Een vrouw op straat

Een vrouw die alleen over straat loopt. Nou én? Aan de hand van Mrs Dalloway ontdekt Julie Phillips de stad die eens emancipatiemachine was. Hoe flaneren we nu in boeken, en in het echt?

Soms is alleen het feit dat je een plaats goed kent al genoeg om ervan te genieten. Op het platteland is dat gevoel vaak iets privés: díe boom, díe akker, dát uitzicht lijkt helemaal van jou alleen te zijn. In de stad wordt dit sentiment competitiever, arrogant zelfs. Om het hart van een stad te claimen moet je - helemaal wanneer je schrijver bent - volhouden dat niemand het duidelijker ziet of er meer vreugde in schept dan jij.

Daarom zit de literatuur zo vol solitaire wandelaars, mensen die anoniem door de drukke stad slenteren, de gezichten van anderen observeren en zich hun levens voorstellen. Voor Flaubert, Rilke, Baudelaire, Proust, Joyce of Nescio dient deze eenzame stadsbewoner niet alleen als het oog van de schrijver, hij legt namens de schrijver een claim op de stad. In de literatuur staat dit personage bekend als de flaneur - flaneren niet in de zin van paraderen en gezien willen worden, maar slenteren, rondhangen, rondneuzen. Net als de schrijver is de flaneur vol van zichzelf; hij gaat prat op zijn kennis van de stad, terwijl hij je onder de neus wrijft hoe gelukkig hij is, zomaar op een miezerige morgen in de Dapperstraat.

Een van de meest zelfbewuste en vreugdevolle flaneurs uit de literatuur, een stellige, trotse stadsbewoner, is Clarissa Dalloway. In Virginia Woolfs roman 'Mevrouw Dalloway' (1925, onlangs heruitgebracht in een mooie nieuwe vertaling van Boukje Verheij) eist ze de stad op als het natuurlijke territorium van de vrouw van middelbare leeftijd. Wanneer je dit boek nu leest, raak je onder de indruk, niet alleen van Woolfs ongeëvenaarde stijl, maar ook van hoe bekend Clarissa je voorkomt: een zelfverzekerde vrouw die een feestje voor haar man voorbereidt, bloemen koopt, etalages kijkt, oude vrienden tegen het lijf loopt.

Maar je realiseert je ook hoezeer de stad van 1925 - vuil, levendig, onschuldig - verschilt met die van nu. Speelt de flaneur nog een rol in de fictie van de hedendaagse metropool, waar virtuele ontmoetingen even belangrijk zijn als fysieke? Heeft literatuur ons nog steeds iets te vertellen over het openbare leven van steden?

"Wat zijn we toch dwaas", denkt Clarissa, terwijl ze Victoria Street in Londen oversteekt op een mooie zomerse ochtend. "Want de hemel mag weten waarom we het zo liefhebben, waarom we het zo zien, het vormgeven, rondom ons opbouwen, omvergooien en ieder moment opnieuw creëren. (...) In de ogen van de mensen, in het gedraaf, geslier en geslof, in het tumult en rumoer, de koetsen, automobielen, dubbeldeksbussen, bestelwagens, schuifelende sandwichmannen, de fanfarekorpsen, de draaiorgels, in de triomf en het geklingel en het vreemde hoge zingen van een vliegtuig in de lucht bevond zich wat ze liefhad: het leven, London, dit ene moment in juni."

'Mevrouw Dalloway' begint, net als Woody Allens film 'Manhattan', met een lofzang op de chaotische inspiratie van de stad. Woolf volgt Clarissa vanuit haar elegante woning in Westminster, door het drukke verkeer en parken, bij onverwachte ontmoetingen en plotselinge inzichten, terwijl ze haar stad omvergooit, opbouwt, en steeds opnieuw uitvindt. De personages (Clarissa, haar oude vriend Peter Welsh, oorlogsveteraan Septimus Warren Smith) kruisen herhaaldelijk elkaars wegen, waardoor de roman een kaart wordt, een patroon van verplaatsingen en associaties die je kunt volgen of niet. Wanneer je het boek binnengaat, begeef je je als het ware in een menigte van mensen die denken, kijken, om de beurt een stukje van het verhaal vertellen.

'Mevrouw Dalloway', dat zich afspeelt gedurende één lange zomerdag, is onder meer een portret van een vrouw van 51, een verkenning van het begrip 'tijd', een kritiek op de pretenties van het gezag. We vangen een glimp op van een moeder-dochterrelatie, een man met een oorlogstrauma, een lesbische romance.

Maar ook laat Woolf ons de stad zien zoals de modernistische schrijvers die zagen, als een plaats van nieuwe vrijheden. De generatie van de jaren twintig, getekend door de slachting van de Eerste Wereldoorlog, kwam naar de stad om het verleden achter zich te laten. Auto's en vliegtuigen, korte rokken en vrouwenstemrecht leken de wereld vooruit te stuwen naar een mooie en rationele toekomst: de stad als emancipatiemachine.

In het dynamische, gemotoriseerde Londen van de jaren twintig, waar autobussen opstomen door de hoofdstraten, een limousine met geblindeerde ramen het verkeer verspert, en een vliegtuigje dat met rook een reclameboodschap in de lucht schrijft, is alles maakbaar, staat niets meer vast.

Toen ze begon aan 'Mevrouw Dalloway' woonde Virginia Woolf in een voorstad van Londen, maar niet uit eigen keuze. Ze had een zenuwinzinking gehad, en van haar artsen moest ze spanning vermijden. In haar dagboek schreef ze hoezeer ze verlangde naar Londen, waar ze "muziek kon horen, of een schilderij kon zien, of iets kon onderzoeken in het British Museum, of op avontuur kon gaan onder de mensen."

Toen Woolf de roman af had, was ze net tegen doktersadvies in terugverhuisd naar Londen. Het boek zindert van het genot dat een intellectuele vrouw schept in alles waaraan de stad rijk is: ideeën, gelijkgestemden, nieuwe mogelijkheden. Een vrouw die door de stad wandelde was iets nieuws, daar was Woolf zich zeer van bewust.

Als de criticus James Wood over de flaneur schrijft in zijn boek 'Hoe fictie werkt', neemt hij als voorbeeld van een schrijver die de stad juist niet observeert Jane Austen: "Haar heldinnen lopen nooit zomaar wat te slenteren en na te denken en om zich heen te kijken." Logisch, dat kon namelijk niet.

In de tijd van Austen was alleen over straat gaan voldoende om de reputatie van een vrouw te ruïneren, of erger. Zelfs Woolf werd, toen ze al in de twintig was, nog gewaarschuwd door een oudere tante: "Lieverd, ga nooit 's middags laat in je eentje de stad in." Door over een vrouwelijke flaneur te schrijven, zette Woolf doelbewust deze conventie op zijn kop.

Soms is de stad voor haar echter een plaats om noch man noch vrouw te zijn. In een essay uit 1927, 'De roep van de straat' (hier uitgegeven in het essaybundeltje 'Geheim Londen'), schreef Woolf dat we alle isolerende lagen achterlaten wanneer we naar buiten gaan. "De schelpachtige bedekking die onze ziel uitscheidt om zich in te huisvesten, om voor zichzelf een unieke vorm te maken, is opengebroken, en wat overblijft te midden van van deze ruwe oneffenheden is een oester van opmerkzaamheid, een enorm oog."

Woolf eiste voor vrouwen een 'kamer voor jezelf' om daar te kunnen schrijven. Maar zelf wil ze niet de hele tijd in die kamer doorbrengen. Ze koestert de momenten, zoals in dit essay, waarop ze naar buiten gaat om een potlood te kopen en even een half uur anoniem mag zijn.

Bijna honderd jaar later is de stad veranderd. Waar wandelen mensen nog, op die paar tot Werelderfgoed benoemde Europese openluchtmusea na die nu doorgaan voor stadscentra? Wie durft toe te geven dat hij uren verspilt met nadenken? De flaneur was altijd al een buitenstaander, en de flaneuse helemaal. In plaats van haar tijd vooruit te zijn, probeert deze figuur nu de klok terug te draaien. Een vrouw hoort toch carrière te maken? Waarom volgt ze geen cursus timemanagement, perst ze niet de minuten uit elke dag, als bloed uit een steen?

Wie kijkt er nog om zich heen en niet naar een scherm? Ali Smith's korte verhaal 'Springlevend', uit de onlangs verschenen bloemlezing 'Naar de stad. De mooiste stadsverhalen van de 21ste eeuw', begint met een verteller die wel en niet in haar eentje is: "Zigzaggend om de mensenmassa te ontwijken, liep ik door de stationshal van King's Cross met jou aan de telefoon." Anoniem in de stad? Nauwelijks. Als Woolf nu de deur uit zou gaan om schrijfwaren te kopen, liep ze vast onderweg te bellen, te sms'en of Twitter te checken.

Als we wél alleen waren met onze gedachten zouden stadsbewoners waarschijnlijk aan de Prozac moeten. De schetsen van Lydia Davis in 'Naar de stad' suggereren dat de moderne westerse stad niet zozeer een emancipatiemachine is als wel een paniekfabriek, een plaats die de bewoners zoveel mogelijkheden en afleidingen biedt dat ze zich amper staande kunnen houden. En het kan nog erger, volgens de verhalen uit 'Naar de stad' die zich afspelen in derdewereldsteden of in het schaduwbestaan van de illegaliteit.

In een maatschappij die geïndividualiseerd is op een manier die Woolf zich niet had kunnen voorstellen, is de vrijheid van Mevrouw Dalloway geworden tot een eindeloze serie keuzes die als wormen onze wortels aanvreten en ons afsnijden van onze basis. De moderne literaire flaneur is meer dan anoniem, hij is ontheemd: transnationaal, multiraciaal, postkoloniaal. Het is de Nigeriaans-Duits-Amerikaanse verteller uit Teju Cole's 'Open stad', de expat-Nederlander uit Joseph O'Neills 'Laagland', de ik-persoon van de Duits-Engelse schrijver W.G. Sebald.

Het is de ik-persoon uit 'Valse papieren', de roman van de Mexicaans-Italiaanse schrijfster Valeria Luiselli, die Mexico-Stad verkent op de fiets en verklaart: "De flaneur die zich op twee wielen voortbeweegt zal de juiste afstand houden om (...) zowel medeplichtige als getuige van de stad te worden." Luiselli probeert zelfs te komen tot een filosofie van het reizen per vliegtuig, met zijn extra dimensies van opstijgen en landen.

Deze schrijvers mengen zowel literaire genres als nationaliteiten, combineren fictie met een stortvloed van plaatsnamen, jaartallen, citaten en historische feiten, alsof het stadsleven, Woolfs 'tumult en rumoer', het best kan worden geduid aan de hand van een soort Wikipedia van de stad. (Of misschien is dit hoe de hedendaagse outsider zijn eenzaamheid en zijn verlangen naar verbondenheid uit. Want is het internet niet gewoon één gigantische flaneermachine?) Het internet doet de grens vervagen tussen binnen en buiten, ervaring en internetwijsheid, openbaar en privé.

Dus wanneer we 'Mevrouw Dalloway' lezen, met zijn op de toekomst gerichte optimisme, kijken we tegelijk achterom, naar een stad die alleen bestaat in de verbeelding van de toeristen en provincialen die nu de historische binnensteden overspoelen. Zelfs in de meest 'leefbare' steden worden de oorspronkelijke bewoners uit het centrum verdrongen, op de paar huiseigenaren na die het zich kunnen veroorloven om te betalen voor het voorrecht om naar de winkel te kunnen wandelen.

Wat opvalt als je Clarissa Dalloway op een zonnige lentedag in 2013 naloopt, is het gedrang rond de hoogtepunten van haar route. Russische paren poseren bij de Big Ben. Voor Buckingham Palace wijst de gids Italiaanse schoolkinderen op de lege vlaggemast: de koninklijke familie is niet thuis. In Bond Street, met zijn designerwinkels, dragen toeristen jeans en T-shirts. Hier vind je de Londenaren niet meer. Wat je ziet is de massa van internationale reizigers die elkaar bekijken.

We zijn nu allemaal flaneurs. Toch is er niets in alle feitenovervloed en postmoderne wereldwijsheid van de huidige flaneurs wat te vergelijken is met de poëzie van 'Mevrouw Dalloway': Woolfs spel met tijd en ruimte, de patronen die ze creëert uit de eenvoudigste elementen zoals een klok die slaat of een boom die zich aftekent tegen de lucht. Cole en Luiselli zijn meesterlijke chroniqueurs van de hedendaagse stad, maar ze gaan gebukt onder het gewicht van de geschiedenis. Clarissa is gewoonweg één met Londen:

"Maar in de bus naar Shaftesbury Avenue zei ze dat ze zich overál voelde; niet 'hier, hier, hier' - en ze tikte op de rugleuning van de stoel - maar overal. Ze zwaaide met haar hand, terwijl ze over Shaftesbury Avenue reed. Ze was dat allemaal. Zodat je om haar te kennen, om wie dan ook te kennen, op zoek moest naar de mensen, en zelfs de plaatsen, die iemand compleet maakten."

Op zulke momenten lijkt Woolf juist vooruit te blikken naar de virtuele stad van de eenentwintigse eeuw. In 'Mevrouw Dalloway' zijn het niet de mensen die de stad bevolken, maar de stad die tot leven komt in de verbeelding van haar inwoners.

Elke ochtend creëren we de stad opnieuw, vanaf het moment dat we onze voordeur uitstappen en om ons heen kijken.

undefined

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden