Een wandeling door het leven van Joop Alberda

Het nationale mannenvolleybalteam is één van de smaakmakers van de grote vaderlandse afvaardiging op de Olympische Spelen. Bij time-outs staan de haast onverslaanbare lange mannen rond een keurig gekapte en voorkomende kleine man in een groen jasje, Joop Alberda. Zonder zijn gedrevenheid waren er waarschijnlijk geen Nederlandse volleyballers in Atlanta geweest. Een wandeling door het verre van rimpelloze leven van een uitzendkracht-coach, die begint op een woonboot zonder electriteit en telefoon.

Arie Selinger stond op de Olympische Spelen van Barcelona aan het hoofd van een volleybalselectie die op sterven na dood was, als de bekende Phoenix weliswaar uit de as herrees, maar zich naar buitenuit niet bepaald als een eenheid manifesteerde. Dat kon ook moeilijk. Selinger was geen bindmiddel, hij polariseerde. De knorrige, inmiddels oude man ambiëerde het ambt van bondscoach niet meer. Hij had al voor het grote geld in Japan gekozen. Wel probeerde hij over zijn graf heen te regeren door voor zijn zoon, de 1,75 meter kleine Avital Selinger, een plaats temidden van de lange mannen van de toekomst te claimen. Diens kwaliteiten als spelverdeler stonden ook bij Joop Alberda niet ter discussie. Maar omwille van de lieve vrede en de eenheid, achtte die het verstandiger een streep onder het roerige verleden te zetten. En om het sekte-achtige Bankras-model definitief af te zweren, omdat dat in deze tijd, met de huidige groep volleyballers, niet meer werkt.

Voor Alberda is het allang een gepasseerd station. Voor Arie Selinger verre van. Toen De Volkskrant de volleybalprofessor eind vorig jaar opzocht in Kobe, zat hij daar als een naakte man, die het kleed van de grandeur had afgelegd: “Er moet een erfenis zijn, continuïteit, traditie. Alberda heeft dat verbroken. Men mag hem dat niet vergeven. Als ik boos ben, dan ben ik boos voor die jongens als Marco Brouwers en Bert Goedkoop. Jongens die niet zelf opstaan en zeggen: this is wrong. Maar ook Blangé en Zwerver zijn Brouwers en Goedkoop vergeten. Zij zijn de verstervingen van die jongens vergeten. Zij deden dat, opdat Zwerver cs nu het grote geld kunnen verdienen. Wat dat betreft heeft Alberda slecht, heel slecht werk gedaan.” Verderop in het Volkskrant-verhaal noemt Selinger zijn opvolger (zij het niet zijn directe) een vergissing, en een manipulator.

Niet bekend

Vijftien jaar terug was de geboren Fries (25 oktober 1951), maar getogen Groninger het prototype van de club waar hij toen tweede spelverdeler was, Lycurgus. Studentikoos, alternatief, wijsneuzerig en langharig. Zijn wereld was een compleet andere dan het burgermansbestaan. Hij woonde op een boot, de Twee Gebroeders, in een gracht in de stad Groningen. Telefoon en televisie waren verre van onmisbare attributen. Zelfs electriciteitsrekeningen behoorden niet tot de sleur van alle dag, omdat de verlichting uit olielampen straalde. In het Nieuwsblad van het Noorden vertelde hij dat hij sindsdien in minder dan vijftien jaar de industriële revolutie heeft toegestaan in zijn huis. “Als je de vooruitgang wilt tegenhouden, kun je direct wel in een hunebed gaan liggen.”

Het cijfer twee

De woonboot is geruime tijd geleden ingeruild voor een huis in een keurig forenzendorp voor de gesettelde medemens. Zonder computer zou het leven voor Alberda zinloos zijn, zonder GSM is hij de wanhoop nabij. Eén cijfer neemt onveranderd een centrale plaats in in zijn bestaan: twee. Hij was tweede spelverdeler bij zijn alternatieve clubje, tweede trainer van Animo uit Sneek en nu hoofdtrainer van de Zoetemelken van het volleybal. Zijn hoog-analytische, op het oog weinig passionele aanpak moet de doem over het gewraakte getal verdrijven. Als alle coaches in de topsport telt ook voor hem het zilver niet.

Weinigen uit Alberda's (werk)omgeving hadden verwacht dat het de koppige, filosofisch ingestelde computerfreak zo voor de wind zou gaan. Zijn kennis over de volleybalsport was altijd al onomstreden, behalve dan uiteraard bij de Selingers. In 1984 ontmoette hij als broekje de Amerikaanse topcoach Doug Beal. Liep vervolgens stage op het olympisch trainingscentrum van de VS in San Diego, het Franse internaat in Montpellier en een soortgelijk instituut in het Duitse Lohhof, voordat hij in 1986 clubtrainer werd van Animo. Hij hield het daar door gebrek aan middelen en bezieling niet lang uit. Alberda maakte de overstap naar Jong Oranje en ambieerde in '89 de functie van bondscoach van de NeVoBo, toen Selinger omwille van het grote geld de deur achter de Bankrashal in Amstelveen (de naamgever van hét model) achter zich dicht trok. De nog steeds in een technische functie bij de volleybalbond werkzame Peter Murphy beval hem aan, maar Selinger regelde over zijn graf heen de opvolging: Harry Brokking.

Die maakte er, mede door gebrek aan communicatieve vaardigheden, weinig van. Eind 1991, dus ruim een half jaar voor de Spelen van Barcelona, viel de naam Alberda wederom, nu in de functie van tweede man. Ron Zwerver en Avital Selinger herinnerden zich de toen nog op niets gebaseerde afkeer van Selinger senior jegens de pleziervaarder en maakten zich sterk voor de rentree van de vader van het Bankrasmodel. Die kwam, voor een grote zak geld, en nam, voor een iets minder grote zak geld, een achteraf volstrekt incompetente assistent (de Amerikaan Treibitch) mee. Selinger had achteraf niet terug moeten keren; ondanks de tweede plaats op de Spelen, waar hij toevallig (?) iets presteerde wat Alberda in aansprekende evenementen nog maar één keer lukte: Italië verslaan. Selinger gebruikt dat hedentendage nog steeds als deel van zijn gelijk. Zo diep zit de haat. Zijn ploeg vertoonde toen al scheuren. Een nietig, maar veelzeggend detail: na de overwinning op het Italiaanse Dream Team kwam aanvankelijk geen speler juichend op Selinger af. Die schudde toen maar de hand van Treibitch.

In het boek De lange mannen, waarin aan de hand van interviews en reconstructies de volleybalgeschiedenis van de afgelopen tien jaar staat beschreven, geeft Alberda zijn voorganger de eer die hem toekomt. Selinger heeft onmiskenbaar grenzen verlegd. “Wat niet voor mogelijk werd gehouden, is haalbaar gebleken. Maar nu we weten waar Rome ligt, moet je concluderen: er leiden meer wegen naar Rome.”

Alberda werd in 1993 dan toch bondscoach. Er was, drie jaar terug, ook geen andere 'gek' te vinden die tegen een honorarium van een handjevol goede woorden kapitein op een kapseizend schip wilde worden. De toppers waren naar Italië gegaan, conform de in den beginne gemaakte afspraak dat ze na Barcelona voor het grote geld zouden kiezen. Het Bankrasmodel, dat gedijde omdat de internationals hun (Nederlandse) competitieverplichtingen hadden afgezworen, was daarmee definitief achterhaald. Alberda stond een meer democratisch, open bestel voor. Hij kon ook niet anders, want geld ontbrak.

Ongekende eerzuht

De ongekende eerzucht van Alberda heeft het Nederlandse mannenvolleybal er doorheen gesleept, kan in de laatste dagen van de Centennial Games worden vastgesteld. Toen de Groninger op 1 mei 1993 dan eindelijk bondscoach werd, kon hij slechts een contract tot en met het EK van september dat jaar tekenen. In Finland vestigde Alberda zijn naam, ondermeer door een 3-0 zege op Rusland. Hij had een tactisch plan ontwikkeld dat hij baseerde op de film 'Dances with wolves': het afleiden van de kudde van het ene slachtoffer.

Alberda verdiende daarmee het krediet van Ron Zwerver, die in de weken voorafgaand aan het EK door Boudrie en Avital Selinger was benaderd voor een couppoging tegen de nieuwe bondscoach. Zwerver, bij wie in Italië de schellen van de ogen waren gevallen, zag wel iets in de lossere aanpak van Alberda en smoorde de revolutie in de kiem. Verijdeld of niet, het scheelde niet veel of er was een coup tegen windmolens beraamd. Na het EK hoorde de nationale ploeg dat ze wegens geldgebrek zou ophouden te bestaan. De feitelijke werkgever van de bondscoach, de Rijksuniversiteit van Groningen, verlengde de vrijstelling van Alberda tot 1 januari 1997. Onvermoeibaar ging de uitzendkracht op zoek naar geld om contracten van spelers (die op zekere ogenblikken weigerden te spelen of te trainen) te kunnen betalen.

Joop Alberda heeft de slag gewonnen. En het pleit. Aan de vooravond van het EK van vorig jaar laaide het vuurtje nog één keer op, toen Zwerver via een interview in Sport International zijn trainer onderuit haalde. Een enkel citaat: “We hebben totaal helemaal niks aan een coach die bloednerveus is, zoals Joop op het WK van 1994 (...) Joop zoekt altijd naar redenen. Hij wil alles verklaren. Soms kan dat niet. Soms is het zo. Altijd die testjes en vragenformulieren, van dat gedoe word ik ziek.” Zwerver haalde bakzeil. De ploeg riep hem zelf tot de orde; bovendien is zijn positie in het team minder dominant geworden. Naar buitenuit zweeg en zwijgt Alberda als het graf. Het is naar verluidt het laatste binnenbrandje geweest. In 'De lange mannen zegt de coach daarover: “Ik kan niet meer altijd open zijn. Dat vind ik een nadeel van dit vak, dat je moet uitkijken dat je niet paranoïde wordt. Je hebt af en toe het gevoel: is iedereen soms bezig mij en mijn team onderuit te halen? Dan wil ik de deur helemaal dicht gooien. Ik vind dat fundamenteel slecht. Zo wil ik niet zijn en dan pak ik de telefoon en zeg geeveedee.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden