Een vertroebelende blik op de vijver

Volgens de critici behoorde het impressionisme tot de geschiedenis. Maar Monet bleef doorgaan, als een bezetene

"Deze plekjes, deze plonsjes, deze krasjes aangebracht op het oppervlak van wie weet hoeveel vierkante meters... Een decorschilder zou met zijn trukendoos met gemak hetzelfde effect weten te bereiken."


Nog geen half jaar na het overlijden van Claude Monet, bij de opening van het Musée de l'Orangerie in de Parijse Tuilerieën in 1927, lieten de Franse critici zich weinig gelegen liggen aan de het aloude adagium 'Van de doden niks dan goeds'. De impressionist mocht dan jaren obsessief aan zijn immense schilderijen van waterlelies (la grande décoration) hebben gewerkt, het betekende niet dat de professionele kunstbeschouwers automatisch vol lof waren. "Aardige ansichtkaarten voor een bepaalde Amerikaanse smaak", luidde een commentaar.


De reputatie van Monet (1840-1926) en zeker die van zijn laatste werken zouden nog jaren zozo blijven. Bij het museum, ingericht na een schenking van de schilder aan de Franse staat, liep het al die tijd geen storm. Pas in de jaren vijftig werd Monet herontdekt en omhelsd door eigentijdse kunstenaars, waarbij voortdurend werd gewezen op de 'onverwachte overeenkomsten' tussen Monet en de recente stromingen als abstract expressionisme, action painting en color field painting.


In 'Waanzin en betovering. Claude Monet en de waterlelies' laat Ross King zien hoe de schilder in zijn laatste jaren al steeds meer een icoon van een voorbije tijd werd. "Over het algemeen is men het erover eens dat het impressionisme tot de geschiedenis behoort", schreef een criticus in 1912. "Jonge kunstenaars geven weliswaar blijk van respect, maar ze moeten op zoek naar iets anders." Monet bleef ondertussen als een bezetene schilderen. Hij moest. Hij kon niet anders.


Hij worstelde met de veranderende smaak, met een tijd die niet meer de zijne was, met overlijdens in zijn naaste omgeving en met zijn snel achteruitlopend gezichtsvermogen.


De Canadese non-fictieschrijver Ross King heeft zich gespecialiseerd in biografische close-ups. Hele levens, van geboorte tot dood, vindt hij te veel van het goede. Hij focust liever op veelbetekenende, turbulente tijden in het bestaan van grote kunstenaars. Het leverde boeken op als 'De koepel van Brunelleschi', 'De hemel van de paus. Michelangelo en de Sixtijnse kapel' en 'Leonardo en het Laatste Avondmaal'.


Ook zijn nieuwste boek volgt het eerder beproefde procedé en sluit aan op Kings 'De omwenteling van Parijs. Over de geboorte van het impressionisme', verschenen in 2006. Want ditmaal gaat het over de nadagen van deze schilderstijl, tevens de nadagen van Monet. Na het heengaan van Pierre-Auguste Renoir eind 1919 was Monet definitief de laatste der impressionisten.


De kunstenaar woonde riant in Giverny, een dorp aan de Seine tussen kunstcentrum Parijs en zijn geboortestreek Normandië. Hij beschikte er ook over een prachtige tuin en vijver. Daarin waren de waterlelies te vinden die Monets la grande décoration domineerden. "Ach, wat laat het schilderen me toch lijden!", verzuchtte hij, terecht maar ook met enig gevoel voor pathos. De band met zijn laatste werken werd zo hecht dat hij er pas na zijn dood afstand van wilde doen.


Monet en het impressionisme lagen ondertussen niet alleen onder vuur van de avant-garde, maar ook van conservatieve kunst- pausen. Die vonden de schilder en de schilderstijl niet Frans genoeg. Tijdens en vlak na de Eerste Wereldoorlog waren velen van mening dat kunst vooral in het teken van patriottisme en de traditie moest staan. Monet kende de felle kritiek nog uit de begindagen van zijn carrière. Zelfs in 1900 was zijn werk nog 'een schande voor de Franse kunst' genoemd. Dat hij op zijn oude dag voor mooie prijzen bleef verkopen, vaak aan vermogende Amerikanen of Japanners, bood ook troost.


'Waanzin en betovering' is - de titel maakte het al een beetje duidelijk - een boek vol paradoxen. King beschrijft een man die van het vereeuwigen van de vluchtigheid zijn handelsmerk maakte. Iemand die zich in het zicht van de dood vast bleef klampen aan het leven.


In het door oorlog geteisterde Frankrijk slaagde hij er ook aardig in om zijn eigen paradijsje in Giverny in stand te houden. Niet de luxe en de tuin die hem omringden, vervulden hem met gêne, maar het schilderen zelf, vooral tijdens de Eerste Wereldoorlog. "Ik ben weer aan het werk", noteerde hij eind 1914 in een brief. "Het is nog altijd de beste manier om niet stil te blijven staan bij de huidige rampen, hoewel ik me toch enigszins beschaamd voel dat ik mij wijd aan het onderzoek van vorm en kleur, terwijl zovelen van ons lijden en sterven."


Naast zijn eigen twijfels waren er bezoekers die vraagtekens zetten bij Monets tomeloze ambitie: in tijden van barbarisme en op zo'n hoge leeftijd zoveel willen scheppen, waar ging dit project toe leiden?


Een belangrijke rol in Kings boek is weggelegd voor Georges Clemenceau, nauw bevriend met de kunstenaar. Anders dan Monet leidde de politicus op zijn oude dag allerminst een teruggetrokken leven. Eind 1917 werd hij op 76-jarige leeftijd nog benoemd tot premier, waarna hij behoorlijk autoritair leidinggevend Frankrijk samen met generaal Ferdinand Foch naar de overwinning in de oorlog voerde.


Het uitlichten van de staatsman biedt de auteur de gelegenheid om ook de tijdgeest in het Frankrijk van begin twintigste eeuw een plaats te geven. Met alleen de nogal huiselijke Monet zou dat een stuk lastiger zijn geweest.


Het beschrijven van de relatie tussen de twee, die ver terugging, is bovendien relevant. Met moeite hield de vriendschap stand. De staatsman met zijn sterke gestel (veelzeggende bijnaam 'de tijger') had nogal wat te stellen met de klagerige, tobbende kunstenaar, die hij dikwijls aansprak met koosnaampjes als "mijn dierbare ouwe warbol".


Toen Monet in een van zijn crises terugkwam op de door hem toegezegde schenking van de waterlelies aan de Franse staat, bekoelde de vriendschap tijdelijk. Clemenceau had veel moeite gedaan om alles zo goed mogelijk te regelen en tegemoet te komen aan het eisenpakket van zijn kameraad.


De breuk heelde. De politicus zat aan het sterfbed van de schilder. Nog ontroerender is Kings beschrijving van de uitvaart van Monet. Die wilde geen bloemen op zijn kist. Tuinen plunderen voor dat doel zou hij heiligschennis hebben gevonden. De begrafenisondernemer drapeerde wel een donker kleed over de schrijn met het stoffelijk overschot. Maar Clemenceau greep in. "Geen zwart voor Monet", sprak hij bedaard, liep naar het raam, rukte een bloemetjesgordijn omlaag en legde dat op de kist.


'Waanzin en betovering' had met honderd bladzijdes minder toe gekund, maar is verder een mooi verslag van het gevecht van een steeds weer opvlammende passie tegen een langzaam uitdovend leven. En daarmee een overtuigend verhaal over de kracht van kunst.


Ross King: Waanzin en betovering. Claude Monet en de waterlelies (Mad Enchantment) Vert. Ronald Jonkers. De Bezige Bij; 464 blz. euro 29,99

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden