vestigingen in Zuidwest-Friesland is wegens faillissement opgedoekt. Alleen in Sneek kunnen we nog terecht. Net op tijd – het wemelt hier van wandelbelusten – leggen we de hand op het laatste exemplaar van het gidsje Swalk-rûtes, ’De Súdwesthoeke’.

Het lenteweer van deze Palmzondag drijft ons onweerstaanbaar naar het water, de groene grasdijk op langs de voormalige Zuiderzee.

We zetten de auto bij het stationnetje van Workum. Via de Spoardyk en Begine wandelen we terug naar het centrum van de stad. Op de Merk (Markt) is in de schitterende kruiskerk St. Gertrudis de Palmzondagdienst aan de gang. Van het zeventiende-eeuwse Waaggebouw, naast de karakteristieke, losstaande kerktoren, is jammer genoeg weinig te zien; het staat in de steigers. Op de terrassen koesteren de eerste horecaklanten zich in de ochtendzon.

Workum, tegenwoordig vooral bekend van het Jopie Huismanmuseum, is ontstaan aan de monding van de Wymerts, een waterweg naar de voormalige Zuiderzee. Al in de veertiende eeuw verlieten vele schepen Workum via de Wymerts om uit te varen naar Engeland en de Oostzeelanden. Toen de scheepvaart inzakte, ontwikkelde Workum zich verder als agrarisch centrum: de stadswaag is het bewijs. Er zijn er nog veel mooie oude gevels; het stadhuis is zelfs het oudste van Friesland.

Over Súd (de gedempte Wymerts), Sylspaed en Seburch lopen we richting IJsselmeer. Linksaf de brug met de schutsluis over en dan meteen naar rechts. Verderop is een keurige trap, maar wij klauteren hier de dijk op, langs de waterweg die Workum met het IJsselmeer verbindt. De eerste kudde schapen wacht ons al blatend op. Er zullen nog honderden schapen volgen; onze met mest gevulde profielzolen getuigen ervan.

Bij het meer aangekomen buigt de dijk linksaf, naar het zuiden. We hebben uitzicht op de Stoenkherne (Stinkhoek), een buitendijks gebied met moeras, wilgenbos en orchideeënrijk grasland vol watervogels. De buitendijkse gronden zijn ontstaan na de aanleg van de Afsluitdijk in 1932. De getijdebewegingen verdwenen, zodat zandplaten permanent boven water kwam te liggen. De Stoenherne is beschermd natuurmonument en wordt beheerd door it Fryske Gea, dat ook de zorg heeft voor de andere buitendijkse gronden – zoals bij Marrum, waar vorig jaar de intussen beroemd geworden kudde paarden dagenlang door het hoge water gevangen werd gehouden. Zijn naam dankt de Stoenkherne aan wat in deze bocht aanspoelde, zoals zeewier en viskadavers. ’s Zomers stinkt het ondraaglijk.

Links hebben we een oogstrelend uitzicht over het binnendijkse gebied. Hier strekt het Workumer Nieuwland zich uit, waar grutto’s roepen en kieviten door de lucht buitelen. Dankzij het agrarische natuurbeheer, vinden veel broedvogels hier een geschikte broedplaats.

In de verte rechts, op een landtongetje in het IJsselmeer, zien we Hylpen, Hindeloopen voor Hollanders. De smalle grachtjes en houten bruggetjes maken van het oude handelsstadje een Anton Pieck-plaatje. In 1225 kreeg het al stadsrechten en het groeide uit tot een belangrijke Hanzestad. We houden lunchpauze bij café-restaurant De Hinde aan de sporthaven, waarna we de dijk weer beklimmen. Ten zuiden van Hindeloopen, in de ’Bocht van Molkwar’, passeren we ’Badpaviljoen Hindeloopen’. Het betonnen paviljoen (1913) heeft een voor die tijd modern, functionalistisch uiterlijk. Wonderlijk dat vroeger hier de branding van de Zuiderzee aanrolde.

Tegen de harde wind kunnen we bijna leunen. Ook de schapen vangen veel wind, je ziet hun vachten wapperen. Een van de dames is de straffe noordooster te machtig geworden. Ze is omvergeblazen en ligt met vier dunne pootjes machteloos in de lucht te trappelen. Haar lam is tegen haar rug aan gaan liggen. Ze komt met geen mogelijkheid meer overeind, dus we helpen haar een handje. Eenmaal weer op haar pootjes terecht blaat ze ons dankbaar na.

We naderen Molkwerum, Molkwar op zijn Fries, waar we de dijk verlaten. Ooit werd Molkwerum het Venetië van het Noorden genoemd. Het dorp, met eigen zeehaven, was gebouwd op zeven door water gescheiden pollen – eilandjes – die met elkaar verbonden waren door 27 bruggen. Vreemdelingen plachten hier te verdwalen. Molkwar was beroemd om zijn handel in zwanen-pekelvlees, en had een eigen kantoor in Amsterdam. Een zwaan siert het wapen van het ooit belangrijke zeevaardersdorp. Wie nu door het slaperige dorpje (348 inwoners) wandelt, kan zich moeilijk voorstellen dat hier ooit 1700 doopsgezinden woonden.

Onze tocht zit erop. We lopen naar het stationnetje van Koudum-Molkwerum. De trein brengt ons terug naar Workum.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden