Review

Eén wiel op de snelweg, het andere in de sloot

Onder collega's geniet hij al jaren de reputatie een van de meest authentieke Amerikaanse schrijvers te zijn, terwijl het grote publiek hem voornamelijk kent als publicist van avontuurlijke reisverhalen en boeken over bedreigde diersoorten. Het zit Peter Matthiessen (1927) ondanks een succesvolle schrijverscarrière van ruim een halve eeuw nog steeds niet helemaal lekker.

Matthiessen is een rijzige, goed geconserveerde man met het gezonde uiterlijk van iemand, die zijn leven lang een sterke voorkeur voor het buitenleven heeft gehad. De wereldreiziger, die expedities naar het Amazonegebied, Afrika, Nieuw-Guinea en de Himalaya's op zijn naam heeft staan, reageert wat geprikkeld als ik hem confronteer met het feit dat hij in Europa vooral bekend is geworden dankzij 'The snow leopard' (1978), het met de American Book Award en National Book Award bekroonde verslag van een expeditie door de hoogvlakten van Tibet, op zoek naar de sporen van het met uitsterven bedreigde sneeuwluipaard. Gaandeweg krijgt het verhaal een spirituele dimensie, waardoor het uitstijgt boven het niveau van een reisverhaal.

,,Het is gebaseerd op het dagboek van mijn trektocht door dat gebied'', benadrukt hij, ,,en daarom vind ik het geen fictie. Het paste wel goed bij de tijdgeest van de zestiger, begin zeventiger jaren: de barre reis door die afgelegen streek kreeg al snel het karakter van een persoonlijke zoektocht. Je kwam dorpjes tegen, waarin de tijd eeuwenlang stil leek te hebben gestaan. De belangstelling voor oosterse spiritualiteit was in die jaren in het Westen sterk aan het toenemen, zodat het boek min of meer een cult-status kreeg. Maar fictie is het niet. Kennelijk zal ik ermee moeten leren leven dat ik steeds met dat boek geassocieerd wordt. Op zich heb ik daar niet zo'n moeite mee, maar voordat ik 'The snow leopard' schreef, had ik al twintig jaar fictie geschreven. Daar ligt eigenlijk mijn hart. Ik denk dat ik een typische writer's writer ben: aan waardering van schrijvers als Saul Bellow en Don Delillo heeft het me nooit ontbroken.''

,,Maar eigenlijk moet ik daar niet zo over klagen'', voegt hij er snel aan toe, ,,het belangrijkste voor een schrijver is tenslotte dat je een publiek hebt. Bovendien zitten er thematisch veel raakvlakken tussen de twee genres die ik beoefen: het verstoorde evenwicht tussen de mens en de hem omringende natuur speelt bijvoorbeeld in de meeste van mijn boeken een belangrijke rol.''

Wie Matthiessens loopbaan overziet, krijgt niet de indruk dat het schrijven voor hem een moeizaam proces is geweest, dat hij met vallen en opstaan onder de knie heeft gekregen. Al tijdens zijn studentenjaren aan de Yale-universiteit viel hij in de prijzen met een kort verhaal dat in The Atlantic gepubliceerd werd. Binnen de kortste keren beschikte hij over een literair agent, die zijn werk aan diverse tijdschriften wist te slijten. Voor de pas getrouwde Matthiessen bracht dat overigens nog niet voldoende brood op de plank, zodat hij zijn inkomsten moest aanvullen met werk als professioneel diepzeevisser, een baan waarin hij zijn voorliefde voor de natuur met het nuttige kon verenigen. In feite is het schrijven van non-fictie ook voortgevloeid uit praktische overwegingen: ,,Met mijn fictie zat ik op een gegeven moment een beetje op een dood spoor'', vertelt hij laconiek. ,,Daarom ben ik maar eens op mr. Shawn, redacteur van The New-Yorker afgestapt. Ik zei hem dat ik het een en ander van vogels afwist en dat het misschien wel aardig zou zijn om voor het te laat was die beesten in hun oorspronkelijke habitat op te zoeken. Hij ging onmiddellijk akkoord en een paar dagen later zat ik al op de boot richting Amazone. The New-Yorker was een prima werkgever, ik kan niet anders zeggen. Van drie à vier artikelen per jaar kon ik redelijk in mijn levensonderhoud voorzien. Shawn was erg genereus, je kunt je geen betere chef voorstellen. Zo had ik er lucht van gekregen dat er een zeilboot in het Caribisch gebied voer, die de broedplaatsen van zeeschildpadden afschuimde. Het leek me geweldig om een tijdje op die route mee te kunnen varen en Shawn gaf me zonder problemen een fors voorschot. Ik raakte diep onder de indruk van de manier waarop die vissers zich met primitieve middelen staande wisten te houden in de strijd met de elementen. Toen ik terugkwam, wist ik in ieder geval zeker dat ik het beste materiaal niet in mijn artikel zou steken, maar in een roman ('Far Tortuga'). Ik had natuurlijk niet het idee dat ze daar op de redactie erg enthousiast over zouden zijn, maar ik had toch besloten open kaart te spelen. Ik zal Shawns reactie nooit vergeten. Hij zei: 'Doe maar, wat het beste voor uw werk is, mr. Matthiessen.' Een onvergetelijke man.''

De liefde voor de natuur is Matthiessen met de paplepel ingegoten. Hij groeide op in Connecticut, waar zijn ouders een buitenhuis hadden op een ruig stuk grond met bossen en rotsen. Van zijn moeder erfde hij de belangstelling voor vogels - ornithologie was een van zijn bijvakken op de universiteit -, zijn vader hield wel van het buitenleven, maar had er niet zoveel verstand van: in zijn enthousiasme zaagde hij op zekere dag alle bomen op een rotsachtige helling om, waarna het terrein binnen de kortste keren vergeven was van de giftige mocassinslangen. Voor Peter en zijn broertje, niet gehinderd door al te veel kennis van zaken, een fantastische uitdaging: ze vingen een aantal exemplaren in een kistje en lieten ze tegen betaling van een paar centen trots aan hun buurjongetjes zien. Matthiessens broer zou later marinebioloog worden, gespecialiseerd in oesters.

Peters carrière nam een andere wending. Na zijn studie vestigde hij zich in 1949 in Parijs, toentertijd het intellectuele en artistieke centrum van Europa. Samen met Harold Humes, wiens positie later werd overgenomen door George Plimpton, richtte hij de Paris Rewiew op, een tijdschrift voor Engelstalige publicaties: ,,Het was in Parijs een komen en gaan van jonge schrijvers'', herinnert hij zich; ,,Bill Styron, Terry Southern, Irwin Shaw, noem ze maar op. Maar ook acteurs als Samuel Beckett en Alberto Moravia verschenen in vertaling in ons tijdschrift. In 1953 keerde ik terug naar Amerika en vanaf 1954 verhuisde de redactie naar New York, waar George Plimpton de boel bij elkaar hield. Ik ging me meer toeleggen op mijn eigen werk.''

In de zestiger jaren experimenteerde Matthiessen veel met drugs. Geïnspireerd door de boeken van Carlos Castaneda ('De lessen van Don Juan', 'De reis naar Ixtlan') slikte hij naast LSD ook mescaline, 'niet als tijdverdrijf, maar om mijn bewustzijn te verruimen, als spirituele ervaring'. Nadat zijn toenmalige vrouw Deborah Love na een paar bad trips was overgeschakeld op Zen, raakte ook hij gefascineerd door deze levenswijze, die op een verrassende manier aansloot bij zijn holistische kijk op de natuur. Sindsdien is hij een toegewijd zen-discipel, die het stadium van monnik al lang achter zich heeft gelaten. Hij bekleedt nu een hoge positie in de hiërarchie, maar wil daar liever niet over praten: dat stuk van zijn leven probeert hij buiten de schijnwerpers van de publiciteit te houden.

De Everglades-trilogie, waarvan zijn jongste roman 'Bone by Bone' het slotdeel vormt, neemt een heel aparte plaats in zijn oeuvre in. Het is het resultaat van wat hij zelf 'een twintig jaar lange obsessie' noemt: ,,Jaren geleden reisde ik met mijn vader langs de westkust van Florida. We trokken wat rond in de Everglades, het karakteristieke moerasgebied dat ver landinwaarts strekt. Ver van de bewoonde wereld stond er ineens een huis langs de rivier, het enige in de wijde omtrek. Het verhaal ging dat daar een zekere Watson had gewoond, een man met een gewelddadige reputatie, die uiteindelijk door mensen uit zijn directe omgeving was doodgeschoten. Dat was de enige informatie waar ik over beschikte, maar het bleef maar door mijn hoofd malen. Wat was dat voor man geweest en waarom hadden ze hem precies gedood? Veertig jaar lang kwam ik er niet toe om op onderzoek uit te gaan, maar toen ik eenmaal eraan begon, bleek dat niet zo eenvoudig: zijn kinderen wilden er absoluut niet meer over praten, maar toch sprokkelde ik langzaam wat historische feiten bij elkaar, die het raamwerk van deze roman vormen. Edgar Watson werd halverwege de negentiende eeuw geboren, groeide op tijdens de burgeroorlog en was een kolonist in hart en nieren. Hij was een succesvolle boer en toegewijd echtgenoot, maar moest tenslotte de tol betalen voor de donkere kant van zijn karakter: zijn meedogenloze gewelddadigheid. Wat mij fascineert in die man is dat hij in een tijdsbestek van enkele tientallen jaren al die ontwikkelingen heeft meegemaakt van vervoer te paard tot stoomschepen, treinen en vliegtuigen. In die zin staat hij symbool voor met name de ruige pionierskant van Amerika. Ik heb het als mijn taak gezien om van die duistere figuur een menselijk wezen te maken en als de lezers aan het eind van de roman beseffen dat Watson ondanks zijn moordzucht ook een mens is zoals iedereen, heb ik mijn doel bereikt. Want als ik ergens een hekel aan heb, is het dat bestraffende, veroordelende toontje van mensen, die steeds de mond vol hebben over de schending van mensenrechten. Ik vind dat niemand het recht heeft anderen daarover de les te lezen. De holocaust was geen geïsoleerde historische gebeurtenis. Het gebeurde daarvoor ook en het gaat nog dagelijks door. We moeten onder ogen durven zien wie we werkelijk zijn: één wiel zit op de snelweg, het andere in de sloot. We onderscheiden ons van dieren door onze hersenen, maar biologisch gezien zijn we in zekere zin overgespecialiseerd. Dat zou wel eens kunnen betekenen dat we op den duur niet geschikt zijn om te overleven.''

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden