Klein VerslagWim Boevink

Een vrij leven op hoogte

Nauwelijks had ik iets geschreven over de ervaring van het wonen op een dakverdieping, met veel hemel erboven en fladderende duiven, of de Paris Review of Books kwam met een lange beschouwing over het leven op daken onder de titel ‘Ode to Rooftops’.

De dakervaring was niet helemaal vergelijkbaar met de mijne op die zolderverdieping in het lieflijke stadje Z.; hier werden grote daken aangesproken in grote steden, in New York, in Parijs, in Mexico City – met verwijzingen naar grote literatuur.

John Sloan, ‘Pigeons’

Zo werd de Chileense auteur Roberto Bolaño opgevoerd en zijn roman ‘The Spirit of Science Fiction’, die speelt op de daken van Mexico City, historisch gezien het domein van de bedienden. Dat gegeven deed me denken aan de dakscène in de oogverblindende Mexicaanse film ‘Roma’, waar Cleo de huishoudster de was doet, en je zicht hebt op een cascade van platte daken met waslijnen en een heel eigen leven. Het was een frappant beeld; de daken die een leefwereld boden aan een onderlaag van de bevolking.

Op daken heerst een ander soort vrijheid, betoogt de beschouwing in de Paris Review, eentje waarbij men ontsnapt aan het publieke oog dat op andere niveaus bestaat, een vrijheid die groeit uit het besef dat men zich praktisch onbespied waant. Je bevindt je op de top van de wereld.

Er zijn meer literatuurverwijzingen; naar Philip Roth, naar Zola, naar Balzac. Van de laatste komt de beschrijving van de glooiingen van een menigte van ­daken, ‘als golven in een bewegingloze zee’.

Nee, zo romantisch en dramatisch is het niet vanuit mijn zolder, waar ik links en rechts aankijk tegen hellende dakschilden van belendende percelen, en voor en achter tegen zolders en kroonlijsten op vergelijkbare hoogte.

John Sloan, ‘Sunday, Women Drying Their Hair’

Graag zou ik tien meter hoger hebben gewoond, om die rode en zwarte pannenzee te zien, en de gemetselde schoorstenen tussen scherp gekante randen van oude zadeldaken; want platte daken met teer en bitumen, die kenden ze niet in vroegere eeuwen.

Maar iets van die vrijheid proef ik wel, er zouden hier andere wetten kunnen bestaan, wetten die niemand naleeft, ver weg van de sores daarbeneden op het plaveisel, waar het publieke oog heerst en een virus rondwaart.

Maar het mooist misschien van de beschouwing van de Paris Review waren de afbeeldingen; afbeeldingen van schilderijen van de Amerikaanse schilder John Sloan (1871-1951), die een deel van zijn werk wijdde aan het dakleven in New York, zoals hij dat kon observeren vanuit zijn appartement op de elfde verdieping in Greenwich Village.

‘Werk, spel, liefde, zorg, ijdelheid, het schoolmeisje, de oude moeder, de dief, de rechtzinnige, de hoer. Ik zie ze daar allemaal zonder vermomming.’

Weer dat onbespied wanen en zich zo gedragen, ofschoon gelijktijdig een schilder de mensen op de daken vanuit zijn appartement kon observeren, terwijl ze hun kleren wassen, in de zon liggen, de liefde bedrijven of hun haar drogen.

De verrukking van platte daken.
Maar ik heb mijn duiven.
Mijn zwierende duiven.

Die schilderde John Sloan trouwens ook. En ook hier een staan en zitten aan de rand van een andere wereld, waar de lucht ijler is en klaarder.

Met het oog van een antropoloog en de pen van een dichter doet Wim Boevink dagelijks verslag over de grote en kleine wereld om hem heen. Abonneer je op zijn column in onze mobiele app en lees hem als eerste.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden