Een wodka bij het passeren van de poolcirkel

Aan boord van de Plancius vaart Koos Dijksterhuis mee naar Spitsbergen. Eerst doet het voormalige onderzoeksschip het eiland Jan Mayen aan, voor een wandeling in prachtig strijklicht. 'Dit is het goede leven.'

De ondergaande zon vuurt rode glinsteringen af. Het is de laatste zonsondergang, want aan de Noordpool gaat de zon 's zomers niet onder. Aan dek wordt wodka geschonken bij het passeren van de Poolcirkel. We zijn op weg van Schotland naar Spitsbergen, en doen halverwege Jan Mayen aan. Drie dagen varen op zee zonder één ander schip.

's Morgens vroeg steken uit de gladde zeespiegel donkere krommingen, met rugvin. Soms spuit er een fontein uit. Het lijken grote dolfijnen maar het zijn vinvissen. Dwergvinvissen. En er zijn veel vogels.

Een zwarte strook land dreigt onder zware wolken. Jan Mayen ligt er somber bij. Dichterbij komen witte strepen in beeld op de grauwe bergen: sneeuw. Grillige roodbruine rotsen rijzen loodrecht op uit zee, als meerpalen. Lavasteen. Jan Mayen is een vulkanisch eiland van 55 kilometer lang, midden in de oceaan. Een opgestuwde berg van 2300 meter. Op foto's is deze Beerenberg smetteloos wit, maar dat is hooguit vijf dagen per jaar zichtbaar. Het regent, sneeuwt of mist bijna altijd.

Maar vandaag geen regen, sneeuw of mist. We komen met droge voeten aan land in de zodiac. We zwaaien onze benen over de rand van de rubberboot en stappen het donkergrijze strand op. Er liggen schelpen: verse noordkrompen.

Een zonnestraal prikt aarzelend door de wolken. Het grauw van Jan Mayen kleurt geel, groen en roestbruin. Met paarse bloemenkussens van steenbreek. Barakken komen in zicht, radiomasten, een shovel. De militaire basis is rond 1960 gebouwd, een U-vormig ensemble van grijze golfplaat, met grijs zand ertussen. De commandant van de basis draagt een camouflagepak. Hij leest een speech voor. "Ik ben hier de baas", zegt hij, "mijn titel is luitenant-kolonel, ik zwaai de scepter, ik voer het bewind, niets gebeurt zonder mijn instemming, ik ben een soort koning, dit is mijn eiland..." Hier staat een Zeer Belangrijk Man, dat is duidelijk, de baas van twintig mensen op een vulkaan op tweeduizend kilometer van Oslo.

We volgen de zandweg naar het noorden, over een lage dijk door de grijze strandvlakte. Die is bezaaid met drijfhout. Links torenen de bergen op, met een kolonie noordse sterns. Hun rode snavels vlammen op in de zon. Die gluurt steeds feller door blauwe kieren. Rechts glinstert de zee.

Omdat er 22 jaar geleden een ijsbeer op een ijsschots op Jan Mayen aanspoelde, weet je maar nooit en moeten we bij de gids blijven. Die beent er echter in marstempo vandoor, zodat de zeventig wandelaars een steeds langere sliert vormen. Kilometers naar het noorden buigt de zandweg van de oost- naar de westkant van het eiland. Jan Mayen heeft een isthmus, een wespentaille. Lopend trekken we jas, vest, regenbroek uit. Toch is het maar twee graden. De lage zon zet zee, bergen, sneeuw in prachtig strijklicht. De wolken trekken zover op, dat zelfs de Beerenberg in zicht komt. De sneeuwwitte kegel rijst blinkend op uit de blauwe zee, in de blauwe lucht.

Het eindpunt van de wandeling is Walrusbaai. Hier wordt het eiland jaarlijks per vrachtschip bevoorraad. We struinen het strand af tot de klippen, waar noordse stormvogels broeden. Het strand is omzoomd door berghellingen. Er staat een kruis, het graf van de Nederlandse walvisvaarders, die hier in 1634 overwinterden. De tanden vielen uit hun mond, ze kregen zweren en gingen dood aan scheurbuik. De laatste overleed een maand voor een voorraadschip arriveerde. 'Dapre men', staat er in het Noors op.

Terug op de Plancius zitten we in de luwte van de brug. De zon straalt warm op ons gezicht, de poollucht prikkelt de huid, de lucht is blauw, de zee nog blauwer, de vulkaan smetteloos wit. En de zon blijft maar schijnen, 24 uur, het is 21 juni. "Dit is het goede leven", zeg ik. "Kan niet beter", beaamt vriendin. "Tenzij we een walvis zien", zeg ik.

En terwijl de Plancius langs de Beerenberg schuift en we gletsjers in zee zien afbrokkelen, zien ze vanaf de brug een spuitende walvis. Een blauwe vinvis, wie had erop durven hopen? Blauwe vinvissen zijn zeldzaam. De grootste dieren op aarde. Ze kunnen 190 ton wegen en dertig meter lang zijn. Vlakbij de boot duikt-ie op. Nou ja, er verschijnt een rug, een kleine rugvin, en dat alles draait terug het water in. Net een dolfijn. Maar dan wel een gigantische.

Na twee etmalen verschijnt Spitsbergen aan de horizon. We varen de Hornesont in en gaan voor anker. We klimmen in de zodiacs voor een tochtje. "Het is fris", zegt reisleider Phil, "kleed je warm." Fris is het zeker in de speedboot op de Noordelijke IJszee. Gelukkig draag ik thermo-ondergoed, een regenbroek, twee paar sokken, twee T-shirts, een coltrui, vest, jas en handschoenen. We sjezen langs blauwe ijsbergjes de baai in, langs vissersschepen met een harpoen op de voorplecht. Op een van die schepen liggen tien dode dwergvinvissen op het dek. Levende moeten er ook zijn, maar ze laten zich niet zien, ze kijken wel uit.

De dichtheid van ijsbergjes en -schotsen wordt groter. De zee is glad, de zon breekt door, achter ons dreigen donkere wolken, voor ons straalt de avondzon door een blauwe spleet op de blinkende sneeuwbergen. Meeuwen vliegen over: drieteenmeeuwen, maar ook een paar ivoormeeuwen. Die zijn wit op hun snavel en poten na. Ze zijn zo wit als de beluga's, die langs de kust opduiken. Vier, zes, twintig zien we er wel. De witte walvissen zijn zo lang als forse dolfijnen en hebben een rond voorhoofd.

Terug op het moederschip speur ik de kust af door de telescoop. Ik zie een rendier, zijn gewei afstekend tegen de sneeuw. Er vliegen kleine jagers voorbij, eidereenden, zeekoeten. Een ringelrob steekt zijn kop uit het water, maar ijsberen ho maar.

De volgende morgen hijsen we ons weer in de kleren en zwemvesten om met een zodiac aan land te gaan. We moeten bij elkaar blijven vanwege het ijsbeergevaar. De omgeving is verkend en boven op een rots houdt een reisleider de boel in de gaten. Maar ik zou dolgraag een ijsbeer zien.

Sporen genoeg. We kruisen een glijspoor, waar een ijsbeer van een sneeuwhelling is afgeroetsjt. IJsberen zouden nieuwsgierig zijn, onbevreesd en actief jagend. Een mens kan een mooie bout zijn. Maar ijsberen houden minder van groepen mensen dan groepen mensen van ijsberen.

De zon breekt door, de wind ligt, het wordt broeierig. Een reusachtige rotswand steekt loodrecht op uit puinwaaiers en sneeuw. Rond de klip zwermen honderden drieteenmeeuwen. Wat broeden ze hoog! Onder de rotswand grazen rendieren op wat puin lijkt. Lager is meer begroeiing. Mos, wat grassige halmen, de eerste bloemen: paars en geel. De dwergwilgjes krijgen ronde blaadjes maar bloeien nog niet. Ondanks de intensieve betreding ziet de grond er niet vertrapt uit. De zompige mosgrond is veerkrachtig.

Er zijn veel sneeuwgorzen. Een zingend mannetje laat zich als een sneeuwwit parachuutje vanuit de lucht neerdalen. De balts van de sneeuwgors. Vlakbij zit een kleine jager op een rots, de baai met de Plancius op de achtergrond. Het uitzicht is verpletterend.

We varen naar een lang, smal eiland, een besneeuwde bergrug die als een reuzenstrekdam voor de westkust ligt: Prins Karls Forland. Daar leven walrussen. De zon schijnt, maar op open zee waait het flink. Golven spatten tegen de boeg. De kapitein verbiedt een landing per zodiac. Tegen de wind in zou de boot opgewipt worden en achteroverslaan. In de verte zien we zes walrussen. Ze zijn groter, maar verder zijn het net zeehonden op Schiermonnikoog. Ik zie geen slagtanden.

We varen een fjord binnen en meteen is het windstil. We gaan aan land. IJsberen zijn er niet, blijkt uit een korte verkenning door de reisleiders. Er zijn wel rendieren. We lopen op Phils advies met de wind mee langzaam naar twee rendieren. "Als ze ons ruiken en zien, zal de nieuwsgierigheid winnen, als we als een kudde bij elkaar en rustig blijven", zegt hij. We lopen telkens iets dichterbij. Dan gaan we zitten en warempel, ogenschijnlijk achteloos scharrelen de twee rendieren steeds dichter naar ons. "Soms kun je ze bijna aanraken", fluistert Phil. Maar zover komt het niet, want daar komt een andere groep van ons schip aangebeend. De rendieren sjezen ervandoor.

Tijdens het avondeten stoomt de Plancius naar Longyearbyen, waar het anker naar de bodem ratelt. Rijen huisjes liggen tegen de bergen aan geplakt, identiek van vorm, wisselend van kleur. Loodsen en schuren van golfplaat. Een ongebruikt verzameldepot op stelten voor steenkool, dat in bakken van twee kanten aan kabelbanen werd aangevoerd. Een auto hier, een auto daar, een parkeerterrein met overzomerende sneeuwscooters. Op een berg met platte top staan grote witte communicatiebollen. In het water liggen een paar vissersschepen, waarvan één met harpoen, een zeiljacht, een Arctisch onderzoeksschip en een cruiseschip. Aan de overkant van de zeearm liggen zomerhuisjes, kennelijk hebben de 1500 inwoners van Longyearbyen behoefte aan een weekend buiten, met uitzicht op hun stadje. De zomerhuizen zijn alleen per bootje bereikbaar.

We worden in Longyearbyen per zodiac aan wal gebracht. Een bus rijdt ons naar het hotel. Daar hebben we nog drie uur voor dezelfde bus ons naar het vliegveld brengt. Het blijft licht en uit het raam van de hotelkamer zie ik ons schip liggen. Ik mis de begrensde wereld van het schip nu al. Volgend jaar weer. Dan varen we door naar het pakijs. IJsberen! Als ik het gordijn sluit, stapt een rendier het gazon op.

Met Koos naar Spitsbergen
Meer dan vijftig Trouw-lezers monsteren in juni aan op de Plancius, om in gezelschap van Koos Dijksterhuis naar Spitsbergen te reizen. Zij schreven zich in na zijn eerste verslag in de bijlage Tijd; de reis was meteen volgeboekt.

Oceanwide Expeditions organiseert in mei 2014 nóg een lezersreis naar Spitsbergen. Ook dan is Koos aan boord. Let op de advertenties in de krant of zie www.oceanwide-expeditions.com

undefined

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden