Review

Een verlangen naar pap

Gewapend met trommels en trompetten raasde de dichter Ilja Leonard Pfeijffer een paar weken geleden door het Nederlandse literaire landschap. Hier en daar roffelde hij een criticus onder de zoden en bijna terloops omschreef hij de literatuur als ,,een machtig wulpse, wrede en bloedmooie toverknol, die je haar bed in lokt en je verstrikt in toestanden, die de grond doet beven onder je voeten, je zekerheden sloopt, zingt als een Sirene, je vrienden verandert in zwijnen en je kloten fruit in een koekenpannetje met uitjes. Zij is gevaarlijk of zij is geen literatuur.'' (Trouw, 24 oktober)

En naast de literatuur moeten de literatuurbeschouwers zich weer gevaarlijk durven opstellen. Niets moest Pfeijffer weten van letterheren die literatuur 'savoureren alsof ze een rooibostheecocktailtje opslurpen door een rietje'. Die niet merken dat literatuur tanden heeft en kan spugen. Die voorovergebogen boven de kinderwagen staan te 'kwijlebabbelen': 'koeroekoeroekoe, wat een enig literatuurtje zeg, lijkt sprekend op de vader.' Veel beter is het met de literatuur te heulen, haar te verraden, zich door haar te laten verleiden en opgeilen, haar uit te schelden, in haar oor te bijten en te bespugen. Maar hoe dan ook, men moet stoppen met 'mijmeren en mummelen'.

Het is vast te wijten aan mijn positieve waardering van de kinderwagen, en het bijbehorende gekwijlebabbel, maar ik vond dit vitalistische geronk nogal vermoeiend. Er schoten mij vroegere pleitbezorgers van een dergelijke gepeperde literatuuropvatting te binnen: Marsman, Du Perron, en bovenal Lucebert, die de blote kont van die bloedmooie toverknol wilde kussen.

Maar over de vaders van Pfeijffer wil ik het niet hebben. In plaats daarvan een paar regels uit een toepasselijk gedicht dat me te binnen schoot toen ik Pfeijffers euforische grootspraak een beetje had verteerd. Het komt uit 'Ochtenddoel' en is van de Zweedse dichter Carl-Erik af Geijerstam:

Wanneer ik aan tafel zit met mensen

die sterke kruiden bij hun eten willen,

kan ik plotseling worden overmand

door een verlangen naar pap

met zijn traag doorsijpelende havermout

smaak

op een milde kleurloze ochtend

Dat is het bij zulke tirades als die van Pfeijffer: ik houd van een gekruide maaltijd, maar als iemand zulke sterke uitspraken doet, word ik plotseling overmand door een verlangen naar pap. Dat verlangen wordt vervuld in de poëzie van Geijerstam, van wie net de bundel 'Met ingehouden adem' is verschenen. Niet het grootse, niet de meeslepende toverknol, maar 'het begin', 'de stilte', 'de slaap' 'het donker' 'de milde lichtgrijze regen' en 'de leeggevreten notendoppen' staan in deze poëzie centraal.

In zijn nawoord citeert de vertaler van deze bundel, J. Bernlef, de dichter Lennart Sjögren. Deze eveneens Zweedse dichter zegt dat het in Geijerstams poëzie om het 'nauwelijks waarneembare' gaat. Of het nu een gebeurtenis of een voorwerp betreft, een beeld, een stem, telkens trekt de dichter een grens voor zijn poëzie. ,,Daarin lijkt Geijerstam op de zeventiende-eeuwse Nederlandse stillevenschilders, die zowel afzagen van veldslagen als van grootse bloemboeketten om in plaats daarvan vorken, lepels, messen, een brood of een vis te schilderen - een begrensd interieur waarbinnen het menselijk leven zich afspeelt.'

De sterkste illustratie van deze opvatting is het prozagedicht 'Onvangst', waarin Geijerstam een juttende ikpersoon opvoert, die terugkomt van zijn ochtendwandeling zonder ook maar iets gevonden te hebben, niet eens een oude bout. Dat zou hem teleur moeten stellen, maar merkwaardigerwijs gebeurt dat niet. Integendeel. De ikpersoon heeft het idee dat hij iets onvervangbaars met zich meedraagt: ,,iets dat zopas nog op de grond lag en mij bij iedere stap tegemoetkwam alsof het om een bijzondere ontmoeting ging. Kun je iets koesteren dat niet bestaat, een openheid die alles liet verglijden en het net leeg liet?''

J.Bernlefs eigen poëzie is evenmin een net vol lokkend zingende Sirenes. Vanaf zijn debuut, eind jaren vijftig, propageert hij een nuchtere literatuuropvatting, die zich aanvankelijk afzette tegen het barokke taalgebruik van de Vijftigers. Samen met K.Schippers en G.Brands richtte hij het avant-gardetijdschrift Barbarber op, waarin allerlei 'gevonden voorwerpen' als krantenberichten en advertentieteksten een poëtische functie kregen. Ook in zijn latere bundels bleef Bernlef een voorkeur houden voor een onderkoelde toon. Door het beperkte gebruik van stilistische middelen als alliteratie en assonantie wordt zijn poëzie nergens lyrisch zangerig; waar Bernlef ook over schrijft, zijn verzen blijven helder en precies.

In Bernlefs nieuwe bundel, 'Bagatellen voor een landschap' staan de duinen centraal. Het draait in deze gedichten om het blijvende dat deze 'rozen van zand' kenmerkt én om het veranderlijke van dit 'voorvluchtend landschap': ,,Nog altijd bewegen de duinen/de muziek vervlogen, klinkt hun grondmelodie/in ijl ritselend helmgras na.'

Omdat 'Bagatellen voor een landschap' vrijwel tegelijk verscheen met Bernlefs vertaling van Geijerstam, is de verleiding groot de bundels te vergelijken. Afgezien van de bedrieglijke gedachte dat Geijerstams poëzie aparter is -wat wil je als je nog maar één bundel van de man kent- krijg ik de indruk dat Bernlef met de jaren verzweedst, dat de natuur, de stilte, het ongerepte, de afwezigheid van taal een steeds belangrijkere rol in zijn werk gaat innemen.

Zo staat in 'Bagatellen voor een landschap' een ochtendwandeling, die net als in het gedicht 'Onvangst', iets lijkt te willen koesteren wat niet bestaat:

Duinen verschuiven, hun gewassen kleuren

lossen op in de ochtendzon

Het stuifzand aan hun voet

verlegt steeds weer zijn grenzen

Een dennenappel spert zich open

gedachte die zich ontvouwt

De gemuilkorfde boxer kijkt mij

in het voorbijgaan aan: moet je wat?

Niemand heeft mij iets gevraagd

niemand wil antwoord hier

Wie achterom kijkt ziet hoogstens

waar hij liep zoëven

Taal noch teken -

je sluit je lege hand

om dit gevoel.

Veel verder zal de Nederlandse literatuur niet kunnen vluchten; hopelijk is het duinlandschap te saai voor Pfeijffer. Maar als hij onverhoopt dit gebied met zijn getetter weet te bedreigen, is het aan te raden was in de oren stoppen, want om het nauwelijks waarneembare te kunnen waarnemen, moeten we ons doof houden voor schreeuwerige toverknollen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden