Eenmaal buiten de grenzen van het park begint de vakantie pas écht

Beeld Nobirs

In vakantietijd doen we soms vreemde dingen. Schrijver Erik Jan Harmens is erg gesteld op zijn privacy maar belandde met zijn zoon op een veel te druk huisjespark.

Deze zomer verbleef ik een week in een vakantiepark in het oosten van het land. Het was erg druk, niet vreemd in het hoogseizoen. Ook was het erg warm, op de dag van aankomst 35 graden en in de reeds opgezette tent - ik had voor een ‘glamping-arrangement’ gekozen - nog zeker 10 graden meer. Naast de drukte en de hitte was er nog een derde reden voor mij om het meteen na aankomst Spaans benauwd te krijgen: de tenten en caravans waren heel dicht op elkaar gebouwd, zo dicht dat ik er claustrofobisch van werd.

Mijn eerste koophuis kocht ik achttien jaar geleden in een tijd dat de woningmarkt volkomen oververhit was. Dat de vastgoedbubbel op het punt van barsten stond, wist ik toen nog niet. Derhalve kocht ik voor veel geld een heel klein huisje in een heel klein buurtje met nog veel meer heel kleine huisjes, die ook allemaal zo dicht mogelijk op elkaar gebouwd waren. Knus, noemde de makelaar dat, maar ik kreeg er ademnood en voelde me constant bekeken. Niet ten onrechte, want elke keer als ik naar buiten liep om afhankelijk van de week de groene of grijze rolcontainer langs de kant van de weg te zetten, hoorde ik links of rechts van mij: “Zo, buurman, ga je de rolcontainer langs de kant van de weg zetten?” “Ja”, antwoordde ik dan, want ontkennen had geen zin.

Opengetrokken bierblikjes

Mijn achtertuin was onderhoudsarm, oftewel volledig betegeld, en eromheen stonden schuttingen, maar lage, zodat ik altijd in het zicht zat. De buren ook, maar die leken er niet mee te zitten. Als ik ging zitten met een boek vroeg de buurman of ik een boek zat te lezen. Binnen in mij liep de spanning soms zo hoog op dat ik zin kreeg om over het schuttinkje te stappen en de ander een kaakslag te verkopen, een afkeurenswaardige fantasie die me tot het inzicht bracht dat het tijd was om te verhuizen naar een omgeving met meer privacy.

Kort na aankomst op het vakantiepark in het oosten dacht ik alleen maar: plankgas terug naar huis, maar dat was niet leuk voor mijn zoon, die met me mee was, en bovendien zonde van het geld. Dus bleef ik en waakte over mijn Friese stabij, die watertandend werd gadegeslagen door de dobermann van het gezin tegenover en de mastino van daarnaast. Terwijl ik mijn theezakje overgoot met heet water, hoorde ik om mij heen gepscht! van opengetrokken bierblikjes. Heel veel dorst krijg ik er na vijf jaar droogstaan niet meer van, maar registreren doe ik het wel.

Midden op het parkterrein lag het recreatiemeer, volgens de website ‘goed voor heel wat uurtjes waterplezier’. Nadeel was dat de bodem nauwelijks afliep, helemaal in het midden stond ik nog maar tot mijn schenen onder. Omdat ik snakte naar verkoeling liet ik me toch zakken en lag uiteindelijk met mijn buik tussen de waterplanten. Voor de vorm maakte ik enkele schoolslagen, waarna ik weer opstond en naar de tent terugliep. Mensen keken me zonder iets te zeggen na, hadden dit waarschijnlijk al vaker meegemaakt.

Als ik ’s ochtends mijn tent uitkwam zeiden de overburen, die op een klapstoel zaten te zitten: “Goeiemorgen!” Als ik ’s avonds net voor het slapen gaan nog even naar de wc’s liep, kreeg ik knikjes toegeworpen, stilzwijgende welterustens. Speelde ik met mijn zoon voor de tent een potje schaak, dan vroegen voorbijgangers: “Wie wint er?” 

Elke ochtend om kwart over negen reed een golfkarretje over het terrein. Voorin een meisje van het animatieteam dat de agenda voor die dag door het luidsprekertje tetterde, op de achterbank kampmascotte Koos Konijn. Het meisje zwaaide naar me, ik zwaaide terug. Koos ook zwaaien, opnieuw mijn hand in de lucht. Soms had ik zin om die konijnenkop eraf te trekken en de persoon die erin zat een kaakslag te verkopen, weer voelde ik schaamte bij die gewelddadige fantasie.

Ik hou echt van mensen, maar als het er te veel zijn of ze komen te dichtbij, dan krijg ik gewoon geen lucht. De Amerikaanse schrijver Charles Bukowski zei het nog iets sterker: “I don’t hate people, I just feel better when they are not around.” Gelukkig vond ik een even simpele als doeltreffende manier om te overleven en er uiteindelijk zelfs een prima vakantieweek van te maken.

Nobirs voor Tijd 1 septemberBeeld Nobirs

Ooit op een blauwe maandag volgde ik een cursus anticyclisch beleggen, waarbij je aandelen koopt die anderen willen verkopen en ze verkoopt als anderen ze juist willen hebben. Die lessen indachtig ging ik me ook op dit vakantiepark tegenovergesteld aan de meerderheid van de mensen gedragen.

Door de drukte te mijden kreeg ik meer ruimte, ook in mijn hoofd, en verdween mijn aandrang om andere mensen (of konijnen) te slaan. ’s Ochtends deden veel campinggasten boodschappen in het winkeltje, je moest in de rij staan voor je naar binnen kon. In die tijd deden mijn zoon en ik een spelletje of las ik de krant, pas als iedereen zat te lunchen liep ik in alle rust met mijn mandje langs de schappen.

Aanlijnplicht

’s Middags ging iedereen naar het subtropisch zwemparadijs, in die uren gingen wij naar een stadje verderop of naar de speelhal. Om zes uur ’s avonds, als de meeste mensen gingen avondeten, hadden mijn zoon en ik het bad een dik halfuur praktisch voor ons alleen. Kwamen mensen voor hun avondduik, dan stonden wij honderd meter verderop zingend onder de douche. Werd het druk daar in de hokjes, dan zaten wij met de haartjes nat al weer lang en breed voor de tent te monopolyen.

Toen ook de temperatuur vanaf de tweede dag naar beneden ging, voelde ik me werkelijk een stuk prettiger op de camping. Wel jammer voor mijn stabij dat ze nergens op het terrein los mocht. Er waren wel uitlaatplekken, maar ook daar gold een aanlijnplicht, er stonden bordjes en op de plattegrond bij de receptie was het rood gearceerd aangegeven. Pas aan het einde van die tweede dag (maar beter laat dan nooit) had ik een oplossing voor dit probleem gevonden, gewoon door met de hond van het terrein af te lopen. Eén stap buiten de slagbomen en ze mocht ineens overal los. Nergens verbodsborden, niks was rood gearceerd. Friese stabij vrij, baasje ook vrij. Nu kon de vakantie écht beginnen.

Lees ook: 

50 jaar Center Parcs: hoe generaties opgroeiden met een vakantie in eigen land. 

De vakantieparken van Center Parcs zijn een halve eeuw oud. Met de hele bups in een volgepakte gezinsauto en gestreste ouders op de voorbank.

Als je erbij wilt horen, ga je héél ver weg op vakantie

Zomervakanties draaien dit jaar om beleving, het liefst ver weg. "Mensen willen liever ergens 'zijn' in plaats van een plaats alleen te 'bezoeken".

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden