Een vervanger van de Grote Grazers

Behalve bomen op hun allermooist biedt augustus ook ’Zomergasten’. De eerste avond met Jan Marijnissen begon al meteen met een hoogtepunt, de uitvaart van bisschop Bekkers. Jan werd nooit getreiterd of vernederd door religie, is mijn indruk, vandaar dat hij met overgave koos voor deze beelden. Je zag de tocht van de lijkwagen door het zonovergoten Brabantse land, een Amerikaanse slee met die typische vering die zo’n wagen enigszins doet deinen op de weg, zodat rijden op varen gaat lijken, een indruk die versterkt werd door de slepende ritmiek van Albinoni op de achtergrond.

Jelle Brandt Corstius begreep er niet veel van, want er zat zo veel niet-traumatiserend katholicisme in Jans keuze dat hij besloot dat Jan nog altijd een gelovige is. Een veel voorkomend misverstand: dat mensen die graag naar een kathedraal kijken of naar de Mathüuspassion gaan of van Vlaamse Primitieven houden, ergens toch nog gelovig moeten zijn, alsof dat een niet af te schudden huidschimmel is die dan misschien wel van hun huid is verdwenen, maar die zich nog altijd schuilhoudt in de diepere plooien van hun anatomie, zonder dat zij daar zelf erg in hebben.

Maarten ’t Hart bood weer een heel andere avond. Hij nam plaats als aan de keukentafel en week geen moment van die positie. Ik had meer Tinbergen en Lorenz verwacht bij zijn stekelbaarsjes, maar daar stond genoeg ander diergedrag tegenover, en vooral ook mensgedrag. Het door hem verafschuwde grootschalige moorden bij de mond- en klauwzeerepidemie, en erger nog, de beangstigende juridische stompzinnigheid met Lucia de Berk als slachtoffer.

En toen kwam het tuinieren aan de orde. Hij liet een opvallende episode zien uit ’The world of gardening’ waarin de (moes)tuinman demonstreerde hoe je lekker veel aardappels kunt oogsten als je de aardappel plant met grassnijdsel en compost en het ontstane loof vervolgens voortleidt omhoog en almaar verder omhoog binnen een opeenstapeling van autobanden. Ik vertel dit niet goed, maar het gaat mij er niet om u een advies over aardappelteelt correct door te geven. Wat mij zo trof was de gelijkmoedigheid waarmee de tuinier iets zo volstrekt onnatuurlijks als een autoband zonder gewetensknaging aanwendt om zijn botanische zin door te drijven.

Ik woon sinds anderhalf jaar aan de bovenrand van Amsterdam, een verhuizing die alles te maken heeft met de botanische zin van mijn vrouw. In de stad hadden wij een postzegel als tuintje, waar ik voornamelijk af moest blijven, maar hier moet ik aan de slag vanwege de omvang van het perceel en tot mijn ontsteltenis bleken die autobanden geen Britse perversie, maar een goede illustratie van de verregaande onnatuurlijkheid van tuinieren.

Ik word er regelmatig op uitgestuurd met een kantenmaaier (zo’n rondswishend draadje aan een stok) waarmee ik een ware slachting aanricht onder wat mij treft als zo niet allemaal even mooie, in ieder geval wel volstrekt onschuldige planten en bloemen die zich op grond van zeer oude rechten op de slootkant gevestigd hebben. Dit vernietigingswerk wordt een groen tintje verleend met de boodschap ’beschouw jezelf maar als een Grote Grazer, die de vegetatie bijhoudt’. Veel erger zijn de planten die zich ten onrechte in de border begeven, waar ze beschouwd worden als terroristen die zich onder weerloos winkelend marktpubliek schuilhouden.

In mijn onwetendheid betreffende botanische verhoudingen vind ik vele soorten ’onkruid’ stiekem mooier dan menig goedgekeurde bloem. Perzikkruid bijvoorbeeld vind ik heel wat subtieler van vorm dan gekweekt spul dat grof, opgeblazen, vet en overvoerd oogt, als een Amerikaanse hamburger van vier verdiepingen. Maar tuinliefhebbers spreken over perzikkruid en consorten met onverholen minachting, soms zelfs met haat. Planten als zevenblad, berenklauw, muur, kruipende boterbloem (je voelt het geniepige van zo’n plantje), brandnetel, distels, pisbloem (sic) en koolzaad worden beschreven met een kreet van afgrijzen. ’Heb jij zevenblad in je tuin?’ klinkt als ’hebben jullie borstkanker in de familie?’. Zelfs de volstrekt onschuldige en onschadelijke klaver, het schaap onder de planten, wordt op zijn best fronsend maar niet zelden op verwoestende wijze tegemoet getreden.

Die pisbloem heet trouwens haagwinde en wordt beschreven als een hardnekkig onkruid. Ik moet enige wrevel bekennen als ik zie hoe hij zich in onze voortuin langzaam maar verstikkend rond de sneeuwwitte hortensia’s wikkelt die daar nogal uitdagend (dat krijg je er van) mooi staan te wezen.

Gelukkig geldt dit alles niet voor onze bomen. De wilg, de eik, de moerbei, de pruim, de appel en de kastanje staan er in volstrekt natuurlijke glorie.

Uit het Boek der Natuur spreekt dikwijls een les en van onze appelboom leer ik dat alles ook heel anders had kunnen lopen, want zijn appeltjes zijn zo hard en zo zuur dat hij in de Hof van Eden die fatale wending had kunnen verhinderen waardoor ik hier zit te schrijven, en u daar te lezen.

Bovendien had ik dan niet na vele miljoenen jaren van evolutionair gedreven uitverkiezing als vervanger van de Grote Grazers (die onze tuin natuurlijk niet in mogen) met mijn kantenmaaier tekeer hoeven gaan.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden