Een 'vriendjesman' vol humor

Piet Steenbergen was de eerste Feyenoorder die als beroepsvoetballer naar het buitenland trok. Als rasechte Rotterdammer kon hij – jongen van Zuid – in Le Havre maar matig aarden.

Tijdens de contractbesprekingen met het bestuur van Le Havre, juli 1950, stelde Pieter Willem Steenbergen één voorwaarde aan zijn komst naar de Franse profclub.

Mensen die hem goed kenden, veronderstellen dat hij tijdens de onderhandelingen met de delegatie van Le Havre enige humor betrok. Piet Steenbergen kon, als de situatie erom vroeg, weliswaar heel serieus zijn, maar ten langen leste was een lach voor hem onontbeerlijk, en voor de wederpartij doorgaans onvermijdelijk.

Hij begon het avontuur in de Franse havenstad alleen als een tweede Feyenoorder hem mocht vergezellen. Want helemaal alleen in een land waarvan hij de taal niet sprak en nog wel op grote afstand van zijn geliefde Rotterdam, dat kon eenvoudigweg niet. De teamgenoot, die hij na het groene licht van de Franse clubleiding meenam, was Arie de Vroet, de middenvelder die al langer lonkte naar het buitenland.

Een onverdeeld succes werd het voor Piet Steenbergen nou ook weer niet. Zeker, de arbeidsvoorwaarden in Le Havre waren formidabel, voor die tijd. Aan tekengeld voor zijn tweejarig contract ontving hij 25.000 gulden en daarnaast was er een vast maandsalaris van driehonderd gulden voor hem, vermeerderd met een premie van duizend gulden per overwinning en een bedrag van vijfhonderd gulden voor ieder gelijkspel. „De club zorgde voor een leuke villa”, merkte hij later lachend over zijn Franse periode op. „En ik kreeg een Renaultje onder mijn kont”. De Franse taal had hij, ook tot zijn verbazing, al snel redelijk onder de knie. Hoe anders wat dit met De Vroet, over wie Piet Steenbergen – vriendelijk bedoeld – vaststelde: „Als Arie een Franse krant las, hield hij hem ondersteboven”.

Mooier kon haast niet voor een 21-jarige Rotterdammer, die als geboren Katendrechter de havenarbeiders van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat zag sappelen voor een paar tientjes in de maand. Hij ging bovendien trouwen en ook hierom was de Franse beloning meegenomen. Maar hij kreeg last van heimwee, ingegeven door aanhoudend getob over zijn vader die aan longemfyseem leed. De goede man verbleef regelmatig in het ziekenhuis en tot overmaat van ramp woonde hij op een bovenetage met veel traptreden. Als enig kind trok Piet, zachtaardig en sociaal als hij was, in Le Havre zijn conclusies en keerde na vijftien maanden terug naar Rotterdam. Als zijn vader dan weer eens die hoge trap op moest in de Boudewijnstraat op Zuid, hees Piet hem op zijn rug en loodste hem zo naar boven.

Hij ging terug naar Feyenoord, maar zonder slag of stoot verliep dat niet. Terwijl hij in de Kuip werd onthaald als de verloren zoon, zag de KNVB hem als een verrader. De voetbalbond strafte hem vanwege zijn ’desertie’ als profspeler met een speelverbod van twee jaar. Uiteindelijk werd de straf met één jaar verminderd, maar leuk was anders voor Steenbergen. Toch klaagde hij niet over de wijze waarop hij werd behandeld en ook in de latere jaren ontweek hij elke discussie hierover. Dit paste bij zijn karakter, een aanstekelijke mengeling van humor, charisma en charme. Nooit driftig, nooit tieren. Veeleer geneigd een akkefietje, hoe vervelend ook, te relativeren of met de mantel der liefde te bedekken.

Voetballen kon hij van jongsaf aan als de beste. Pas tien jaar oud werd hij in november 1938 lid van Feyenoord. De kenners zagen het helemaal in hem zitten, want in die tijd kon je pas competitievoetbal spelen als je twaalf jaar was. Voor Piet betekende dit dat hij de eerste twee jaar bij Feyenoord was aangewezen op een vriendschappelijk partijtje hier en daar, en de trainingen. Hij speelde in de hoogste juniorenteams en maakte op 22 september 1946, zeventien jaar nog maar, zijn debuut in de hoofdmacht. Als rechtsbinnen speelde hij alles bijeen, tot zijn afscheid in 1959, 229 competitiewedstrijden voor de Stadionclub, waarin hij 25 doelpunten maakte. Twee keer droeg hij het Oranjeshirt. Eén net voor zijn overstap naar Le Havre (op 16 april 1950 werd uit tegen België met 2-0 verloren) en één na het uitzitten van de door de KNVB aan hem opgelegde straf (1 mei 1955, 1-0 verlies in en tegen Ierland).

Hij bleef na het beëindigen van zijn actieve carrière zijn club Feyenoord trouw. Hij trainde de jeugd, maakte jaren achtereen deel uit van de Ledenraad, was zeven jaar lid van het Bestuur betaald voetbal van Feyenoord, deed scoutingswerkzaamheden en was, met clubgenoot Riny van Woerden, oprichter van Oud-Feyenoord. Van dit gezelschap van ’oude knarren’ was hij nog eens 28 jaar penningmeester.

Was er dan alleen voetbal in zijn leven? Nee, er was meer. Leed bijvoorbeeld, dat zich uitte door een vroeg overlijden van zijn vrouw. Hij bleef achter met zijn twee dochters en hervond naderhand het geluk met Renate, een weduwe die hij dertig jaar geleden ontmoette. Niet in de Kuip, of een andere voetbaltempel, maar op een heel ander sportplatform, de tennisbaan bij het Zuiderpark op Zuid.

Want Feyenoord mocht dan prachtig zijn, tennissen was – door het actief beoefenen ervan – zeker in de laatste decennia zijn lust en zijn leven. Gewerkt had hij toen genoeg, eerst een tijdje als ober, later in de bij oudere Feyenoordsupporters befaamde sigarenwinkel aan de Polderlaan, die later nog in handen zou gaan van ’ijzeren’ Rinus Israël. Het was één van de winkels waar supporters letterlijk bij nacht en ontij, bij sneeuw en vorst, uren in de rij stonden om, voor een belangrijke wedstrijd een kaartje, te bemachtigen. Uiteindelijk begon Steenbergen heel iets anders: een groothandel in gouden en zilveren sieraden en briljanten. Hij had er goudsmeden in dienst en ook overigens goede, betrouwbare mensen om zich heen. Dat maakte dat hij met een gerust hart goed en stevig kon gaan lunchen, bij voorkeur met vrienden van, onder meer, Feyenoord.

Hij was van deze club meer liefhebber dan supporter. Dit komt misschien doordat hij er zelf, op het hoogste niveau, had gespeeld. Hij is, tot zijn gezondheid het een jaar of twee geleden niet meer toeliet, altijd met Renate naar de Kuip blijven gaan. Dan zaten zij in een unit van zakenman Willem van ’t Wout – Het Oude Noorden – en trok hij zich terug om met Coen Moulijn over vroeger te filosoferen. Geen wrok hoor, over de vele tonnen en miljoenen die spelers tegenwoordig verdienen. Wel de soms spijtige constatering dat zij, de oude knarren, iets te vroeg het Kuiplicht aanschouwden.

Henk Schouten, Fred Blankemeijer, Eddy Pieters Graafland, de legendarische Cees Rijvers, het zijn zomaar namen van spelers met wie Piet Steenbergen het kleedlokaal deelde.

Een paar jaar terug namen zijn belangstelling en concentratie rond ook het voetbal af. Zijn humor werd een wapen voor hem, toen zijn geheugen hem stilaan in de steek liet en een misslag ten onrechte werd uitgelegd als kwinkslag. Hij redde zich ermee, maar niet voor lang. Op zijn tachtigste sloeg hij nog een bal op de tennisbaan. Niet veel later gaven de spelregels hem steeds vaker problemen. Toen hij nog goed was en helder van geest huldigde tennisclub Z’67 hem voor zijn veertigjarig lidmaatschap en er is een jaarlijks terugkerend toernooi naar hem vernoemd.

’Vriendjesman’ Piet redde het niet meer. Voor Renate en de kinderen probeerde hij zich lang groot te houden. Bij één van zijn beste vrienden – Bart, eveneens een jongen van Zuid en die faam maakte met zijn kippaleis aan de Wolphaertsbocht - huilde hij uit over zijn mentale en uiteindelijk fysieke aftakeling. Oud-bondscoach Cees Rijvers liet na zijn overlijden optekenen: ’De mooie herinneringen blijven aan de vele bijzondere momenten’. Op 2 mei, voorafgaand aan de wedstrijd tegen SC Heerenveen, bleef in de Kuip het Legioen voor hun overleden Feyenoorder één minuut stil.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden