Column

Een wanhopig voorstel van Buma: staande het Wilhelmus zingen

Stevo Akkerman Beeld Trouw

Ik schrijf dit stukje onder begeleiding van de ‘Hohe Messe’ van Bach, niet al te luid – anders kan ik niet tikken – maar ook weer niet zo zachtjes dat getwijfeld zou kunnen worden aan mijn respect voor de christelijke cultuur, in dit geval van Duitsen bloed. Maar staande het Wilhelmus zingen op school? Wat een wanhopig voorstel van Buma.

In deze verkiezingscampagne, die een zoektocht is geworden naar de identiteit van Nederland, klampen onze politici zich wel heel krampachtig vast aan uiterlijkheden. Wil de ene partij de uitdossing van Zwarte Piet wettelijk vastleggen, komt de tweede met een pleidooi voor het paasei, en volgt de derde met instructies aangaande de juiste lichaamshouding bij het zingen van het volkslied.

Ik geloof dat buitenkant en binnenkant hier ernstig door elkaar worden gehaald, wat doet vermoeden dat het verlangen naar vaderlandse symboliek niet zozeer voortkomt uit overtuiging, maar uit leegte. De tradities waarin onze identiteit wordt uitgedrukt, lijken de plaats te hebben ingenomen van die identiteit zelf. Maar als we samenhang missen, als we het verhaal kwijt zijn dat ons als natie definieert – en dat is waarschijnlijk zo – dan zal de Prinse van Oranje met zijn koning van Hispanje ons weinig verder helpen.

Verabsoluteren van symbolen 

Niets ten nadele van het volkslied als historisch document, maar het verabsoluteren van symbolen is een zwaktebod. Buma bewijst het door in één adem door over majesteitsschennis te beginnen: “Het hoogste wat wij in Nederland hebben, is de waarde van ons koningshuis.” Ik zou zeggen: het hoogste wat wij hebben, is de grondwet. Waarin de rechten van de burgers verankerd liggen. Alsmede de regels van onze parlementaire democratie. Het koningshuis maakt daar – beteugeld en wel – deel van uit. Als we een verhaal zoeken dat oudgedienden en nieuwkomers met elkaar kan verbinden, dan is dit het: dat wij een gemeenschap zijn van historisch bevochten vrijheden. Met als uitkomst dat ‘allen die zich in Nederland bevinden, in gelijke gevallen gelijk worden behandeld’.

Die woorden uit artikel 1 van de grondwet staan in marmer gebeiteld op de ‘grondwetbank’ voor het gebouw van de Tweede Kamer, en dat is mooi. Maar anders dan in andere landen vervult de grondwet in Nederland nauwelijks of geen rol bij het gesprek over wie wij zijn als natie. Terwijl er toch zoveel in besloten ligt. Aan de saaiheid van het proza hoeft dat niet te liggen; de Amerikaanse Constitution is niet minder saai, en toch heeft die in de VS een welhaast religieuze status. En in Duitsland, waar men behoedzaam moet opereren als het gaat om nationale identiteit, is zelfs sprake van ‘Verfassungspariotismus’ – de grondwet als bron van nationale trots.

Iets meer daarvan zou in Nederland geen kwaad kunnen, zoals ook Bas de Gaay Fortman betoogt in zijn boekje ‘De grondwetwijzer’. Scholen zeggen moeite te hebben met de invulling van de lessen burgerschapskunde – welnu: hier ligt het materiaal, de basis van onze nationale waarden. Bestudeer ze, bespreek ze, houd ze in ere. Zittend of staand, dat maakt mij niet uit.                                                                                                                                                                                                                                                                            

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden