Een wakend oog in alle vijftig huizen

Josine van Eendenburg met Sofie, Freek en Floor. 'Maar aan mijn eigen keukentafel wens ik geen bemoeienis.' (FOTO WERRY CRONE, TROUW) Beeld
Josine van Eendenburg met Sofie, Freek en Floor. 'Maar aan mijn eigen keukentafel wens ik geen bemoeienis.' (FOTO WERRY CRONE, TROUW)

Je hebt een dorp nodig om een kind op te voeden, zeggen pedagogen, maar die dorpen zijn zeldzaam in Nederland. Trouw vond er één in de Hilversumse Wandelmeent. Daar voelen kinderen de ’opvoedende energie’ van hun buren.

Ik ben niet zo’n moedermens, zegt Peet Bakker Schut (40), terwijl ze een shagje rookt in haar sober ingerichte woonkamer. „Ik heb zelf nooit een kinderwens gehad.” Maar ze vindt het wel leuk om zich af en toe met ’het kleine spul’ van anderen te bemoeien. Beetje stoeien, beetje kletsen, een keertje oppassen als hun ouders naar fitness of een schoolavond willen.

Daar heeft deze single met kort haar en stoere uitstraling (belichtingstechnicus van beroep) alle gelegenheid voor. Want Bakker Schut woont in de Wandelmeent in Hilversum, een sociale gemeenschap van vijftig huizen met vrolijk gekleurde kozijnen aan een autovrij woonerf. Hier vormen zo’n 105 mensen, onder wie ruim dertig kinderen, samen een veilig, besloten dorp.

In dit dorp, opgeleverd in 1977 als eerste centraal-wonenproject van Nederland, bestaat nog wat elders goeddeels verloren is gegaan: een sterke burenband. Scharrelt peuter Sanne in haar eentje rond op straat, dan houdt buurman Jan haar ongevraagd een beetje in de gaten. Maken pubers ’s avonds te veel lawaai, dan krijgen ze een reprimande van buurvrouw Josine.

Gezinnen zijn hier geen eilandjes, ze horen bij clusters van vier of vijf huishoudens. Minstens een keer per week eten die samen in een huiselijk ingerichte clusterruimte. Dan koken de volwassenen om de beurt en klieren de kinderen onder het toeziend oog van de buurvrouw met hun broccoli en boontjes.

De bewoners kunnen gebruikmaken van een gemeenschappelijke tuin, een kinderlokaal en ’t Luye Gat, een soort buurtcafé dat elke ochtend geopend is. Een vrijwilliger loopt elke dag om half elf met een bel langs de huizen en iedereen weet wat dat betekent: de koffie staat klaar.

De Wandelmeent is, kortom, een uitgelezen voorbeeld van een village. Met die Engelse term verwijst de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling (RMO) in een recente adviesnota naar de uitdrukking ’It takes a village to raise a child’ (je hebt een dorp nodig om een kind op te voeden). De nota vormt één van de pijlers onder de Gezinsnota van minister Rouvoet die vandaag verschijnt.

De betrokken dorpsgemeenschap bestaat haast niet meer in deze individualistische, verzakelijkte tijd. En dat is jammer, zegt de raad, waarin onder meer hoogleraar pedagogiek Micha de Winter zitting heeft. Ouders zijn gebaat bij informele steun bij de opvoeding; daarmee kunnen problemen als kindermishandeling soms worden voorkomen.

Voor kinderen is het sowieso goed als zij de ’opvoedende energie’ voelen van andere volwassenen. Opa’s en oma’s, politieagent en schooljuf, en niet te vergeten de buren.

Die buren komen soms zomaar binnenvallen, vertelt een lachende Josine van Eendenburg (36), boekhoudster en alleenstaande moeder van Freek (5), Floor (7) en Sofie (9). Zij wijst op de voordeurklink, waarmee alle huizen van buitenaf kunnen worden opengemaakt: „Die klink is symbolisch voor de Wandelmeent. Je loopt heel makkelijk bij elkaar binnen. We kloppen wel hoor en als ik geen zin heb in contact, dan doe ik de deur op slot.”

Van Eendenburg woont om de hoek bij Peet Bakker Schut en beschrijft de Wandelmeent als een warm bad en een veilige haven voor haar kroost. „Ik weet gewoon: van nummer 1 tot 67 is er een wakend oog”, vertelt ze, terwijl haar drie kinderen spelletjes doen en ravotten.

De bescherming en de onderlinge betrokkenheid zijn voor haar de grootste pluspunten van het woonproject. De warmte is al voelbaar in het kraambed, zegt Van Eendenburg: „De hele straat komt met kaartjes en bloemen.”

Ook de door de RMO zo aanbevolen opvoedende energie, die op het woonerf bijna tastbaar is, ervaart zij als prettig. Laatst gaf buurvrouw Marian haar zoontje – nogal een ’doerak’ – op z’n kop omdat hij weigerde de deur van de clusterruimte dicht te doen. „Dat pik ik niet van iedereen, maar dus wel van Marian.”

Het belangrijkste opvoedmoment is hier, net als elders, het avondeten. Tijdens de wekelijkse clustermaaltijd geldt de regel: de volwassene die naast het kind zit, is de baas. Van Eendenburg, die zichzelf als ietwat streng typeert, moet dan wel eens slikken: „Dan zie ik dat mijn dochter alleen maar pasta eet en de buurman vindt dat goed.” Maar zijn laissez-faire-aanpak werkt óók, ziet ze wel: „Voor mij is dat relativerend. Al eet ze een keer geen groente, een maaltijd zonder twist is ook veel waard.”

Ontmoetingen tussen mensen vormen de basis van de village, schrijft de RMO. Alleen al het zien van andermans kinderen en opvoedstijlen is leerzaam voor vaders en moeders. Hoe vaker ze elkaar ontmoeten en hoe vanzelfsprekender het contact, des te makkelijker is het om elkaar af en toe een beetje te helpen of te corrigeren. En des te kleiner de kans dat die ongevraagde opvoedhulp als bemoeizuchtig wordt ervaren.

Toch moeten medeopvoeders balanceren op een smal randje – ook in de Wandelmeent. Ouders zijn kwetsbaar waar het hun kinderen betreft, en goedbedoelde feedback kan hen diep in het hart treffen. Peet Bakker Schut is zich bewust van die gevoeligheid en houdt daarom soms gewoon haar mond: „Maakt een buurmeisje een enorme bende van haar eten, terwijl haar moeder naast haar zit, dan denk ik: oké, straks haal ik de bezem er wel door heen.”

Voor Van Eendenburg ligt hier de grens: „Aan mijn eigen keukentafel wens ik géén bemoeienis.” Misdragen haar kinderen zich op straat, trekken ze bloemen uit een tuin of pesten ze een kind in de zandbak, dan mogen de buren zich er tegenaan bemoeien. Graag zelfs.

Maar achter haar eigen voordeur is Van Eendenburg de enige opvoeder. Geen perfecte, dat geeft ze direct toe: „Ik kan zo tien dingen opnoemen die ik verkeerd doe. Ik ben ook maar een mens.” Haar dochter Floor, die even mee komt luisteren en en passant een tweede koekje probeert te bemachtigen, bevestigt de autoriteit van Van Eendenburg: „Echte standjes krijgen we alleen van onze moeder. Zij is de strengste buurvrouw.”

Soms vraagt Van Eendenburg zich af: hoe kijken haar kinderen straks terug op hun jeugd in deze village? Nu al ziet ze tenminste één positief effect: „Mijn dochters en zoontje zijn niet bang voor volwassenen, ze durven ze aan te spreken, ze hebben geen terughoudendheid. Dat komt doordat ze hier met veel verschillende mensen vertrouwd zijn.”

Haar kinderen roemen desgevraagd andere kwaliteiten van de Wandelmeent: de straat zonder auto’s en de tuin waarin ze eindeloos kunnen spelen en de pannenkoeken van buurvrouw Marian. Heel gewone kinderdingen dus. Ach ja, zegt hun moeder, zo bijzonder is hun leven hier niet: „Dit is een doodnormale, maar doorzichtige straat.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden