Een verlangen naar overzicht

Het denken zoekt het begrensde in het onbegrensde, schrijft Oek de Jong. Een eiland helpt daarbij.

Er is geen reis waarbij je zo duidelijk voelt dat je je losmaakt en iets achterlaat als de reis naar een eiland. Op weg naar Schiermonnikooog lijkt het landschap van Noord-Friesland dit losmaken en achterlaten te symboliseren. De meest noordelijke dorpen worden gepasseerd, steeds kaler en leger wordt het land tot er ten slotte alleen nog maar een geel bespikkelde vlakte van bloeiende koolzaadvelden is en de lijn van de dijk in de verte.

Met de veerboot maak je je los van het vasteland. Het schip glijdt door de geulen van de Waddenzee. In het noorden het licht bultend silhouet van Schiermonnikoog, in het oosten drijven de duinen van Rottumeroog als een luchtspiegeling tussen hemel en aarde. Op de modderbanken rondom staan wit en zwart de eidereenden.

De overtocht in deze plotselinge uitgestrektheid geeft me een gevoel van zuivering. Ik zou willen weten waarvan en waardoor ik word gezuiverd. Losser en lichter sta ik aan de reling en ik heb de neiging mijn armen uit te strekken en een koepelend gebaar te maken.

De natuur - wanneer ze niet wordt waargenomen, betekent ze niets. Ze is die ze is, zonder betekenis. Eenmaal waargenomen wordt de natuur tot landschap en blijkt ze onze gevoelens tot uitdrukking te kunnen brengen, ze wordt er het beeld van. Niet alleen het oog, maar ook het landschap is de spiegel van de ziel.

Een eiland als Schiermonnikoog weerspiegelt mijn verlangen naar afzondering en overzichtelijkheid. Eén lange dag is genoeg om over het hele eiland te wandelen en er alle landschappen te zien: Noordzee en Waddenzee, de stranden, de duingebieden, de slikken en schorren. Het eiland heeft een middelpunt: het dorp. De langgerekte en in het noorden gebogen vorm van het eiland doet aangenaam aan.

Tijdens het wandelen zit het beeld van het eiland, in vogelvlucht gezien, steeds in mijn hoofd. Een eiland is datgene wat het denken het meest zoekt: het begrensde in het onbegrensde.

Zoals een eiland een verlangen toont, zo tonen de vogels in de lucht mij de bewegingen van mijn gemoed. Het moeizame, tobberige loskomen van de aarde. Het opstijgen met achteloos gemak. Het zweven met minieme vleugelslag. Het duiken in scherpe hoeken, om het plezier van de onverwachte wending. Het dwarrelend neerstorten, plotseling beheerst. Het optornen tegen de wind en uitgeput zijwaarts wegglijden. Het klimmen tot stilstand. Al deze bewegingen van de vogels kan ik in mijzelf terugvinden. Niet in het hoofd, maar in het middenrif waar volgens de oude Grieken het gemoedsleven zetelt.

Ook het denken lijkt zichzelf te herkennen in het landschap. De tegenstelling, de vergelijking, de spiegeling, de symmetrie, de parallellie, het 'als p dan q' - al deze denkvormen had een geniale kustbewoner in een ver verleden tijdens één tocht over het strand uit de natuur kunnen abstraheren.

De verwantschap van het menselijk denken met de natuur is treffend.

Voor Alexander von Humboldt was er na een leven van natuuronderzoek aanleiding om te schrijven dat 'van pool tot pool, als door één adem bezield, slechts één leven is uitgegoten in stenen, planten en dieren en in des mensen zwellende borst'.

Het belangrijkste dat het denken steeds opnieuw van de natuur kan leren: gevoel voor verhoudingen.

We maken een wandeling naar paal 16 op de oostpunt van het eiland. We willen zien waar het eiland in zee verdwijnt. We lopen langs de vloedlijn. Het geluid waarmee de kleine golven breken klinkt helder in de ochtendlijke stilte. Het is lopen op lichte voeten. Bukken, oprapen en toch maar laten liggen. Hurken om in mijn gidsje op te zoeken of ik een tere platschelp danwel een nonnetje in mijn hand houd, een strandgaper, een ruwe of een Amerikaanse boormossel - de schelp die zich zelfs in rotsen weet te boren - een alikruik, een wulk of een muiltje. Het is opstaan, elkaar omhelzen, maar voorzichtig om de schelpen in mijn bloes niet te breken, luisteren naar de met kristallijnen helderheid brekende golven en over het strand kijken naar de duintjes die het gered hebben - ver van het water liggen ze, wat pocherig met hun wilde kuiven van helmgras.

Bij paal 13 steekt de verroeste davit van een schip boven het strand uit. Ik heb hem eerder gezien op een foto uit 1934: eilandbewoners staan er bij precies dezelfde davit als wij nu. In 1888 liep het stoomschip Black Hall hier op het strand en in de loop der tijd is deze kolos van ijzer in het zand verzonken. Het treft me. Het beeld verdwijnt in mijn geheugen en zal erin wegzinken, als het schip. Later zal het zich misschien aandienen, op het juiste moment, op de juiste plaats in de tekst - terwijl ik niet meer wist dat ik het bezat.

Verder langs de vloedlijn. Die lijn van vergankelijkheid waarlangs onze voeten zo opgewekt lopen. Achtentwintig jaar en voor het eerst sedert mijn kindertijd heb ik weer aandacht voor schelpen. Wat heeft me daar al die tijd van afgehouden? Er duiken regels van J.C. van Schagen op in mijn hoofd.

Als ik loop langs het strand

moet ik altijd dicht bij de zee zijn

ik loop dan heel aan het randje

en zij streelt mijn voeten

zij betast ze, of ze mijn blinde moeder is.

Paal 16 blijkt niet het einde van het eiland te zijn. Voorbij de laatste paal dus om zo dicht mogelijk bij de zee te zijn en de vogels op het wad, om op te lossen, te verdwijnen.

Een onvermijdelijk onderdeel van elke wandeling is het tegemoetkomen aan een verlangen naar overzicht, het verlangen om zoveel mogelijk ruimte tegelijkertijd te zien.

Het mooiste panorama van Schiermonnikoog doet zich voor als je vlak bij de vuurtoren de trappen beklimt naar een hoog duin. Er staat daar een zomerhuis. Aan de ramen kleeft het zout van de zee. We hebben er uitzicht naar alle kanten: over Noordzee en Waddenzee en het water tussen Schiermonnikoog en Ameland waarover jachten met kleurige ballonfokken stuiven.

Deze plek met zijn vergezichten herinnert me aan een plek op Capri. Op de kust van dit eiland, driehonderd meter boven zee, liet keizer Tiberius een zomerverblijf bouwen. Wat Tacitus over het decadente leven daar vertelt, wordt als onbetrouwbaar afgedaan. Maar het wordt toch graag opgedist: dat politieke tegenstanders er van de rotsen werden gesmeten, dat het paleis door een gang in de rotsen verbonden was met de grotten met het befaamde onderzeese licht en dat Tiberius daar zijn bacchanalen hield. Het uitzicht is door Tacitus niet beschreven. Het is overweldigend.

Overweldigd word je door de ruimte die je met het oog kunt bestrijken. Aan de ene kant van het bergachtige schiereiland van Sorrento zie je de Golf van Napels met de Vesuvius op de achtergrond - het meest afgebeelde landschap van de negentiende eeuw. Aan de andere kant de Golf van Sorrento met de witte vissersdorpen op de Costa Amalfitana. Naar het westen toe strekt zich de Middellandse Zee uit. Van alle kanten dringt het blauw van zee en hemel zich aan je op. Bij uitstek een keizerlijke plaats, want het machtsgevoel dat het panorama geeft, lijkt te passen bij het machtsgevoel van een man die heerst over de hele beschaafde wereld. Tegelijkertijd moet dit dagelijks uitzicht Tiberius ook doordrongen hebben van het onaanzienlijke en vluchtige van zijn heerschappij.

Er zit iets paradoxaals in het verlangen naar het vergezicht. Zoekend naar de grootste uitgestrektheid, de grootste macht van het oog, vindt de mens zijn eigen nietigheid.

Soms gloeit een bepaalde lichtval nog dagenlang na in mijn hoofd. Eén lichtbeeld zit nu zelfs al bijna een jaar in mijn hoofd. Nadat ik een dag op Capri had rondgezworven, voer ik in de avond op een kleine boot terug naar Amalfi. Er waren zo'n tien passagiers aan boord, die zich allemaal vermoeid in de kajuit hadden teruggetrokken. Ik was als enige aan dek.

Zittend op het voordek, mijn rug naar de boeg gekeerd, zag ik aan de ene kant van de boot het schiereiland liggen, de bergrug, door het strijklicht in een prachtig reliëf getoond. Het beeld dat zich vastzette in mijn hoofd was het gezicht door het gangpad op de andere kant van de boot.

Gekadreerd door een aantal stangen tussen het bovendek en de reling: de lage zon, die mijn gezicht nog verwarmde, daarnaast Capri, een hoog oprijzende donkere rotsklomp en achter het schip de hekgolven, wit op een beklemmend zwartblauwe zee.

De landschapsbeschouwing in literatuur en beeldende kunst is een stijl en ieder tijdvak heeft zijn eigen stijl. De overeenkomst van romantische natuurbeschrijvingen uit de eerste helft van de negentiende eeuw bijvoorbeeld is opvallend - ik doel vooral op de overeenkomst van de gevoelens die door deze beschrijvingen tot uitdrukking worden gebracht.

Carl Gustav Carus, arts en landschapsschilder, schreef: "Klim dan naar de top van het gebergte, kijk uit over de lange heuvelruggen, neem de slingering der rivieren in ogenschouw en alle heerlijkheid die zich maar aan u voordoet, en welk gevoel neemt dan bezit van u? - het is een verstilde aandacht, u verliest zich in de grenzeloze ruimte, uw hele wezen ondergaat een stille loutering en reiniging, uw Ik verdwijnt, u bent niets, God is alles."

Heel wat minder bedaard en bedaagd, maar doortrokken van hetzelfde verlangen naar een totaalervaring, is een landschapsbeschrijving van de jonge Georg Büchner in zijn roman 'Lenz': "Dikwijls, als de storm de wolken in de dalen neerwierp, dampen opstegen uit het woud en stemmen opklonken tegen de rotsen, nu eens als de in de verte verklinkende donder dan weer machtig aanbruisend in klanken, als wilden ze in hun wilde jubel de aarde bezingen; en de wolken als wilde, hinnikende paarden naderden in galop, en de zon tussen dit alles doorpriemde en zijn flikkerend zwaard richtte op de sneeuwvlaktes, zodat een hel en verblindend licht over de toppen van de bergen in de dalen sneed; of als de storm de wolken wegdreef en er een lichtblauw meer in scheurde, en als dan de wind tot rust kwam, en uit de ravijnen, uit de toppen van de dennebomen als een wiegelied klokgelui opklonk, en in het diepe blauw een licht rood opklom en in kleine wolkjes met zilveren vleugels gloorde, en alle bergtoppen scherp en vast van ver over het land glansden en schitterden - dan stak het in zijn borst, hij stond stil, hijgend, het lichaam voorovergebogen, ogen en mond wijd geopend, en hij meende dat hij de storm in zich moest trekken, alles in zich moest trekken, hij spreidde zich over de aarde uit en woelde zich in het Al - het was wellust die pijn deed."

In geschriften uit de eerste helft van de negentiende eeuw is het natuurgevoel van een ongekende hevigheid, het is nog fris en jong, en schrijvers en dichters geven zich op een ongeremde en naïeve manier over aan hun beleving van het landschap.

Dit laatste, die naïeve overgave aan de natuurbeleving, is tegenwoordig verdwenen.

Een romanticus van deze tijd is de Engelse kunstenaar Richard Long. Op zijn wandelingen door een woeste en nog onaangetaste natuur richt hij met gevonden materiaal - stenen in het Atlasgebergte, drijfhout aan de Beringstraat - tekens op in de vorm van cirkels en vierkanten. Deze tekens worden gefotografeerd, zoals 'A Line in the Himalayas' waarop op een puinveld aan de voet van een gletsjer een rechte lijn van breuksteen is gelegd tegen een achtergrond van besneeuwde bergtoppen. De foto's worden tentoongesteld. Soms wordt het teken uit het landschap meegenomen en opnieuw gelegd in museum of galerie.

Wat opvalt in Longs werk is zijn neiging om bij voorkeur naar oerlandschappen af te reizen en daar te doen wat onze verre voorouders deden: tekens oprichten. Hij verricht een elementaire handeling die lijkt voort te komen uit de oudste neigingen van de menselijke soort: in een mysterieuze, vreeswekkende en oneindige natuur een teken van menselijke aanwezigheid op te richten. Net als negentiende-eeuwse romantici neemt Long afstand van onze verstedelijkte cultuur, maar zijn reactie is extremer: de landschappen die hij bezoekt zijn wel erg afgelegen.

Het werk van Richard Long is typerend voor de landschapsbeschouwing van onze tijd. Er is een besef van de historiciteit van het landschap: hoe onze voorouders ermee verbonden waren en dat wij dat niet meer zijn. Er is de neiging om in de beleving van de natuur terug te keren naar het oeroude: tekens aanbrengen, zoals onze voorouders deden. De land art, opgekomen in de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw, is hiervan doortrokken. Door de verdwijning van het platteland en de steeds verdergaande verstedelijking lijkt een verlangen naar oorsprong te worden gestimuleerd.

Het grote verschil is: wat voor onze voorouders ¿ vereerders van goden en kosmische krachten ¿ onderdeel was van het dagelijks leven, dat is voor ons alleen nog maar een kunstwerk, een voorwerp van esthetisch genot. We kunnen nooit meer zijn zoals zij.

Onze vormgeving van de landschapservaring gaat gepaard met antisentimentalisme. De romantici zijn in onze ogen naïef. Dit antisentimentalisme in de beleving van de natuur - een beleving die bijna onontkoombaar leidt naar het sacrale - contrasteert scherp met de manier waarop in de Romantiek aan de natuurbeleving gestalte werd gegeven.

Toch is onze houding tegenover het landschap en de woeste natuur nog altijd geworteld in de romantische, zoals de huidige opvatting van het kunstenaarschap au fond nog altijd een romantische is. Maar waar de romantische gevoeligheid in de gedaante van een jonge dichter naar de toppen van het gebergte snelde en de armen uitspreidde om zich in het Al te storten, lijkt die zich tegenwoordig als een sceptische figuur door het landschap te bewegen. Wij wantrouwen bevlogenheid en grote woorden.

Het menselijk besef van het mysterieuze en ongrijpbare lijkt tegenwoordig niet zozeer door een dwalen in de natuur als door een zoektocht in ons innerlijk te worden bevredigd. Waar het mysterie in de negentiende eeuw vooral in de natuur werd geprojecteerd, wordt het in onze eeuw vooral in de psyche ondergebracht. Dieper en dieper dalen wij af in de krochten van ons onderbewuste. Maar is ook dat niet een van oorsprong romantisch project?

Wij kunnen niets anders dan de romanticus in onszelf bevechten. ¿

Oek de Jong: Brief aan een jonge Atlas. Augustus Amsterdam; 96 blz. € 14,95
Boekpresentatie: De Balie, Amsterdam, 17/4 20u, met o.a. Jaffe Vink, Marcel Möring en Wim Brands (kaarten à € 10, bestellen via debalie.nl)

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden