Een voorpublicatie.

Bij Nobelprijswinnaar Coetzee ondergaat Jezus een metamorfose

'Roberta, aangenaam kennis te maken. Ik ben Simón en dit is Inés en dit is Juan, onze gids, die ik ga terugbrengen naar de stad."

"Welkom op de boerderij. We kunnen vast goed met elkaar opschieten. Mooi dat jullie een eigen auto hebben."

"Die heeft ons al een heel eind gebracht. Het is een trouwe auto. Meer dan dat kun je van een auto niet verlangen, trouw."

Tegen de tijd dat ze de auto hebben uitgeladen druppelen de arbeiders binnen vanuit de boomgaarden. Iedereen stelt zich voor, ze krijgen een middagmaal aangeboden, Juan incluis: zelfgebakken brood, kaas en olijven, grote schalen fruit. Ze hebben een stuk of twintig metgezellen, onder wie een gezin met vijf kinderen die Davíd vanaf zijn kant van de tafel behoedzaam gadeslaat.

Voordat hij Juan terugbrengt naar Estrella heeft hij een moment alleen met Inés. "Wat vind jij?" mompelt hij. "Zullen we blijven?"

"Het lijkt een goede plek. Ik wil hier best blijven terwijl we rondkijken. Maar we moeten een plan hebben. Ik heb niet dit hele eind gereisd om te leven als een landarbeider."

Hij en Inés hebben het hier al eerder over gehad. Als ze worden achtervolgd door de wet moeten ze voorzichtig zijn. Maar worden ze wel achtervolgd? Hebben ze reden om te vrezen dat ze achtervolgd worden? Heeft de wet wel zulke lange armen dat ze agenten naar de verste uithoeken van het land kan sturen om een zesjarige spijbelaar op te sporen? Zullen de autoriteiten in Novilla er werkelijk van wakker liggen of een kind al dan niet naar school gaat, zolang hij niet opgroeit als een analfabeet? Hij, Simón, betwijfelt het. Aan de andere kant, stel dat niet het spijbelende kind wordt achtervolgd maar de man en de vrouw die valselijk beweerden zijn ouders te zijn en hem van school hebben weggehouden? Als hij en Inés worden gezocht, in plaats van het kind, moeten ze zich dan niet gedeisd houden totdat hun achtervolgers uitgeput de jacht staken?

"Een week", stelt hij voor. "Laten we een week landarbeider zijn. Dan kunnen we het opnieuw bekijken."

Hij rijdt naar Estrella en zet Juan af bij het huis van vrienden van hem die een kleine drukkerij hebben. Terug op de boerderij voegt hij zich bij Inés en de jongen om hun nieuwe omgeving te verkennen. Ze bezoeken de boomgaarden en worden ingewijd in de geheimen van de schaar en het snoeimes. Davíd wordt bij hen weggelokt en verdwijnt, de hemel weet waarheen, met de andere kinderen. Tegen het avondeten komt hij terug met schrammen op zijn armen en benen. Ze hebben in bomen geklommen, zegt hij. Inés wil jodium op de schrammen doen, maar dat laat hij niet toe. Ze trekken zich vroeg terug, net als iedereen, Davíd naar zijn begeerde bovenbed.

De volgende ochtend, tegen de tijd dat de vrachtauto arriveert, hebben hij en Inés een haastig ontbijt genuttigd waaraan Davíd, die de slaap nog uit zijn ogen wrijft, niet deelnam. Samen met hun nieuwe kameraden klimmen ze aan boord en worden afgeleverd bij de wijngaard; in navolging van hun kameraden hijsen hij en Inés een mand op hun rug en gaan aan het werk.

Terwijl zij zwoegen kunnen de kinderen hun gang gaan. Onder leiding van de oudste van de bende van vijf, een lange, magere jongen met een dikke bos zwarte krullen die Bengi heet, rennen ze de heuvel op naar de aarden dam van een stuwmeertje dat de wijngaard van water voorziet.

De eenden die daar rondpeddelden vliegen geschrokken weg, op een koppel na met jongen die nog te onvolgroeid zijn om te vliegen. De ouders loodsen hun kroost naar de andere oever, in een poging te ontsnappen. Ze zijn te traag: de joelende kinderen snijden ze de pas af, dwingen ze terug naar het midden van het meertje. Bengi begint stenen te gooien; de jongere kinderen doen hem na. Luid kwakend peddelen de vogels in kringetjes rond, niet in staat om te ontsnappen. Een steen treft het mannetje met zijn veel

schitterender kleuren. Hij komt half uit het water, valt terug en spettert rond met een verbrijzelde vleugel achter zich aan. Bengi slaakt een triomfkreet. De stortvloed van stenen en aardkluiten verdubbelt.

Hij en Inés luisteren weifelend naar het kabaal; de andere plukkers slaan er geen acht op. "Wat denk jij dat er aan de hand is?" vraagt Inés. "Denk je dat Davíd veilig is?"

Hij laat zijn mand vallen, klautert de heuvel op, arriveert op tijd bij de dam om te zien hoe Davíd de oudere jongen zo'n woedende duw geeft dat deze wankelt en bijna valt. "Hou op!" hoort hij hem schreeuwen.

De jongen staart verbaasd naar zijn belager, draait zich dan om en gooit opnieuw een steen naar de eenden.

Nu springt Davíd het water in, met schoenen en al, en plonst in de richting van de vogels.

"Davíd!" roept hij, Simón. Het kind negeert hem. Inés, in de wijngaard beneden, laat haar mand vallen en zet het op een rennen. Sinds hij haar een jaar geleden zag tennissen heeft hij haar zich niet meer zien inspannen. Ze is traag; ze is aangekomen.

Vanuit het niets duikt de enorme hond op en rent haar voorbij, in een kaarsrechte lijn. Binnen enkele ogenblikken is hij in het meertje gesprongen en bevindt zich naast Davíd. Hij neemt diens hemd tussen zijn tanden en sleurt het spartelende, protesterende kind naar de oever.

Inés arriveert. De hond laat zich op de grond zakken, zijn oren gespitst, zijn ogen op haar gevestigd, wachtend op een teken, terwijl Davíd jammert in zijn doorweekte kleren en hem met zijn vuisten bewerkt. "Ik haat je, Bolívar!" roept hij. "Die jongen gooide stenen, Inés! Hij wilde de eend doodmaken!"

Hij, Simón, neemt het tegenstribbelende kind in zijn armen. "Rustig maar, rustig maar", zegt hij. "De eend is niet dood - kijk maar! - hij heeft alleen een klap gekregen. Hij wordt gauw weer beter. Zo, kinderen, ik denk dat jullie allemaal moeten meekomen zodat de eenden kunnen kalmeren en doorgaan met hun leven. En je mag niet zeggen dat je Bolívar haat. Je houdt van Bolívar, dat weten we allemaal, en Bolívar houdt van jou. Hij dacht dat je verdronk. Hij probeerde je te redden."

Boos wringt Davíd zich uit zijn armen. "Ik ging de eend redden", zegt hij. "Ik heb Bolívar niet gevraagd om te komen. Bolívar is stom. Hij is een stomme hond. Nu moet jíj hem redden, Simón. Vooruit, red hem!"

Hij, Simón, trekt zijn schoenen en hemd uit. "Omdat je zo aandringt zal ik het proberen. Maar ik wil er wel op wijzen dat het idee dat een eend heeft van gered worden misschien verschilt van jouw idee van gered worden. Dat houdt misschien ook in dat ze door mensen met rust gelaten willen worden."

Er zijn inmiddels andere druivenplukkers gearriveerd. "Wacht maar... ik ga wel", biedt een jongere man aan.

"Nee. Dat is aardig van je, maar dit betreft mijn kind." Hij trekt zijn broek uit en waadt in zijn onderbroek het bruine water in. Haast zonder te spetteren verschijnt de hond aan zijn zij. "Ga weg, Bolívar", mompelt hij. "Ik hoef niet gered te worden."

Op een kluitje kijken de druivenplukkers vanaf de oever hoe de niet meer zo jonge heer wiens fysiek niet meer zo robuust is als in zijn stuwadoorsdagen, aanstalten maakt om aan het verzoek van zijn kind te voldoen.

Het water is niet diep. Zelfs op het diepste punt komt het niet boven zijn borst uit. Maar hij kan nauwelijks zijn voeten bewegen in de zachte drab op de bodem. Er is geen enkele kans dat hij de eend met de gebroken vleugel, die in rafelige kringen over het oppervlak spettert, te pakken krijgt, laat staan de moedereend, die inmiddels de andere oever heeft bereikt en zich het kreupelhout in rept, gevolgd door haar kroost.

Het is Bolívar die de klus voor hem klaart. Nadat hij als een schim voorbij is geschoten, met alleen zijn kop boven water, krijgt hij de gewonde vogel te pakken, sluit zijn kaken als een bankschroef om de lamme vleugel en sleurt hem naar de oever. Eerst is er kortstondig verzet, geklapwiek en gespetter; dan lijkt de vogel het ineens op te geven en in zijn lot te berusten. Tegen de tijd dat hij, Simón, uit het water is gekomen ligt de eend in de armen van de jongeman die had aangeboden in zijn plaats te gaan en wordt hij nieuwsgierig bekeken door de kinderen.

Hoewel de zon al een flink eind boven de horizon staat, verwarmt hij hem nauwelijks. Huiverend kleedt hij zich aan.

Bengi, degene die de steen heeft gegooid die alle narigheid veroorzaakte, streelt de kop van de volstrekt passieve vogel.

"Zeg hem dat je spijt hebt van wat je hebt gedaan", zegt de jongeman.

"Het spijt me", mompelt Bengi. "Kunnen we zijn vleugel repareren? Kunnen we hem spalken?"

De jongeman schudt zijn hoofd. "Het is een wild dier", zegt hij. "Hij zal zich niet laten spalken. Het is goed zo. Hij is klaar om dood te gaan. Hij heeft het geaccepteerd. Kijk maar. Kijk maar naar zijn ogen. Hij is al dood."

"Hij mag in mijn bed", zegt Bengi. "Ik kan hem voeren tot hij beter is."

"Draai je om", zegt de jongeman.

Bengi begrijpt het niet.

"Draai je om", zegt de jongeman.

Tegen Inés, die ondertussen de jongen afdroogt, fluistert hij, Simón: "Laat hem niet kijken."

Ze drukt het hoofd van de jongen in haar rokken. Hij verzet zich, maar ze is resoluut.

De jongeman neemt de vogel tussen zijn knieën. Een snelle beweging, en het is gebeurd. De kop bungelt onbeholpen; over de ogen trekt een waas. Hij geeft het gevederde karkas aan Bengi. "Ga hem begraven", beveelt hij. "Vooruit."

Inés laat de jongen los. "Ga met je vriend mee", zegt hij, Simón, tegen hem. "Help hem om de vogel te begraven. Zorg dat hij het fatsoenlijk doet." Later komt de jongen hem en Inés opzoeken op de plek waar ze bezig zijn tussen de wijnstokken.

"En, hebben jullie die arme eend begraven?" vraagt hij.

De jongen schudt zijn hoofd. "We konden geen gat voor hem graven. We hadden geen schep. Bengi heeft hem in de bosjes verstopt."

undefined

Een bijzondere messias

In J. M. Coetzee's nieuwste roman 'De schooldagen van Jezus' (nu al voor de Man Booker Prize genomineerd) zet de Zuid-Afrikaanse auteur bijbelse en klassieke motieven in om ons tot fundamentele vragen te dwingen: wie is toch die hoofdpersoon Davíd, dat eigenwijze kind dat denkt mensen te kunnen redden? En zouden wij een messias herkennen als hij voor ons staat?

Over de jeugdjaren van Jezus zelf is weinig bekend. In het evangelie van Lucas lezen we slechts een passage over Jezus als kind in de tempel, waar hij heimelijk achterbleef en met leraren in gesprek ging. Tegen zijn bezorgde ouders zegt hij later: "Waarom hebt u naar mij gezocht? Wist u niet dat ik in het huis van mijn Vader moest zijn?"

Coetzee's hoofdpersoon Davíd is als kleine jongen over zee naar een onbekend land gekomen. Simón heeft zich op de boot over hem ontfermd en noemt zich daarom zijn vader. In hun nieuwe land vinden ze Inés, die als een moeder voor Davíd gaat zorgen.

Dit bijzondere, bij elkaar geraapte gezin probeert een nieuw leven op te bouwen. Davíd blijkt een buitengewoon kind: hij heeft moeite om Simón en Inés als zijn ouders te erkennen, hij gedraagt zich eigenwijs, wijst zijn leraren terecht en zegt dat hij tot bloedens toe wordt geslagen. Simón en Inés halen hem van school en vluchten voor de autoriteiten. Ze belanden op een boerderij en gaan er werken in de wijngaard.

Tegen Inés, die de jongen afdroogt, fluistert Simón: 'Laat hem niet kijken'

'De eend is niet dood - kijk maar! - hij heeft alleen een klap gekregen'

Maandag verschijnt J. M. Coetzee: De schooldagen van Jezus. Vert. Peter Bergsma. Cossee; 314 blz. euro 19,95.

undefined

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden