EEN ZERK VOL GEHEIMEN

Deze week ging in het Duitse Kassel de negende Documenta open, ook wel genoemd 'het museum van honderd dagen', omdat dat de periode is die de manifestatie open is. De Belgische museumman Jan Hoet stelde de manifestatie samen. Hij deed het met een hoop persoonlijke voorkeuren op zak. Documenta IX t/m 20 september in Kassel, dag. 10-20 uur. Cat. DM 95 ( 108,30).

Er zijn drie vensters in deze kamer, die bieden uitzicht op de stad. Kassel heeft donkerrode daken, mooi grijs van een weg, een stralende zon. Dat zijn naast het wit de enige kleuren, als uitgespaarde fragmenten, hier moet je het mee doen. De betekenis van dit alles is een geheim. Op de witte vloer ligt een witte kist. Hij ziet er uit als een zerk die verhuld laat wat er in zit. De kunst wordt hier opgebaard, in maagdelijk wit, want onschuldig, niet besmeurd, in tact. Vol geheimenissen, gereed voor de wereld waarop de ramen uitzicht bieden.

De installatie van James Lee Byars lijkt een voorbeeldfunctie te willen zijn voor de kunst die op de negende Documenta te zien is. Organisator Jan Hoet, mede aangetrokken vanwege het onorthodoxe karakter dat zijn tentoonstellingen in het Museum voor Schone Kunsten in Gent doorgaans hebben, heeft voor de Documenta van 1992 geen thema gezocht, geen concept bedacht. Hij houdt van kunst, heeft een aantal favorieten en toont die gewoon. Niet van iedereen houdt hij, niet van alle technieken en stijlen, maar om toch actueel te willen zijn, heeft hij ook wel eens de smaak van zijn drie medewerkers gevolgd. Zo moet de inbreng van de ruim aanwezige fotografie aan Hoets conservator Bart de Baere te zijn toe te schrijven, Hoet zelf houdt niet van dit medium, naar het schijnt. En fotografie is op dit ogenblik nogal in: van de statische groepsportretten van Thomas Struth, de indrukwekkende nachttafrelen van Thomas Ruff, de documentaire treinbeelden van James Welling, de sombere documenten van Thanassis Totsikas tot de prachtige, zeer klassieke parkgezichten van Geoffrey James.

Er bestond in de afgelopen twee jaar waarin Hoet zich met de keuze voor deze Documenta bezighield, grote nieuwsgierigheid naar wat hij zou gaan doen. Hoet zelf wilde daar niet op ingaan. Hij haalde de pers enkele keren bijeen, maar in Gent noch in Weimar kwam hij verder dan het tonen van verschrikkelijk grote hoeveelheden dia's van bezochte tentoonstellingen en discussies over de rol van de kunst en die van de Documenta in het bijzonder. Wie wilde weten wat Hoet ging brengen, moest zijn exposities bekijken, die wist genoeg. Een zo'n manifestatie blijkt in dit opzicht alles onthullend te zijn geweest. In het Vlaamse stadje Temse, idyllisch gelegen aan de Schelde, speelde zich twee jaar geleden de manifestatie Ponton af. Genegeerd door het grote publiek, nauwelijks vermeld in de buitenlandse kranten, werd hier de sleutel tot de Documenta geboden. Hoet houdt van kunstenaars die op lokatie willen komen werken, wil zich laten verrassen door hun actuele stellingname. Hij houdt van onbekende namen, al zijn zijn grote favorieten in tegenstelling daarmee even grote gevestigde reputaties.

Tussen die polen speelt de kunst zich af. In Temse toonde Hoet het werk van Pedro Cabrita Reis, die in een verlaten boerderij een binnenruimte maakte die verschillende vertrekken met elkaar verbond. Op de Friedrichsplatz in Kassel heeft Cabrita Reis nu een gelijksoortige, maar nog spannender binnenruimte gmaakt. Een gang, die als je er eenmaal binnen bent, een gesloten indruk maakt, een traverse van een vierkant gevormde bron of put naar een ronde pendant. Zeer, zeer simpele middelen, maar met een ruimtelijke betekenis waar je elke keer weer doorheen wil lopen.

Hoet houdt, als een der weinige museumdirecteuren, van het werk van de Duitser Michael Buthe. Maakt nooit hetzelfde, is ook niet herkenbaar aan een overheersende stijl van werken. In Gent maakte Buthe ooit het hele museum van Hoet tot een installatie, in Kassel nam hij de koepelzaal van het Fridericianum tot het uitgangspunt voor een nogal introverte installatie. De halfronde muur is bedekt met een reeks etsplaten waarin figuren staan gekrast. Ze omringen een traag omhoog spiralende kaarsenstandaard die bekroond wordt door twee eivormige gouden bollen. 'De heilige nacht van de maagdelijkheid' noemt Buthe het werk, en hij is niet de enige die de onschuld van de kunst op deze Documenta benadrukt.

Er is op deze Documenta veel werk waarin de rol van de kunst ter discussie wordt gesteld. Niet alleen in de twee lange gangen (een Documenta Flanerie geheten) met wijsgerige citaten die Joseph Kosuth in de Neue Galerie heeft ingericht, waar Joseph Goebbels met een zeer verraderlijke tekst het aflegt tegen Wittgenstein, maar ook in het werk van Lothar Baumgarten (op de buitenzijde van de Zwehrenturm), de installaties van Guillaume Bijl (een gefingeerd wassenbeeldenmuseum waarin drie 'heiligen' van de 20e eeuwse kunst worden opgevoerd, te weten Joseph Beuys, het echtpaar Arnold Bode als oprichter van de Documenta in de jaren vijftig en Jan Hoet die zich laat flankeren door een zwaan, symbool voor de kunst op deze Documenta), het atelier van de bedachte schilder van Marcel Maeyer en de kritiek op museale presentaties door Haim Steinbach, staat de kunst zelf ter discussie.

Hoet moet deze ontwikkeling van tevoren hebben ingezien. In de Zwehrenturm laat hij museale kunst zien die volgens hem het eeuwigheidsprincipe bezit. Op de begane grond hangt een gewijde stemming met drie schilderijen die stuk voor stuk als metafoor voor de rol van de kunst gezien kunnen worden: zelfportret met bloemenhoed van James Ensor, de dood van Marat door Jacques-Louis David en 'Waarheen ga je' van Paul Gauguin, een van zijn mooiste Tahitiaanse portretten. Op de etage daarboven is een winkelstelling van Joseph Beuys geinstalleerd die deels het uitzicht onthoudt op een reeks van Duitse romantische doeken. In een apart kabinet hangt een schilderij van Rene Daniels (het laatste dat hij heeft gemaakt, voordat hij een beroerte kreeg en sindsdien niet meer kan schilderen) die Hoet beschouwt als het grote voorbeeld voor een jonge generatie schilders, geflankeerd door de beroemde Neus van Alberto Giacometti. Een tekst van Barnett Newman vormt een traitd'union tussen deze twee ruimten. Daarboven dan de witte zaal van James Lee Byars, als de bekroning van zoveel invloedrijke kunst.

Het is duidelijk dat Hoet met dit statement een duidelijke uitspraak over het tonen van kunst doet. Hij zet de kunst in een filosofisch perspectief, dat veel verder moet reiken dan alleen het laten zien van de nieuwste verworvenheden. Hoet is wel actueel, maar hij laat ook onderstromen zien die de kunst al tientallen jaren verder pogen te brengen. Zo schept hij de waan van de dag op grond van een eeuwigheidsprincipe: de kunst gaat altijd door, zo lang er maar mensen zijn die haar maken en tegelijkertijd is ze afhankelijk van wat er nu wordt gemaakt om voort te blijven bestaan.

Op die wijze gedacht, komt Hoet ook niet tot een hierarchie, er zijn geen leiders en dus ook geen navolgers in zijn optiek. Hij onderscheidt kwaliteit en mindere kwaliteit (die in Kassel ruimschoots aanwezig is), maar oordeelt niet dat er meesters en hun leerlingen zijn. Zo kan het gebeuren dat sommige 'meesters' op deze Documenta door de mand vallen en hun reputatie geweld aan doen door met weinig interessant werk te komen. De tientallen meters lange installatie van Mario Merz in de Documenta-hal staat bol van de pretenties, maar is in feite niet meer dan de zoveelste variatie op Merz' bekende thema van de Fibonacci-reeks, opnieuw uitgevoerd in bundels takken waarin de getallenreeks in neon is opgehangen. Ook de installatie van Bruce Naumann, die ooit in Hoets plannen een centrale rol op de Documenta zou moeten spelen, biedt niet al te veel nieuws over de opvattingen van de maker. In een binnenruimte worden continu videobeelden van een uit angst schreeuwende man gedraaid. De man draait rond (symbool voor zijn angst waarin hij rondcirkelt, veel bij Naumann is van dit soort kouwegrondfilosofie), de kijker kan zijn bewegingen in een cirkel op verschillende parallel lopende beelden volgen. Het werk straalt een fascistoide sfeer uit, niet alleen vanwege het uiterlijk van de man die oogt als een skinhead -een kaalgeschoren hoofd is trouwens de grote mode onder het Duitse publiek, maar ook door de weinig toegankelijke sfeer rond het werk die gecombineerd wordt met veel humbug.

De plaats die Hoet aan Naumann heeft gegeven is al even symbolisch voor Hoets bedoelingen: Naumann staat recht tegenover de entree, het geschreeuw van de man is bij binnenkomst al te horen. Daar, op de begane grond, moeten Hoets onverbiddellijke favorieten staan. Van Naumann loop je naar Francis Bacon met schilderijen die hij kort voor zijn dood heeft gemaakt, van Bacon is het een maar weinig stappen naar Ellsworth Kelly, de meest klassieke schilder onder de levende Documenta-deelnemers. Na het zien van de zoveelste vernieuwing omwille van de vernieuwing -de Documenta laat een stroom van ideeen- en conceptenkunst zien is het goed toeven in de Kelly-zaal. Er hangen slechts drie werken, van gelijk formaat en karakter. Een Panel with Curve in blauw, dezelfde in rood en een derde in groen, alledrie uit 1992, maar volslagen tijdloos.

Haalde Hoet met Bacon en Naumann het drama in het Fridericianum binnen ( "Het gebouw zal in het teken staan van het drama" , zei hij op een eerdere persconferentie, "zoals in de Neue Documenta-halle het epos te zien zal zijn" ), op dat thema is verder in het gebouw niet zo veel meer te zien. Met een beetje goede wil kunnen de matzwarte en zeer ascetische sculpturen van Royden Rabinowitch nog wel tot het 'drama' worden gerekend, maar met Richard Artschwager, Reiner Ruthenbeck (die de liften van binnen en buiten van een mooi blauwe en rode kleur voorzag, Niele Toroni (zijn bekende vlakjes-schilderingen, nu gedeeltelijk op oude kranten tegen een lange muur) en zelfs bij de zeer ijle beelden van Henk Visch is daar geen sprake van. Drama zit in het Fridericianum even goed als in het Ottoneum, als in de Neue Galerie of in de Karlsaue, het immense park dat zich voor de Orangerie uitstrekt. Overigens is die mooie plek stiefmoederlijk behandeld. Hoet kreeg kennelijk weinigen die een buiten-installatie wilde maken. Behalve Pat Steir (die een fraaie transparante voorhang met de voorstelling van een waterval tussen de bomen hing), het huttenkamp van Tadashi Kawamata dat aan weerszijden van de Kleine Fulda is geprojecteerd als ware het een verlaten nederzetting van een prehistorisch volk, en een installatie van Rober Racine, is de weide en het aanpalende bos leeggebleven. Was Hoet er van overtuigd dat hij toch plaats moest maken voor de reusachtige tent die armlastige Documenta-bezoekers voor een geeltje een keurige overnachting biedt a la de sleep-inn-idee uit de jaren zestig, of zag hij te weinig kwaliteit bij de makers van buitenbeelden? Feit is dat namen als Richard Serra, Walter de Maria of Alice Aycock die elk op hun terrein in de afgelopen jaren de trend voor het buitenbeeld hebben gezet, op deze Documenta opvallend afwezig zijn.

De negende Documenta, de eerste in de jaren negentig, biedt geen enkele terugblik op het achterliggende decennium. Typerend is dat in de visie van Hoet het primaat van de schilderkunst heeft afgedaan. Van de nieuwe wilden heeft Hoet alleen de Duitser A.R. Penck en de Amerikaanse Susan Rothenberg overgehouden. Dus geen Lupertz (die in de optiek van Hoet toch over schilderkunst schildert), geen Kiefer, noch Baselitz, Immendorf, Disler, Schnabel, zelfs geen Auerbach. Hoet wilde duidelijk geen schilderkunst-met-inhoud, geen schilderijen met een verhaal. Daarvoor in de plaats stelt Hoet een schilderkunst die formele begrippen aan de orde stelt, zoals dat gebeurt in het werk van Herbert Brandl en Christian Nahe, wat mij betreft meteen de beste twee schilders op deze Documenta. Die laten verf ruiken en zien.

Bestormd door zoveel opvattingen, ideeen en stellingnames, die van Jan Hoet niet uitgezonderd, moet een schenkgelegenheid soelaas bieden voor een verfrissende versnapering. Op weg naar het theehuis van de Orangerie wacht echter nog een aardig divertissement. Marina Abramovic die al eerder vermoeide voeten opdeed tijdens een wandeling over de Grote Muur in China, zette een zaal vol met schoenen, gemaakt uit loodzwaar amethist. Om in te gaan staan, met de ogen dicht en mediterend over wat je zo net allemaal hebt gezien. Je komt geen meter vooruit, zo houden deze klompen je aan de grond gekluisterd. Dat zal toch niet de bedoeling van Jan Hoet zijn geweest?

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden