Een veelvraat op de blokfluit

Erik Bosgraaf: 'Ik ben nooit middle-of-the-road. Het is altijd heel erg Erik.' (FOTO MARCO BORGGREVE) Beeld
Erik Bosgraaf: 'Ik ben nooit middle-of-the-road. Het is altijd heel erg Erik.' (FOTO MARCO BORGGREVE)

Hij speelt net zo makkelijk repertoire uit de Middeleeuwen als het modernste materiaal van de jongste componisten. Erik Bosgraaf is de eerste blokfluitist die de Nederlandse Muziekprijs krijgt.

Erik Bosgraaf wordt wel gezien als de meest virtuoze en veelzijdige blokfluitist van zijn generatie. Virtuoos omdat hij de grootste vingerbrekers met gemak en flair wegspeelt. Veelzijdig omdat hij zich als een vis in het water voelt tussen zowel rock, experimenteel als Middeleeuwen. Met een grote voorkeur voor de extremen in dat repertoire.

De laatste jaren rees zijn ster razendsnel, nam hij cd’s op met bekend en onbekend repertoire en won hij de ene prijs na de andere. Op 21 februari krijgt hij als eerste blokfluitist ooit de Nederlandse Muziekprijs: de meest prestigieuze prijs die dit land kent, voor de allerbesten in hun vak.

„Erik Bosgraaf toonde zijn grote virtuositeit op alle (on)mogelijke blokfluiten”, aldus de adviescommissie. „In repertoire van eind 16de tot begin 21ste eeuw bewees hij op miraculeuze wijze van muzikale gedaante te kunnen verwisselen.”

„Ja, ik ben wel trots op deze prijs”, zegt Bosgraaf. „Maar het gaat natuurlijk niet om die prijzen. Ik ben blij dat ze bestaan, maar bij concoursen ben ik niet erg populair, omdat ik een te extreme smaak heb. Ik ben nooit middle-of-the-road – noch in mijn repertoirekeuze, noch in de manier waarop ik speel. Het is altijd heel erg Erik.”

Wat is dat dan, ’heel erg Erik’? De blokfluitist noemt zijn keuze voor erg oude of juist erg nieuwe muziek. Bosgraaf werkt veel met hedendaagse componisten (’dat vind ik het leukste wat er is’) en liet de laatste jaren veel nieuwe stukken voor zijn instrument componeren.

Behalve in repertoirekeuze onderscheidt Bosgraaf zich ook in zijn spel. „Ik speel heel dynamisch (met veel verschil tussen hard en zacht, red.). Dat is nagenoeg onmogelijk op blokfluit, dus dat valt altijd wel op. Ook is mijn articulatie beter dan die van anderen. Ik kan het ook anders formuleren: ik ken blokfluitisten die beter legato kunnen spelen.”

Die typische Bosgraaf-manier van tonen aanzetten komt naar zijn zeggen doordat hij een grote voorkeur heeft voor muziek met een ritmische drive. „Eerst komt ritme, dan harmonie en dan melodie. In die volgorde. Door de melodie op de derde plaats te zetten, kan ik (als bespeler van een melodie-instrument) de melodie beter inpassen.”

Behalve de gecomponeerde muziek vormt ook improviseren een belangrijk bestanddeel van Bosgraafs praktijk. Hij improviseert nog steeds veel in bands, omdat hij daarin naar eigen zeggen behalve interpreet ook scheppend musicus kan zijn. „Ik ontdekte dat ik het improviseren samen kon brengen met het spelen van klassieke muziek. Het kwam me ook van pas in de muziek van bijvoorbeeld Van Eyck of Vivaldi.”

Behalve dat hij zich ontwikkelde tot duizendpoot op zijn instrument studeerde Bosgraaf ook muziekwetenschap, omdat hij op zijn achttiende besloot – ’enigszins dramatisch’ – dat hij zijn hele leven in het teken van de muziek wilde stellen en zijn kennis uit alle hoeken wilde halen. „Als een soort homo universalis, dat was het idee. Hoezo pretentieus? Hahaha!”

Hoewel hij muziek vanuit een breed perspectief benadert, staat de blokfluit centraal. „Ik hou er nooit zo van als musici zeggen: ik ben meer musicus dan violist. Dat is een ontkenning van het ambacht en van de magie die je hebt met je instrument. Ik ben gewoon blokfluitist. Klaar.”

Die magie zit hem wat Bosgraaf betreft in het feit dat hij het instrument ’alle kanten op kan sturen’ en dat de blokfluit dat omgekeerd bij hem doet. „Ik vind het fijn dat de blokfluit nog niet ’af’ is. Het is niet zo’n geoliede machine zoals de saxofoon of de dwarsfluit. Je bestelt niet zomaar een instrument uit een fabriek, maar je moet voor zo’n handgemaakt instrument in overleg met een ambachtsman – dat gaat vaak over millimeters. Met die eigenzinnigheid kan ik wat. Bovendien is het een heel direct instrument: het zit dicht bij spraak en reageert snel.”

Terug naar de Nederlandse Muziekprijs. Tijdens een traject van tweeënhalf jaar werd Bosgraaf gevolgd door een commissie, die op gezette tijden bij zijn optredens aanwezig was. Bovendien kreeg hij een mentor toegewezen, Hans Hierck, die de musicus begeleidde. „Een deel van het onderzoek dat ik deed, betrof het gebruik van elektronica en performance. Het was heel boeiend te onderzoeken hoe je je hele lichaam kunt inzetten op een podium.”

Bosgraaf onderzocht ook hoe hij zijn instrument, dat ooit gebouwd werd voor kleine zalen, in een grote zaal zo goed mogelijk tot zijn recht kon laten komen. „Je kunt er natuurlijk een microfoon op zetten, maar het gaat niet om alleen maar harder, maar ook over hoe je het geluid de zaal instuurt, hoe je timing is, de manier waarop je vibrato produceert. ”

Tijdens de uitreiking van de prijs laat Bosgraaf al die aspecten aan de orde komen: hij speelt zowel oud als gloednieuw repertoire (een première van een dubbelconcert van Matijs de Roo), samen met het Nederlands Kamerorkest, maar ook solo. Alleen de elektronica ontbreekt.

Bosgraaf verheugt zich op het dubbelconcert met concertmeester Gordan Nicolic. „We passen heel erg bij elkaar wat betreft vrijheid op het podium en improviseren. Ik ben eigenlijk een Friese gypsy.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden