Een vlinder als vlaggendrager

Terwijl de Nederlandse overheid vooral bezuinigt op groen, tast Brussel flink in de buidel voor de aanleg van bijzondere nieuwe natuur in Brabant. Uitbreiding van het zeldzaam geworden blauwgrasland, en daarmee een groter leefgebied voor het met uitsterven bedreigde pimpernelblauwtje, zijn het doel.

COKKY VAN LIMPT

De grassen en kruiden in het 'Bijenweitje' staan kniehoog. Dit eilandje van blauwgrasland in natuurgebied de Moerputten bij Den Bosch is een oase van plantensoorten als blauwe zegge, spaanse ruiter, tandjesgras en blauwe knoop. In het voorjaar zijn het vooral de blauwgroene bladeren van de blauwe zegge, spaanse ruiter en het tandjesgras, waaraan dit type voedingsarm, soortenrijk grasland de naam blauwgras dankt. Nu zijn dat vooral de blauwpaarse bloemen van de blauwe knoop.

Boven de grassen uit wuiven in de zomerwind overal op het veldje de hoogstelige bloemen van de grote pimpernel. Boswachter Fons Mandigers van Natuurmonumenten neemt een van de donkerrode bloemhoofdjes tussen duim en wijsvinger. "De hele Nederlandse populatie van het pimpernelblauwtje zit hierin", zegt hij, doelend op de eitjes en rupsen van de vlinder. "Als het weitje nu gemaaid zou worden, is het finito met het pimpernelblauwtje: geen eitjes, geen rupsen, geen poppen en geen nieuwe vlinders meer."

Behalve aan de maaidatum van zijn kernleefgebied in de Moerputten, die doorslaggevend is voor zijn voortbestaan, stelt het pimpernelblauwtje heel specifieke eisen aan zijn leefomgeving. Voor zijn voortplanting is dit blauwtje afhankelijk van slechts één bloemsoort, de grote pimpernel, en bovendien van de aanwezigheid van knoopmieren.

"Pimpernelblauwtjes," leggen Mandigers en zijn collega Arjan van der Zee van Staatsbosbeheer uit, "komen half juli, begin augustus letterlijk uit de grond. In een paar dagen tijd paren ze en leggen ze eitjes in de bloemhoofdjes van de grote pimpernel. De rupsjes die uit de eitjes komen, leven drie weken in en van de bloem. Als ze een paar millimeter groot zijn, laten ze zich op de grond vallen. Als een rupsje geluk heeft, komt er een knoopmier langs die hem in zijn kaken meesjouwt naar zijn nest onder de grond. Daar beneden ontstaat een symbiose tussen de mieren en de rups. De rups heeft een honingklier die een zoetige stof afscheidt. In ruil voor deze zoetigheid die ze aftappen, eten de mieren de rups niet op maar gaan ze hem voeren. Na verloop van tijd verpopt de rups zich en als hij dan in de zomer als vlinder uit zijn pop kruipt, moet hij snel uit het mierennest zien weg te komen, want anders wordt hij alsnog opgegeten."

Het veeleisende en daardoor kwetsbare pimpernelblauwtje was uitgestorven in Nederland, maar is in 1990, geïmporteerd uit Polen, in de Moerputten geherintroduceerd, vertellen Mandigers en Van der Zee. "Wij ontdekten de potentie van dit terrein, met zijn overvloed aan grote pimpernel. Ook de onmisbare knoopmieren, die een bepaalde zuurgraad en vochtigheid van de grond nodig hebben, bleken hier te leven." De boswachters zijn hoopvol gestemd over de toekomst van het pimpernelblauwtje, nu er de komende jaren in de naaste omgeving van de Moerputten 170 hectare nieuwe natuur wordt aangelegd.

De helft daarvan wordt blauwgrasland, zodat het beperkte leefgebied van het pimpernelblauwtje kan worden uitgebreid. Maar de toekomst van het vlindertje is niet het hoofddoel van het, mede door Brussel gesubsidieerde, project 'Blues in the Marshes', benadrukken de boswachters. "Onze opgave hier is primair het terugwinnen van in Noordwest-Europa zeldzaam geworden blauwgrasland, dat door ruilverkaveling en intensivering van de landbouw verloren is gegaan. Het pimpernelblauwtje kun je zien als vlaggendrager van het project. Wij noemen dat een gidssoort: als het pimpernelblauwtje zich hier succesvol handhaaft en weet uit te breiden, dan betekent dat voor ons dat we het goed hebben gedaan."

Mandigers spreidt een grote kaart uit op de grond en wijst een paar omlijnde gebieden aan: Moerputten, Vlijmens Ven, Vughtse Gement. "Hier ligt onze opgave om blauwgrasland terug te winnen." Het leeuwendeel van het plangebied voor nieuwe natuur bestaat uit landbouwgronden die zijn aangelegd op het vroegere blauwgrasland. Omdat het waterpeil op de akkers decennialang kunstmatig is verlaagd en de bodem intensief bemest, is de vegetatie genivelleerd geraakt en zijn van het blauwgrasland alleen nog zeldzame relicten te vinden in natuurgebieden.

Dat hier toch, opnieuw, blauwgrasland kan worden aangelegd, is vooral te danken aan de gunstige grondwateromstandigheden ten zuidwesten van Den Bosch. Van Bergen op Zoom naar Oss loopt wat wordt genoemd de 'Naad van Brabant'. "Op deze naad", leggen de boswachters uit, "die de overgang vormt van het dekzandgebied naar het rivierengebied, treedt grondwater uit, in de vorm van kwel. Dit kwelwater is overvloedig aanwezig aan de zuidkant van Den Bosch. Aangezien het kwelwatersysteem hier nog steeds functioneert als motor, is in de plannen voor de Ecologische Hoofdstructuur juist dit gebied uitgekozen voor de aanleg van nieuw vochtig schraalgrasland, en in het bijzonder blauwgrasland. Ook de Europese subsidie voor ons project hebben we grotendeels aan de gunstige waterhuishouding te danken."

Om de landbouwgronden rijp te maken voor blauwgrasland dat gedijt op schrale, voedselarme grond, moet de voedselrijke toplaag van wel een halve meter worden verwijderd. Deze ingreep lost meteen het probleem van de droogte op. "Wij kunnen hier niet zomaar het grondwaterpeil gaan verhogen", legt Mandigers uit, "want de nieuwe natuurgebieden grenzen direct aan landbouwgronden die dan ook zouden vernatten. Door niet het water omhoog maar de bodem omlaag te brengen, reikt straks het kwelwater dat noodzakelijk is voor de bijzondere vegetatie van het blauwgrasland, tot in het maaiveld."

En dan de vegetatie zelf nog: hoe krijg je blauwgrasland terug op een voormalige maïsakker? Dat gaat niet vanzelf, stellen de boswachters vast. "Want in het maagdelijke maaiveld dat we na het afplaggen overhouden, zijn nauwelijks meer zaden over van vroeger. Omdat die oude zaadbank is verdwenen, zullen we het zaad dus moeten aanvoeren. Dat gaan we doen door vers maaisel van het blauwgrasland in het Bossche Broek en de Moerputten uit te strooien op de nieuwe percelen."

Op natuurterrein Honderd Morgen bij Vught, in 2009 aangelegd als natuurcompensatie voor de aanleg van de Bossche rondweg, heeft Natuurmonumenten hiermee al ervaring opgedaan. "We hebben hier tweemaal maaisel uit de Moerputten naartoe gebracht", vertelt Mandigers, "en vorig jaar voor het eerst gemaaid". Hij kijkt goedkeurend rond en somt op: dwergzegge, duizendguldenkruid, grote ratelaar en de eerste grote pimpernellen. De blauwe knoop mist hij nog, maar even later ontdekt collega Van der Zee het eerste exemplaar. De planten zijn er, nu de mieren en de vlinders nog.

Natte natuur, droge voeten en niet meer surfen op de A2
In het grote rivierengebied worden al langer maatregelen getroffen om overstromingen te voorkomen. Het project 'Ruimte voor de rivier' maakt het mogelijk dat Maas, Waal, Rijn en IJssel weer meanderen en bij hoogwater in de breedte kunnen uitdijen, de uiterwaarden in. Tegelijkertijd krijgt de natuur langs de grote rivieren hierdoor een oppepper en komt er in de waterbergingsgebieden nieuwe natuur bij. Zo gaan veiligheid en natuurontwikkeling hier hand in hand.

Ook bescheidener riviertjes kunnen wateroverlast veroorzaken, zoals in Den Bosch. De riviertjes de Dommel en de Aa komen samen in de stad en stromen, verenigd in de Dieze, verder, om uiteindelijk via de spuisluis Crèvecoeur uit te komen in de Maas. Maar wat als het water in zowel de Dommel en de Aa als in de Maas gevaarlijk hoog komt te staan? Spuien op de Maas is dan niet meer mogelijk, en de riviertjes treden buiten hun oevers.

In 1995 was het raak: Den Bosch dreigde onder water te lopen. Om dat te voorkomen is toen besloten natuurgebied Het Bossche Broek, aan de zuidrand van de stad, vol te laten lopen door een dijk door te steken. De stad hield het droog maar Het Bossche Broek stond blank en op de A2 kon je surfen.

De kans op overstromingen neemt, als gevolg van klimaatverandering, alleen maar toe. Om te voorkomen dat de Bosschenaren in de toekomst natte voeten krijgen, is Het Bossche Broek als bergingsgebied ontoereikend. Daarom maakt waterschap Aa en Maas in de komende jaren een groot gebied tussen Vlijmen, Vught en Den Bosch geschikt als hoogwaterberging. Net als bij 'Ruimte voor de rivier', wordt ook in het project HoWaBo (Hoogwateraanpak 's Hertogenbosch) waterveiligheid gekoppeld aan het verbeteren van natuur en recreatie.

Voor een groot deel valt het plangebied voor de waterberging - Engelermeer, Vughtse Gement, de Moerputten en Vlijmens Ven - samen met de Ecologische Hoofdstructuur, de aaneenschakeling van beschermde natuurgebieden in Nederland. De Moerputten en Vlijmens Ven maken tevens deel uit van het Europese ecologische netwerk Natura 2000.

In samenwerking met Natuurmonumenten, Staatsbosbeheer, de omringende gemeenten, de provincie, landbouworganisatie LTO en waterschap Dommel, combineert waterschap Aa en Maas de hoogwateraanpak met het verbeteren van de natuurwaarden in dit gebied. Hierbij wast de ene hand de andere. Voor het aanleggen van nieuwe natuur moet van 170 hectare voormalig bouwland een toplaag van 40 tot 50 centimeter worden afgeplagd. Dat komt neer op 5000 kuub aarde per hectare. Deze grond gebruikt het waterschap weer om vijftien kilometer dijken en kades aan te leggen rond het nieuwe waterbergingsgebied.

Europees geld voor 'Blues in the Marshes'
De Europese Commissie subsidieert het Brabantse project 'Blues in the Marshes' - een unieke uitbreiding van blauwgrasland voor Noordwest-Europa - met 1,7 miljoen euro. De provincie Noord-Brabant draagt 1,5 miljoen bij; de resterende 300.000 euro van het 3,5 miljoen kostende project worden opgebracht door onder meer Natuurmonumenten.

Europa heeft de subsidie toegewezen in het kader van het programma LIFE, waarmee de Europese Unie sinds 1992 al duizenden natuur- en milieubeschermingsprojecten in de EU-lidstaten en kandidaat-lidstaten financieel heeft ondersteund.

Ten zuidwesten van Den Bosch zal, in combinatie met hoogwaterbeschermingsmaatregelen, in totaal 170 hectare nieuwe natuur worden aangelegd. Ongeveer de helft hiervan wordt blauwgrasland - een belangrijke uitbreiding voor Noordwest-Europa van dit schaars geworden, soortenrijke type vochtig schraalgrasland. De andere helft wordt glanshaver hooiland, een wat droger type voedselarm grasland met een hoge kruidenrijkdom.

In heel Nederland is nog maximaal 100 hectare blauwgrasland te vinden. Dat ligt voor een deel in Brabant, bij Den Bosch - in de Moerputten en Het Bossche Broek - en in de Langstraat. Verder is nog blauwgrasland te vinden bij de Drentse Aa, in Noord-Limburg bij het Koningsven aan de voet van het Reichswald en hier en daar kleine stukjes in de Achterhoek.

'Blues' in de projectnaam verwijst naar het pimpernelblauwtje, een zeldzaam vlindertje dat wereldwijd met uitsterven wordt bedreigd en dat in Nederland alleen nog rondvliegt in de Moerputten. Die Brabantse vlindertjes maken dertig tot vijftig procent uit van de gehele Europese populatie pimpernelblauwtjes. Ook het blauwgrasland - de 'Marshes' - waarop dit vlindertje leeft, dankt zijn naam aan de kleur blauw: blauwgrassoorten als blauwe zegge, spaanse ruiter, tandjesgras en blauwe knoop hebben naar blauw zwemende bladeren en/of blauwe bloemen.

undefined

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden