Een zeemeermin aan de Afsluitdijk

'De lokkende, maar verderf brengende watervrouw met haar hybride lichaam heeft menselijke kenmerken, maar geen ziel en kan daarom nooit in de hemel komen. Na een leven van driehonderd jaar vergaat ze tot schuim op de zee. Ze kan zich van onsterfelijkheid verzekeren door met een mens te trouwen, maar zal haar ziel verliezen als zij door haar echtgenoot op het water beledigd of verlaten wordt.'

door Léon Hanssen

De tweehonderdste geboortedag van de sprookjesschrijver Hans Christian Andersen op 2 april vormt het startsein voor festiviteiten over heel de wereld. In de haven van Kopenhagen zal het bronzen beeld van zijn beroemdste schepping, de kleine zeemeermin, de toeristen opwachten. Zij worden van heinde en verre verwacht. Aan de andere kant van de wereld intussen, ondergaat een baby in Peru een reeks operaties. Het lichaam van Milagros Cerron bleek bij de geboorte aan elkaar gegroeid van haar onderbuik tot haar hielen. Dit zeldzame verschijnsel wordt wel het zeemeermin-syndroom genoemd. Met een mengeling van trots en vrees hebben haar ouders het kindje voor de camera's geshowd. Ze doopten haar letterlijk met de naam 'mirakels'.

Het wonderbaarlijke, maar gruwelijke gegeven van de zeemeermin, nodigt uit tot een verkenning van haar sporen in onze cultuurgeschiedenis. Andersens sprookje 'De kleine zeemeermin' uit 1837 en het gelijknamige gedicht van M. Vasalis uit 1941 blijken daarin literaire hoogtepunten.

Het zeemeermin-motief vindt zijn oorsprong in de klassieke Oudheid. In het twaalfde boek van de Odyssee lezen we bij Homerus dat het schip van Odysseus het eiland van de Sirenen nadert. Onze held is gewaarschuwd. Odysseus weet dat de Sirenen in het groen van een weide tussen de rottende kadavers van zeelieden liggen. Ieder die in hun nabijheid komt betoveren zij met de mooiste gezangen. Van de godin Circe heeft Odysseus daarom een goed advies gekregen: stop kneedbare bijenwas in de oren van je mannen, zodat zij niets kunnen horen als jullie aan de Sirenen voorbijvaren. Wil Odysseus de sirenenzang toch zelf horen, dan moet hij zich aan handen en voeten tegen de mast laten vastbinden, zodat hij niet aan hun lokroep ten prooi kan vallen. Zo gezegd, zo gedaan. Maar als Odysseus bij het voorbijvaren de bekoorlijke zang hoort, smelt zijn hart en geeft hij met zijn wenkbrauwen het bevel dat hij moet worden losgemaakt. In plaats daarvan gaan zijn bemanningsleden sneller roeien en snoeren zij hem nog steviger vast. Pas als de Sirenen niet meer te horen zijn, halen de mannen de was uit hun oren en bevrijden zij Odysseus uit zijn boeien.

Aan het begin van de negentiende eeuw, de periode van de romantiek, krijgt het thema van de lokkende, maar verderf brengende watervrouw met haar hybride lichaam - half mens, half vogel/vis - een nieuwe impuls. Het geloof heerst dat deze wezens allerlei menselijke kenmerken bezitten, maar geen ziel hebben en daarom nooit in de hemel kunnen komen. Na een leven van driehonderd jaar vergaan ze tot schuim op de zee. Een waternimf kan zich van onsterfelijkheid verzekeren door met een mens te trouwen, maar zal haar ziel verliezen als zij door haar echtgenoot op het water beledigd of verlaten wordt. De Duitse baron Friedrich de la Motte Fouqué schrijft in 1811 op basis van deze gegevens het sprookje 'Undine' (Latijn voor 'waternimf') dat een ware bestseller wordt. Het is het verhaal van de noodlottige liefde tussen de zeemaagd Undine en de jonge ridder Huldbrand von Ringstetten. Tijdens een onweer vindt de ridder een schuilplaats in een afgelegen visserhut. Hier wordt hij verliefd op het natuurschepsel Undine, met wie hij een paradijselijke tijd beleeft. Door haar huwelijk met Huldbrand komt Undine in het bezit van een ziel, maar voor haar onsterfelijkheid moet zij de prijs van het aardse leed betalen. Als Huldbrand zijn vrouw in de menselijke gemeenschap wil introduceren, blijkt dat men dit vreemdsoortige wezen niet accepteert. De ridder wordt tot verraad aan zijn geliefde gedwongen. Hij valt ten prooi aan de charmes van de kwade tegenspeelster Bertalda, en tijdens een boottocht met zijn drieën op de Donau beledigt hij Undine ten zeerste. Deze springt in het water en verdwijnt in het diepe. Op het moment dat Huldbrand met zijn nieuwe geliefde gaat trouwen, keert zij nog één keer naar het aardoppervlak terug om met een dodelijke omhelzing de wraak van de watergeesten aan hem te voltrekken.

Fouqué's vertelling is dichterlijk bewerkt door de jonggestorven Louis Bertrand in zijn Gaspard de la Nuit ('Kasper van der Nacht') uit 1842. Het prozagedicht 'Ondine' van deze Fransman telt vijf strofen, die elk uit een lange volzin van enkele regels bestaan. Met een maximum aan taalkundige verfijning is hier een maximum aan zwarte romantiek geproduceerd. Een meermin tikt bij de zeeman-dichter tegen het raam en tracht hem met zoete zang te verleiden haar gemaal te worden. Samen zullen ze naar het paleis op de bodem van het meer afdalen, waar hij als vorst over de meren zal heersen! De mannelijke ikfiguur betoont zich nog standvastiger dan de mythische Odysseus. Quasi-koel antwoordt hij dat hij reeds een stervelinge liefheeft. Hierop vergiet de zeemeermin spijtig een traantje, schatert het uit van het lachen en verdwijnt 'in een garf van spatten, die zilverig langs mijn blauwe venstertjes biggelden.' Uit dit citaat blijkt dat Bertrands waternimf, anders dan bij Fouqué, geen tragisch karakter heeft: zij is vrolijk en sardonisch. De naam van Bertrand heeft later eeuwigheidswaarde gekregen dankzij de betoverende toonzetting van Maurice Ravel in Gaspard de la Nuit. Trois poèmes pour piano d'après Aloysius Bertrand uit 1908. Het eerste daarvan is 'Ondine'. In een schitterend opgebouwd exposé van muzikale stroomgolven, waterdroppen en strelende schuimarmen, is precies te volgen hoe de zeemeermin aan het slot in een plens van zilverige spatten naar de diepte verdwijnt. Niets wraak, niets pijn, het is goed zo.

Hoe anders het wereldberoemde sprookje van Andersen, dat eveneens geïnspireerd is op Fouqué. In de winter van 1836-1837 werpt de Deen vol gedrevenheid 'De kleine zeemeermin' op papier. Meteen beseft hij een evergreen te hebben geschapen. Zijn ambitie was dit zeewezen langs een weg van grote ontberingen tot hemelse hoogten te laten opstijgen. Het verhaal gaat als volgt. De jongste en knapste dochter van de zeekoning, krijgt net als haar vijf zusters op haar vijftiende verjaardag toestemming naar de zeespiegel op te stijgen. Zij hoopt daar iets van de mensenwereld te vernemen, want ze weet dat ze een onsterfelijke ziel zal krijgen als ze de liefde van een man wint. Op zee ontdekt ze een driemaster en tot haar verrassing is er een verjaardagsfeest voor een jonge knappe prins op de boot gaande. Plotseling steekt er een vreselijke onweersstorm op, maar gelukkig weet zij de prins te redden. Zwemmend brengt ze hem naar de kust waar ze hem op een rots legt, met zijn hoofd in de zon. Hopeloos verliefd zint ze op een mogelijkheid hem te veroveren. Misschien kan de zeeheks haar met goede raad bijstaan, misschien kan zij haar zeemeerminnenstaart in mooie mensenbenen omtoveren en haar in een mens veranderen?

De heks blijkt bereid aan de wensen van de zeemeermin te voldoen. Als offer eist zij echter haar tong, dus haar zangstem, en haar bereidheid bij het lopen tot bloedens toe als op vlijmscherpe messen te stappen. Ook spreekt zij een waarschuwing uit. Mocht de prins besluiten met een ander te trouwen, dan 'moet je hart breken en word jij schuim op het water'. Bovendien kan de zeemeermin dan haar onsterfelijke ziel vergeten. Helaas gebeurt het zo. Want de prins beschouwt de zeemeermin louter als een 'lief, braaf kind', haar liefde roept geen tegenliefde op. De prins ontvlamt pas bij het zien van een prinses uit een naburig rijk die volwassenheid uitstraalt en weet hoe ze hem moet inpakken. Het lot van de zeemeermin is bezegeld. Zij smijt het mes waarmee ze de prins uit wraak van het leven had kunnen beroven (zoals de Undine van Fouqué deed) in de golven, en stort zichzelf in de zee, waarbij haar lichaam in schuim oplost. Het sprookje neemt dan een stichtelijke wending. Omdat de zeemeermin zoveel 'geleden en alles verdragen heeft', wordt zij bij de genade van God verheven tot de wereld van de luchtgeesten. Op een goede dag zal zij het Koninkrijk Gods binnenzweven en alsnog een onsterfelijke ziel krijgen. Dat moment zal des te sneller komen naarmate zij op aarde brave kinderen vindt, die de liefde van hun ouders verdienen. Zo krijgt een heidense vertelling over de onmogelijkheid van liefde en de onwrikbaarheid van sociale en seksuele grenzen een christelijk staartje.

In veel sprookjes van Andersen is het voor de hoofdpersoon onmogelijk vervulling in de liefde, geestelijk en seksueel, te vinden. Zijn werk kent zodoende een pedagogisch leidmotief: zet niet in op aardse liefde, want die is hoogst onzeker; het ware geluk is pas het hemelse geluk. Bij herhaalde lezing springen de bloederige en sadomasochistische elementen in 'De kleine zeemeermin' steeds sterker in het oog. Het blijkt zelfs een uiterst wreed sprookje. Net als 'De standvastige tinnen soldaat' (1838) en 'Het meisje met de zwavelstokjes' (1845) is het daarom nauwelijks een sprookje te noemen, als men er tenminste met de kinderpsycholoog Bruno Bettelheim mee instemt dat sprookjes per definitie goed moeten aflopen. Voor kinderen lijken ze om hun pijnlijke inhoud en verontrustend dubbele boodschap niet te verdragen.

Had de zeemeermin gehandeld als haar zussen, dan had zij de prins mee naar de bodem van de zee gevoerd, waar zij hem volledig had kunnen bezitten met zijn dood tot gevolg. Dat is immers waar zeemeerminnen op uit zijn! In plaats daarvan redt zij hem en verliest zij hem ook weer. Uiterst inconsequent! Voor mensenliefde is zij lichamelijk niet geschikt. Wat doet de heks? Zij splijt het onderlijf van het arme kind, zodat de zeemeermin een vrouwelijke figuur wordt, met geslachtsorganen tussen haar benen. De 'vlijmende' pijn die met deze ingreep vergezeld gaat, roept de indruk op van een verkrachting: 'het is net of er een scherp zwaard door je heen gaat'. Voor het eerst ervaart de zeemeermin nu schaamte en bovendien moet zij zich laten welgevallen dat haar tong wordt afgesneden, een handeling die in de literatuur als een equivalent van clitoridectomie is geduid. Haar weg naar verlossing is zodoende verbonden met vreselijke lichamelijke kwellingen en eindeloze zelfopoffering. Met een glimlach op haar gezicht en een denkbeeldige kus voor de prins stijgt zij tenslotte op naar de rozerode wolk in de lucht. Eind goed al goed?

Patricia de Martelaere heeft in haar essaybundel Een verlangen naar ontroostbaarheid uit 1993 een indrukwekkend betoog aan het sprookje van Andersen gewijd. De Vlaamse filosofe komt tot de conclusie dat de kern van de zeemeermin uit een pijn bestaat, die zo onhanteerbaar is dat hij in zijn tegendeel omslaat, in lachen en dansen. Wat de waternimf nastreeft behoort aan geen enkele reële wereld meer toe: 'ze wil alleen de onsterfelijkheid'. In de melancholie van de zeemeermin herkent De Martelaere de inborst van de ware kunstenaar. Beiden koesteren verlangens die hard met elke realiteit botsen. Ook de kunstenaar streeft consequent het onmogelijke na. Ook de kunstenaar treurt omdat hij niet kan samenvloeien met het ideaalbeeld dat hij in zijn hoofd heeft. Ook de kunstenaar streeft in laatste instantie naar onsterfelijkheid. En daarvoor moet hij afzien van alles wat sterfelijk is en moet hij zelfs bereid zijn de eigen droom op te offeren. Andersens kleine zeemeermin vertegenwoordigt het prototype van de absolute kunstenaar. Voor beiden is het zwijgen de ultieme bestemming.

Toch is deze visie minder revolutionair dan het lijkt. De opvatting dat de Deense sprookjesschrijver in 'De kleine zeemeermin' de conflictueuze kern van het kunstenaarschap tot uitdrukking heeft willen brengen, is zelfs gemeengoed in de Andersen-literatuur. De kunstredacteur van het Utrechtsch Dagblad P.H. Ritter jr. publiceerde in 1938 een levensroman van Andersen: De zwerver met de tooverfluit. De door Andersen gekozen weg uit de levensconflicten, zo wordt dan reeds geopperd, is de terugkeer naar het element waarin alles baadt in hetzelfde schemerlicht, 'dat ook de wereld van het kind en dat van den dichter vervult'. Ritters biografie was één van vele signalen omstreeks de Tweede Wereldoorlog van hernieuwde belangstelling voor Andersen en met name voor 'De kleine zeemeermin'. De in dit sprookje verwerkte motieven van vrouwenstrijd, seksuele spanning, zelfverloochening en zucht naar het volmaakte, blijken blijvend tot de verbeelding te spreken, onder anderen bij de dichteres M. Vasalis (1909-1998).

Zij publiceerde in het boekenweekgeschenk van 1941 een gedicht met de titel 'De kleine zeemeermin'. Het is waarschijnlijk dat dit vers een symbolisch huwelijksgeschenk is geweest voor de neuroloog Jan Droogleever Fortuijn, met wie de schrijfster op 3 maart 1939 te 's-Gravenhage was getrouwd. Anders dan het sprookje van de Deen ontbeert het vers van Vasalis echter elk stichtelijk element. Er blijft niets, maar dan ook niets over. Het motief van zelfopoffering is bij Vasalis tot in het extreme doorgetrokken. Het gedicht, dat een sleutelpositie in haar oeuvre inneemt, beschrijft een vrouwelijke ikfiguur die alcohol consumeert. Onder invloed van het geestrijke vocht geraakt deze persoon, die kennelijk een aquarium observeert terwijl zij op de radio naar muziek luistert, voor haar gevoel in een onderwaterwereld. Haar innerlijke roerselen worden als vissen, die het best gedijen bij alcohol. Steeds méér gaat de verliefde ikfiguur zich met de zeemeermin van Andersen identificeren. Zij verklaart zich tot hetzelfde offer bereid als het mooie zeemeerminnetje, wier staart in mooie mensenbenen verandert, waardoor ze bij elke stap tot bloedens toe als op scherpe messen trapt, en wier tong wordt afgesneden, zodat zij haar betoverende stem verliest. 'Speel door Paly', roept zij in de laatste strofe de muzikant op de radio toe. Het loont te weten dat Paly de koosnaam van de voornaam Pál is, het Hongaarse equivalent van Paul, die vaak wordt gebruikt voor de eerste violist van een zigeunerorkest. Het voortspelen onder zijn leiding van de melancholische, opzwepende muziek is noodzakelijk, wil het gedicht tot een dramatische ontknoping komen. Nu de ikfiguur geen klank meer kan produceren die tot de ondergang leidt, moet het orkest het doen.

Ook de hoofdpersoon bij Vasalis wil zich in de golven storten en in schuim oplossen. Zo gezien is dit vers de opofferingsfantasie van een vrouwelijke figuur ten overstaan van een innig aanbeden man: de éne. In vergelijking met het sprookje van Andersen bezit het gedicht van Vasalis een extra tragisch karakter. De totale overgave van de vrouw leidt immers niet tot enige beloning of verheffing, hoe metafysisch ook. Extra wrang is dat de bereidheid van deze dolverliefde vrouw haar stem te 'geven', in de context van het medium waarin deze boodschap is opgenomen, gelijkstaat met de bereidheid het dichten eraan te geven. Een duister omen: anderhalf decennium later stopte Vasalis, vijfenveertig jaar oud, voorgoed met publiceren. Onbedoeld lijkt zij in 'De kleine zeemeermin' het aloude principe van mannelijke dominantie in de wereld te hebben onderstreept. De scheiding tussen de zeemeermin en de geïdealiseerde mannelijke instantie blijft immers intact. De uitkomst van het gedicht, de ondergang van de ziel als schuim op de golven, bezegelt het vrouwelijke fiasco en geeft daaraan hoogstens een poëtisch cachet.

Het is goed ons te realiseren dat de zeemeermin-metafoor reeds in een vroeger gedicht van Vasalis opduikt, namelijk in het nog beroemdere 'Afsluitdijk' uit de bundel Parken en woestijnen (1940). De ikpersoon heeft bij een busreis over de Afsluitdijk de gewaarwording alsof het voertuig 'als een kamer door de nacht' rijdt. Twee matrozen vóór haar - aannemende dat het lyrische ik in deze monologue intérieur de stem van een vrouw vertegenwoordigt - slapen 'onschuldig op elkanders schouder'. De ik waakt. Deze informatie wekt de rustgevende indruk van eenheid van plaats, tijd en identiteit, maar niets is minder waar. De kernervaringen van het gedicht zijn namelijk verdrinken, vastklinken, snijden en splijten. Op de glaswanden van de bus blijken de spiegelingen van binnen en buiten in één beeld samen te komen. De grasrand van de Afsluitdijk (buiten) 'snijdt dwars door de matrozen heen' (binnen) en voor de ikfiguur lijkt het alsof de bus in het zeewater verdwijnt. In dat ondergangsvisoen vindt zij zichzelf terug: 'Alleen / mijn hoofd deint boven het / watervlak, / beweegt de mond als sprak / het, een verbaasde zeemeermin.' Verleden en toekomst vallen weg en er blijft 'alleen dit wonderlijk gespleten lange heden'.

Behalve de fysieke gewaarwording van amputatie, vindt er op psychisch niveau dus een wonderlijk intensieve ervaring plaats. De ervaring namelijk van een heden dat zich prolongeert en tegelijkertijd splitst. Voor deze ervaring lijkt de aanduiding 'mystiek', die zo vaak op Vasalis is toegepast, nauwelijks op haar plaats. Zij produceert immers geen eenheidsbesef, maar gespletenheid. Met de psycholoog William James moet worden aangenomen dat de ware mystieke prestatie berust in het dichten van alle kloven tussen het individu en het absolute. Dit gebeurt bij Vasalis niet. Wat de ikfiguur van haar gedicht in de spiegelwand van de bus 'geopenbaard' wordt, is eerder een negatieve epifanie: de ervaring te worden gespleten en verwoest. Zo'n negatieve epifanie is een vorm van openbaring of verschijning die voor de moderne tijd kenmerkend mag heten. Susan Sontag beschrijft deze ervaring in haar boek Over fotografie bij het zien van foto's van de concentratiekampen Bergen-Belsen en Dachau uit de Tweede Wereldoorlog:

'Niets van wat ik later heb gezien - noch op foto's, noch in het werkelijke leven - heeft mij weer zo scherp, zo diep en zo direct getroffen. Het lijkt me inderdaad zinnig om mijn leven in twee delen te verdelen: de tijd voor ik die foto's had gezien (op het moment zelf was ik twaalf), en de tijd daarna, al ging ik pas verscheidene jaren later volledig begrijpen wat ze voorstelden. Wat was de zin ervan dat ik ze gezien had? Het waren alleen maar foto's, van een gebeurtenis waarvan ik nauwelijks had gehoord en waaraan ik niets kon verhelpen, van een lijden dat ik me nauwelijks kon voorstellen en dat ik in geen enkel opzicht kon verzachten. Maar toen ik naar die foto's keek, ging er iets in mij kapot. Er was een bepaalde limiet bereikt; niet alleen de limiet van afgrijzen. Ik voelde me ongeneeslijk bedroefd en gekwetst, maar een deel van mijn gevoelens begon te verstarren, een deel stierf af, en een ander deel huilt nog steeds.'

Zowel bij Vasalis als bij Sontag is er sprake van de 'openbaring' van een gespleten worden, het raken van een uiterste limiet, waarvan de huiveringwekkendheid vooral in haar visuele karakter ligt. Juist dit aanschouwelijke element maakt dat deze ervaring zó diep in ons bewustzijn kan doordringen, dat er iets 'kapot gaat'. Het smartelijke in 'Afsluitdijk' is bovendien de symbolische verminking die de vrouwelijke ikfiguur ondergaat, zonder dat daar enige 'beloning' - zoals de verheffing van de ziel bij Andersen - tegenover staat. Idem dito in 'De kleine zeemeermin'. Het enige zingevende element lijkt negatief, verwoesting, lijkt een doelgerichte willekeur. Waarom is de ziel van de zeemeermin geen heil gegund? Welke krachten verbieden het haar te zingen en laten haar bloedig 'op messen' schrijden en uiteindelijk als schuim vergaan? Welk onbehagen omtrent wat verbiedt haar een ongedeeld geluk?

Een mogelijkheid tot antwoord biedt een feministisch interpretatiemodel. Als representant van vrouwelijkheid, zo kan men redeneren, levert de zeemeermin in 'Afsluitdijk' een dramatisch protest tegen een dominante, mannelijke technocratische ideologie. De eindeloos rechte Afsluitdijk, die de zee heeft 'getemd' maar niet tot rust heeft gekregen, is de concrete uitingsvorm daarvan. Terwijl de mannen indommelen, waakt de vrouw. Het culturele feminisme ziet 'de vrouw' door haar oorspronkelijke band met de natuur geroepen tot hoedster van het milieu en de natuurlijke omgeving. Dit in tegenstelling tot 'de man', op wiens conto juist het mechanistische denken geschreven wordt, dat sinds de zeventiende eeuw tot de degradatie van het natuurlijke heeft geleid. Hannah Arendt, een generatiegenoot van Vasalis, spreekt in The Human Condition zelfs van 'wereldvervreemding'. Herhaaldelijk heeft Vasalis haar verbijstering geuit over 'de verwondingen en mishandelingen bedreven aan de aarde, de natuur'. In haar gedicht 'Afsluitdijk' zou zij deze misdaad in een radeloze, zelfkwellende geste hebben uitgevoerd op de vrouwelijke ikfiguur. Toch kan deze verklaring niet als afdoende gelden. Vasalis' preoccupatie met pijn en snijden ('niet het snijden doet zo'n pijn, / maar het afgesneden zijn', luidt één van haar beroemde regels) blijft niet gereserveerd voor het afweersysteem op kil, mannelijk denken en handelen. Zij is geïncorporeerd in een algehele esthetiek van vervreemding en vernietiging, die in Andersens sprookje een welkome uitnodiging tot imitatie heeft gevonden. Onder de goddeloze hemel van Vasalis' poëzie moest het stichtelijke happy end van de Deense auteur echter achterwege blijven.

Ruim tien jaar na 'De kleine zeemeermin' slaagde de dichter Lucebert erin het zeemeermin-motief in zijn bundel Apocrief (1952) op vrolijke wijze in de poëzie te integreren. Namelijk in zijn bekende gedicht met de beginregel: 'ik draai een kleine revolutie af'. Bij Lucebert is de zeemeermin niet langer de muze van de melancholische kunstenaar, maar is zij tot de muze van de revolutie geworden. Alles in dit gedicht wentelt en draait, zoals Gerrit Komrij eens heeft vastgesteld: het is één en al vrolijkheid. Zelfs in zijn syntactische en metaforische structuur heeft het vers de vorm van een revolutie (revolvare = terugwentelen) gekregen. De 'schuimende koppen' en de 'schietende schimmen' op de zee, die bij Andersen en Vasalis nog aanzeggers van vernietiging waren, figureren nu als kinderen van de omwenteling.

In het licht van de zeemeermin-traditie getuigt Luceberts gedicht behalve van vrolijkheid, zoals reeds in Gaspard de la Nuit, echter ook van een verbijsterend narcisme. Het vers draait namelijk honderd procent om het ik: ik draai, ik ben, ik draag, ik draai, ik val, enzovoorts. Ook als men meent dat deze 'ik' een zeemeerman moet zijn, blijft het onverteerbaar dat hij in zijn revolutiezang de vrouwelijke lotgenoot tot louter een trofee van zijn eigen 'ritselende' glorie heeft gemaakt. De zelfgenoegzaamheid van deze figuur kan alleen maar verklaard worden door het feit dat hij bijenwas in zijn oren heeft. Hierdoor blijft hij doof voor de boodschap waarvan de zeemeermin reeds eeuwenlang vertolkster is: de boodschap van de menselijke gespletenheid en van de grote pijn en zelfverloochening die nodig zijn om deze onvolmaaktheid op te heffen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden