Een verslavend kleinburgerlijk kwartier

(Trouw)

Veel Delftse schrijvers vonden hun inspiratie dicht bij huis. Zeker niet iedereen was enthousiast over de stad.

Als schrijvers uit Delft hun eigen stad typeren, wie moet je dan geloven? Iemand die rept van een ’kleinburgerlijk kwartier’ (Niek Verhaagen)? ’Geen saggerijniger oord dan Delft’ (Jeroen Brouwers)? Of toch: ’Feestelijk kan Delft wezen!’ (Aart van der Leeuw)?

We nemen de proef op de som en reizen af naar de Delftse binnenstad. Daar, aan de talloze grachtjes, heeft de afgelopen eeuwen een waar schrijverslegioen gebivakkeerd. Die schrijvers en dichters zijn het niet eens geworden. Waar de een de stad lof toe zwaait, vervalt de ander in klaagzangen.

De geboren Delftenaar Aart van der Leeuw (1876-1931) kon het slechte imago van zijn stad niet verkroppen. In de schets Stadsbeelden schreef hij de woede van zich af:

’Dikwijls heb ik mijn geboortestad een droefgeestige stad hooren noemen. Dat is ze niet. Hoe anders zouden onze bloemigste schilders Vermeer en de Hoogh er hebben willen werken, hoe zou Fabritius er zijn ’puttertje’ hebben kunnen neer penseelen en hoe had Poot er zijn blijhartige verzen hebben kunnen dichten!’

Toegegeven, die Hubert Korneliszoon Poot (1689-1733) had oog voor mooie dingen. Zoals een sterrenhemel boven de Markt, welke hij beschreef in zijn 108 regels lange gedicht Nacht:

Slechts ik, dus vroeg eens opgestaen / Zie ’t ryzend licht der schoone maen / Op gevels blikkeren en torens. / Zy meet het blaeu met elpe schreen; / En scheurt, in koelen moedt, met haere zilvre horens, / De donkerheid vanëen

Helaas voor Poot ging drinken hem beter af dan dichten. Zijn Delftse avontuur werd geen succes. Zijn grafschrift luidde: ’Hier ligt Poot / Hij is dood’. Dat maakte hem beroemder dan zijn gedichten zelf.

Jan Boerkoel (1945) herinnert zich vooral de verveling, vooral op zomerse zondagen. In het gedicht Choorstraat, schreef hij onder andere:

weer niks te doen / thuis broertjes en ouders / wat heb je dáár nu aan / de godsganse dag lummelt een zondag / door voor altijd uitgestorven straten

Het kan erger. Wim Hazeu (1940), biograaf van Gerrit Achterberg, J.J. Slauerhof en Simon Vestdijk, beleefde de oorlogsjaren in de Indische buurt in Delft. Een herinnering, opgetekend in de dichtbundel Dankdag voor het gewas, staat in zijn geheugen gegrift:

Brasserskade / deze straat sla ik / als een ets af / en lijst hem / nog vochtig in / op 28 april werd hier / een meisje gedood / de bewoners gaven geen laken / om het bloedlichaam te eren / en ik had alleen maar zuurtjes

Anna Enquist (1945), opgegroeid in Delft, zet de lezer aanvankelijk op het verkeerde been. In het verhaal Daer een seigneur zijn handen wast, laat ze de hoofdrolspeelster een hartstochtelijke haat koesteren jegens Delft. Ergens zegt zij: ’Delft? Weet je wel wat een verschrikkelijk enge stad dat is?’ Later zei Enquist in een interview met de Delftse Courant dat Delft „in mijn jeugd een heel benepen dorp was. Maar toen ik een tijdje terug op het terras aan de Beestenmarkt zat, had ik bijna het gevoel dat ik in Parijs zat.”

Deze ontboezeming doet denken aan die van Jo van Ammers-Küller (1884-1966). Zij had spijt van haar negatieve uitlatingen over de plek van haar jeugd en wijdde daar de schets ’Delft’ aan:

’Dit wordt de delging van een oude schuld. Ik heb nooit recht gedaan aan de wondermooie stad van mijn jeugd, nooit haar lof gezongen maar wel eens uit de hoogte en kleineerend met haar gespot, als het haar weinig hygiënische geuren of haar povere entourage gold.’

Misschien wordt de worsteling die vele schrijvers met Delft ervoeren nog het beste verwoord door Niek Verhaagen (1916-1948) in zijn sonnet ’Delft’:

’Vergeefs, kleinburgerlijk kwartier / waarin ik mijn rijk leven slijt, / elk ernstig woord aan u gewijd: / ’t kwijnt weg voor ’t prijkt op het papier. / Kent gij van stadsgracht en rivier / het toch zo pijnlijk onderscheid? / Een stroom voert mij ter eeuwigheid, / maar uw kalm water houdt mij hier... / Wat, kleine stad, is dan uw macht, / die mij nog altijd bleven deed, / alsof ik hier een wonder wacht? / Ach, die uw traagheid aanklaagt, weet / dat men soms dwalend langs een gracht / zijn onrust en zijn angst vergeet.’

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden