Een zondag in december

We keken handbal, mijn dochters en ik. Het werd uitgezonden door Ziggo. Het werd gespeeld in een Deense hal. Toch keken we want Nederland speelde tegen Noorwegen, in de finale van het wereldkampioenschap. Het was de eerste keer dat we keken. Het was handbal voor vrouwen. Maar ook naar mannen hadden we nooit eerder gekeken. Ik weet niet of de Nederlandse televisie ooit al eens een handbalwedstrijd rechtstreeks uitzond.

Na een goed kwartier stond Nederland al vijf goals achter. Dat verschil liep snel hoger op. Mijn vrouw kwam binnen. Ik zei: "Dit wordt niks meer". "Wat", zei ze, een beetje verontwaardigd, "geef je nu al op?" Mijn dochter viel haar bij. "Je weet niks van handbal", zei ze. "Je kent de regels niet en je weet niets eens hoelang een helft duurt."

Dat was helaas waar. Ik wist niet hoelang een handbalwedstrijd duurde. En ook niet wat wel en niet geoorloofd was in het spel, over lopen met een bal bijvoorbeeld. En er werd heel veel geduwd en getrokken. Het meeste daarvan mocht. Soms, las ik, knepen ze in een tepel.

Ik wachtte het eind van de eerste helft niet af en ging verder met de kerstdecoraties. De vrouwen bleven kijken, zij het met weinig enthousiasme geloof ik.

Ik peuterde aan een kerstslinger met lichtjes, een lange namaakdennetak van 2,70 meter, die ik aan het plafond wilde hangen, als ik tenminste het stijf opgerolde snoer wist te ontwarren. Ik mocht dan geen verstand hebben van handbal, van kerstdecoraties had ik nog minder verstand.

De slinger was net die middag aangeschaft op de kerstmarkt van Soest, waar ze een kerstdorpje hadden nagebouwd naast een grote stal met heilige familie en echte dieren. De kribbe viel bijna uit elkaar. Bij de dieren stond een man in zo'n lelijke kersttrui van de Postcodeloterij. Je kon bij hem een konijn aaien.

Buiten de stal hielden kinderen aan stokken geprikte worstebroodjes boven een vuurkorf. Het dorpje bestond naast de stal uit een rijtje huisjes van hardboard, een kerkje van hardboard, een hooimijt en een molen. In de huizen en de kerk werden spulletjes verkocht, die niemand nodig had. Ik kocht een pot rabarber-vlierbessenjam. Om het deksel was met elastiek een wit papiertje vastgemaakt dat op kant moest lijken.

We dronken glühwein.

Ik hapte in een oliebol.

Het was 14 graden.

Mijn kin en jas waren wit van de poedersuiker. Mijn dochter nam een foto. Een koor van mannen in boerenkielen zong kerstliederen onder het dak van een loods. De dirigent speelde accordeon. Het stond er blauw van de tabaksrook en de walm van het oliebollenvet.

In het belendende tuincentrum verkochten ze reusachtig veel kerstdecoratie. Daar vond ik mijn slinger. Het bleek een tak die je moest uitvouwen.

De vrouwen speelden een best goeie tweede helft. Ik balanceerde, staand op een stoel, met een nep dennetak boven mijn hoofd. Een val nu, dacht ik, zou wel een roemloos einde zijn, maar alles leek op weg naar gelukkige dagen.

undefined

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden