Een wereld die ze zelf nooit kende

“Het is vandaag weer zo'n fantastische dag geweest!”, zegt Lien Braaf. Een vrouw van haar leeftijd, begin vijftig, kwam in de winkel. Alweer een klant die niet een jurkje passen wou, maar haar hart kwam luchten.

ANNEMARIE KOK

Precies een maand geleden opende Lien Braaf 'Kunsjt', in de Woldstraat in Meppel, een zaak waar ze sieraden, tweedehands-kleding, kunstvoorwerpen en 'joodse dingetjes' verkoopt. In de gepleisterde wand is in de vorm van een Davidster een stuk oude muur zichtbaar gemaakt. Boven de ingang hangt een glas-in-lood-raam met in het Hebreeuws de tekst: “Gezegend bent u die dit huis binnenkomt”, en boven de uitgang: “Gezegend bent u die dit huis verlaat”. Er hangen foto's van Edith Piaf en Marlene Dietrich, op de grond ligt een accordeon.

Lien Braaf - ze heeft ook nog een deeltijdbaan in de hulpverlening - kan het nauwelijks bevatten, alle positieve reacties die haar winkel in het vroegere joodse straatje teweeg brengt. De levensverhalen die mensen komen vertellen. “Vind je het leuk als ik een liedje voor je speel?”, had ze aan de vrouw van vanochtend gevraagd. Een vrouw die “steeds naar de kampen moet. Omdat ze zich daar veilig voelt, vertelde ze”.

Als kind wilde ze al een winkel, verzamelde ze mooie, oude dingen. Maar pas een paar jaar geleden, na het beëindigen van een relatie, zag ze kans om die wens in vervulling te laten gaan. Bovendien was inmiddels de behoefte ontstaan om, zoals ze zelf zegt, “gestalte te geven aan een groot gevoel van leegte”.

De leegte van het verdwenen joodse leven van voor de oorlog in plaatsen als Hoogeveen, Meppel, Groningen. Een wereld die zij zelf nooit gekend heeft omdat ze er te jong voor is. Haar winkel, had ze bedacht, zou iets van die sfeer terug moeten halen.

Van haar moeder kreeg ze na de oorlog te horen: “Kind, wij zijn uit logeren geweest. Wij kwamen met een baby uit de oorlog terug”. Met andere woorden: we hebben geluk gehad. Al hadden opa en oma van haar vaders kant en een tante met man en kind de concentratiekampen niet overleefd.

Lien Braaf werd in februari 1945 geboren in het Drentse Anloo, verwekt tijdens een van de ontmoetingen tussen haar ouders, die beide op verschillende adressen zaten ondergedoken. “Mijn moeder en mijn broer zagen er totaal niet joods uit, zij hadden meer bewegingsvrijheid.”

Ze zoekt haar zware shag en begint over haar moeder te vertellen, nu 88 jaar, die aan de onderduik zoveel schrijnende maar ook amusante verhalen overhield. Hoe zat dat nou ook alweer precies met die anekdote over Gradus en Aaltje Mulder uit de buurt van Dwingeloo?

“Ik bel mijn moeder wel even, dan kan ze het je zelf vertellen”, zegt ze. Maar ze bedenkt zich. Haar moeder kijkt op hetzelfde moment naar haar vaste soapserie Goede Tijden, Slechte Tijden.

Haar jeugd in Hoogeveen was vol verwarring. Haar vader, veehandelaar, was tijdens de onderduik tot het christendom bekeerd. “Het bidden en danken vond ik geen punt. En dat hij naar de kerk ging, ook daarover werd - ik denk uit dankbaarheid voor wat er nog was - niet moeilijk gedaan. Hij weerhield ons er ook niet van om naar de synagoge te gaan. Maar wat ik doodeng vond, was dat mijn vader zo'n andere stem had als er andere christelijke mensen op bezoek kwamen. Dan klonk hij alsof hij uit een andere wereld kwam, alsof hij behekst was.”

Op school werd ze uitgescholden voor jeude. “Maar er waren ook christelijke mensen die tegen me zeiden dat ik een kind was van het uitverkoren volk.”

Ondertussen werden gesprekken over vermoorde familieleden en over familieleden die met traumatische ervaringen uit de oorlog waren gekomen, angstvallig bij de kinderen weggehouden. “Er was veel geheimzinnigheid bij ons thuis.”

Het duurde lang voor ze wist wat joods-zijn en de joodse godsdienst voor haar betekende, ze heeft heel wat therapieën achter de rug. Ze gelooft, vertelt ze, 'op een heel eigen manier'.

“Ik houd erg van sfeer en rituelen. Aanvankelijk sprak het geloof me niet aan, omdat er onderscheid wordt gemaakt tussen man en vrouw. De laatste jaren ben ik milder geworden. Met seideravond ga ik naar de synagoge in Zwolle, met Rosj Hasjana - joods nieuwjaar - ook. Met Yom Kippoer ga ik naar mijn moeder.”

Een keer is ze in Bergen Belsen geweest. “Ik hoef nooit meer", zegt ze. “Dan blijf ik in die oorlog hangen, dan blijf ik huilen. Dat wil ik niet, gatverdamme nee. Ik heb er moeite mee dat joods-zijn altijd weer aan de oorlog wordt gekoppeld. Iedereen moet zijn eigen weg volgen, maar ik probeer het zo te zien: dood is dood, hoe rampzalig het ook is geweest. Ik wil leven.”

Toch wordt ze nu in haar winkel, waarmee ze - naast mooie dingen verkopen - uiting wil geven aan de zonnige kanten van het joods-zijn, bijna dagelijks geconfronteerd met verdriet. Ze had “wel gehoopt dat een bepaalde groep mensen positief zou reageren op de joodse symbolen, maar niet verwacht dat die symbolen zoveel los zouden maken.”

Ze merkt dat ze er goed mee om kan gaan. “Dat betekent dat ik de boel zelf goed op een rij heb. En gelukkig komen er ook mensen om alleen iets te kopen, gewoon gezellig.” Enthousiast: “Laatst kwamen er drie schoolmeisjes een CD met jiddische muziek lenen voor een oecumenische dienst, en er is ook iemand van de historische vereniging geweest, om te vertellen dat ik de ramen van de vroegere sjoel van Meppel kan krijgen.”

Ze droomt er nu al van om nog meer joodse winkeltjes in de Woldstraat te openen, een eethuisje ook misschien. Toen ze nog maar net was begonnen met de verbouwing van haar pand, vloog er op een avond een steen door de ruit bij de inmiddels verdwenen shoarmazaak naast haar.

“Ik realiseerde me ineens dat dat bij mij ook zou kunnen gebeuren. Waar begin ik aan, heb ik me afgevraagd. Maar ik wil me niet laten leiden door angst.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden