Een vleugje wansmaak

Rutger Hauer en Willeke van Ammelrooy in de film 'Het jaar van de kreeft'. Het gelijknamige boek van Hugo Claus lonkte al behendig naar de tearjerker 'Love Story'. (Trouw)

Vanwaar toch die afkeer van kitsch? Anders dan we vaak toegeven, weten ook de hoogst genoteerde Nederlandse schrijvers er wel weg mee. Van Louis Couperus tot Jan Wolkers, van Gerard Reve tot Margriet de Moor: kitsch is de suiker in de erwtensoep. Het is allemaal een kwestie van doseren.

Net als schoonheid is kitsch in the eye of the beholder. Maar zoals we een esthetische standaard, hoe persoonlijk ook, nodig hebben, als ideaal, zo kunnen we ook niet buiten de kitsch. Een klein vleugje wansmaak kan net de finishing touch zijn die het al te gepolijste van een prikkelend craquelé voorziet. Soms doet een flinke scheut kitsch zelfs geen kwaad, getuige de films van Quentin Tarantino. Maar Steven Spielberg is er zo kwistig mee dat je van zijn producten, het kleffe E.T. voorop, helemaal wee wordt. Daar komt nog bij dat Tarantino kitsch niet alleen gebruikt, maar er ook mee speelt, terwijl Spielberg heilig in zijn zoete sprookje lijkt te geloven.

Het verschil tussen verteerbaar en zum Kotzen hangt dus niet alleen af van de dosering, maar heeft ook het nodige te maken met de vraag of de kitscheffecten voortkomen uit ironische dan wel hoogsternstige bedoelingen.

In de Nederlandse literatuur van de afgelopen honderd jaar kom je heel wat gelauwerde schrijvers tegen die zonder schmieren op het altaar van de kitsch hebben geofferd.

In het werk van Louis Couperus liggen het klatergoud en de fondant voor het oprapen, zelfs in gecanoniseerde meesterwerken als ’De boeken der kleine zielen’ en ’De stille kracht’. En ook bij Jan Wolkers (‘Turks fruit’!), Hella Haasse (’De ingewijden’!) en Jeroen Brouwers (’Bezonken rood’!) hangen de overrijpe en soms al flink bedorven vruchten bij trossen aan de bomen.

Speelse kitsch is schaarser in onze letteren dan de welgemeende of onbewuste.

Hugo Claus, die dekselse kameleon, wist zeer behendig wat suiker in de erwtensoep te strooien, bijvoorbeeld door te lonken naar Erich Segals vermaarde tearjerker ’Love Story’ zoals zijn roman ’Het jaar van de kreeft’ (1972) laat zien. Claus’ generatiegenoot Gerard Reve kon er ook wat van. Die ontdekte in zijn pendelverkeer tussen het verheven register en de volkse toonaard het genre van de ’Belgische colportageroman’, virtuoos door hem geparodieerd in ’Een circusjongen’ (1975) en ’De vierde man’ (1981).

Na 1970, toen Reve dankzij het mixen van hoog en laag de reputatie van literaire vernieuwer had verworven, kwam de postmoderne kijk op kitsch in zwang en daarmee ook de knipogende knieval voor de slechte smaak. Destijds heette dat camp. Massaal bejubelde artiesten als de Zangeres zonder Naam, André van Duin en André Hazes waren in de ogen van cultureel onderlegde intellectuelen volstrekt fout, maar met de tong in de wang mocht je er toch stiekem van genieten. Reve’s neiging om zich niets gelegen te laten liggen aan de dictatuur van zelfbenoemde fijnproevers en keurmeesters kreeg tegen die achtergrond de status van legitieme rebellie, totdat hij zich met het kinderachtige ’Wolf’ (volgens insiders geschreven om levensgezel Joop Schafthuizen te plezieren) aan de onversneden kitsch verslingerde en daarmee het kruit uit zijn vuurpijlen verwijderde.

Kitsch en kunst moeten nu eenmaal tegen elkaar aanschuren en zand in de raderen laten knarsen. Als het zand in de smeerolie oplost, is er iets mis.

Vandaag de dag tuiniert Atte Jongstra, ooit begonnen als de knapste leerling van parodisten als Willem Brakman en Gerrit Komrij, nog vrolijk voort op het akkertje van de camp. Zijn recente roman ’De heldeninspecteur’ laat zien hoe risicoloos en voorspelbaar zijn half-kitscherige, half-ironische parodie op de negentiende-eeuwse burgerlijke roman inmiddels geworden is. De Tiendaagse Veldtocht tegen de opstandige Belgen, anno 1830 al een operette op zichzelf, krijgt hier het aanzien van een met tomatenketchup overgoten carnavalsoptocht, met de Oranjeprinsen Willem en Frederik en de houwdegen Chassé als slapstickfiguren naar het recept van Monty Python.

In weerwil van de postmoderne vergoelijking van de wansmaak is de literaire kritiek zich tot de dag van vandaag blijven bedienen van het etiket ’kitsch’, teneinde droesem en draf te scheiden van klare wijn. Hubert Lampo, grootleverancier van magisch-realistische fictie, werd nog voor zijn dood weggezet als een auteur die eigenlijk niet door de beugel kon. Hedendaagse publiekslievelingen als Arthur Japin en Margriet de Moor worden ook met enige regelmaat naar de schemerzone tussen kitsch en kwaliteit verbannen. Bij Japin is dat te danken aan ’s mans onbedwingbare behoefte zijn mensenkennis te formuleren in spreuken die ongewijzigd in de succesagenda of op een wandtegeltje kunnen worden afgedrukt, zoals zijn nieuwste roman ’Vaslav’ voor de zoveelste keer laat zien.

Margriet de Moor werd naar aanleiding van haar recente boek ’De schilder en het meisje’ om de oren geslagen met het verwijt dat de manier waarop ze Rembrandts fascinatie voor een opgehangen moordenares in beeld brengt zuivere kitsch is. Een beetje gemakkelijk is dat wel. Schrijvers die zich wagen aan heftige gevoelens, grote woorden of – in De Moors geval – het grensgebied tussen leven en dood, wordt al snel gevraagd of het niet een beetje minder kan. Zo kreeg ik van studenten, die ik De Moors voorlaatste roman ’De verdronkene’ (2005) voorlegde, te horen dat al die onbaatzuchtige zelfopoffering ten tijde van de Zeeuwse watersnoodramp van een al te lelieblanke edelmoedigheid was.

Hoewel ik het niet met hen eens was (ik waardeer ’De verdronkene’ allereerst als een knappe evocatie van een individueel lotgeval te midden van een alomvattende catastrofe), deden hun bezwaren me denken aan een polemisch stuk van Charlotte Mutsaers, die zich twintig jaar geleden kwaad maakte over Vasalis’ vermaarde gedicht ’Fanfarecorps’. Daarin is iemand aan het woord die bij het horen van volkse blaasmuziek zo aangedaan wordt door haar universele liefde voor mens, dier en kosmos dat ze zich ’bedroefd en goed’ voelt. Mutsaers vond dat verschrikkelijk sentimenteel en van een goedkoopte waarbij de najaarsopruiming heilig was. Net als in het geval van De Moors ’De verdronkene’ gaat het er bij de appreciatie van ’Fanfarecorps’ kennelijk om hoeveel tragiek (volgens sommigen gelijkgesteld aan kitsch) je zonder het zout van de ironie uitgeserveerd wil krijgen. De een belieft nu eenmaal wat meer dan de ander.

In Margriet de Moors oeuvre zijn wel sterkere voorbeelden van kitsch aan te wijzen dan ’De schilder en het meisje’ of ’De verdronkene’. Een top- of liever dieptepunt, wat mij betreft, is ’Hertog van Egypte’ (1996). Op het eerste gezicht lijkt die roman in te gaan tegen het obligate cliché van de onbezorgde en gelukkige zigeuner, een figuur die het ooit goed deed in de chansons van Charles Aznavour en de romans van A. den Doolaard. Maar hoewel De Moor vreselijk haar best deed om deze platgetreden gemeenplaats van nieuw plaveisel te voorzien, bleef toch meesjokken langs de gebaande paden. Eens een vrijgevochten zigeuner, altijd een vrijgevochten zigeuner, zo luidt het stereotype waaraan ze zich met ’Hertog van Egypte’ conformeerde.

Het gemakkelijkst heeft de criticus het natuurlijk met de overduidelijke gevallen: de lectuur waar het vette sentiment van afdruipt. Sinds jaar en dag levert bestsellerfabrikant Leon de Winter daar met grote regelmaat de voorbeelden van. Jessica Durlacher is het echtgenoot De Winter nog eens na gaan doen. Beiden zijn huisauteur van De Bezige Bij, in het verleden een kwaliteitsmerk zonder weerga. Misschien wordt het tijd dat die uitgeverij, net zoals De Arbeiderspers dat heeft gedaan met de afsplitsing van de semiliteraire tak Archipel, een speciaal imprint bedenkt voor haar goed verkopende, maar literair gezien irrelevante kitschproducenten. Dan weten we allemaal waar we aan toe zijn.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden